Voor literatuurlijst klik hier.

 

Dit is levend geloof

 



VOORBEELDEN VAN GELOOF

 

 

Het begrip ’geloof’ roept beelden op van vurige profeten, dynamische apostelen, dappere martelaren en voorbeeldige christenen. Imposante mensen van God, vol kracht en doelgericht. Zo'n vurig geloof zouden wij toch nooit kunnen hebben?

Of toch wel?

Geloof is een van die zaken in de christelijke ervaringswereld die veelvuldig besproken, maar zelden goed begrepen worden. En dat terwijl God toch zegt dat het zonder geloof niet mogelijk is Hem welgevallig te zijn.

HebreeŽn 11:6  maar zonder geloof is het onmogelijk [Hem] welgevallig te zijn.

”Hebt geloof in God”, zei Jezus (Markus 11:22). Het oprechte geloof waarover Hij sprak houdt toewijding en trouw in. Geloof in God betekent geloven in Hem, ook al kunnen we Hem niet fysiek waarnemen. Het betekent het bewaren van Gods principes, zijn woorden, zijn geboden, geloven in en bereid zijn uitvoering te geven aan zijn wil.

De Bijbel doet verslag van vele gelovigen die waarachtig en vol overtuiging God dienden, hun gebeden verhoord zagen, tegenslagen overwonnen en opvallende daden verrichtten. Dit is opgetekend en aan ons overgeleverd opdat wij ervan zouden leren.

Romeinen 15:4  Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden.

Laten we eens kijken naar de ervaringen van een aantal gelovige mensen om na te gaan welke rol geloof speelde in hun leven.

 

 

Abraham, de vriend van God

 

Op Christus na wordt in het Nieuwe Testament het meest naar Abraham verwezen als voorbeeld van geloof. Abraham leefde 1800 ŗ 1900 jaar voordat Jezus Christus op aarde kwam. Op grond van zijn diepe, oprechte geloof werd hij ”een vriend van God” genoemd (Jak. 2:23).

Abraham koesterde waarschijnlijk de gedachte de rest van zijn leven rustig in MesopotamiŽ door te brengen, waar hij samen met zijn familie en vrienden woonde. Maar God had iets anders met hem voor. Hij gaf Abraham opdracht huis en haard te verlaten en naar het land Kanašn te trekken en zich daar in onbekende omgeving te vestigen. Bovendien beloofde God dat Abraham en zijn vrouw Sara vele afstammelingen zouden hebben, ondanks het feit dat zij nog altijd kinderloos waren.

Het idee om te emigreren moet niet gemakkelijk te accepteren zijn geweest. Hij was al op leeftijd gekomen en hij zou het merendeel van zijn familie waarschijnlijk nooit meer zien. Maar Abraham had geloof. Zijn reactie is eenvoudig samengevat in de woorden: ”Toen ging Abram, zoals de Here tot hem gesproken had” (Gen. 12:4). En Paulus schreef:

HebreeŽn 11:8  Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.

Maar hij wist dat hij op God kon vertrouwen.

De tijd verstreek en hoewel God hen veilig naar hun nieuwe land had geleid, bleven Abraham en Sara kinderloos. Daarom herinnerde Abraham God aan zijn belofte.

Genesis 15:1  Hierna kwam het woord des HEREN tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn. 2  En Abram zeide: Here HERE, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damascener EliŽzer zijn [knecht van Abraham]. 3  En Abram zeide: Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn.

God antwoordde Abraham, niet door hem een kind te schenken, maar door zijn belofte in detail te herhalen. Hoe onmogelijk het ouderschap vanuit fysiek oogpunt ook leek, Abraham geloofde God.

Vers 4  En zie, het woord des HEREN kwam tot hem: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn. 5  Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. 6  En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.

Abraham was 75 jaar en zijn vrouw 65 toen God hun een zoon beloofd had. Er waren sindsdien al heel wat jaren verstreken en Abraham en Sara voelden hun lichaamskrachten nog verder afnemen.

God herhaalde zijn belofte.

Genesis 17:1  Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk; 2  Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken.

Genesis 18:11  Abraham nu en Sara waren oud en hoogbejaard; het ging Sara niet meer naar de wijze der vrouwen.

Maar Abraham wist dat niets te moeilijk is voor God, de almachtige Schepper, die hij vereerde.

Romeinen 4:19  En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven; 20  maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, 21  in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.

Ten slotte, nadat zij vele jaren hadden gewacht, werd ”te bestemder tijd, waarvan God tot hem gesproken had” (Gen. 21:2) Isašk uit Abraham en Sara geboren, geheel in overeenstemming met het woord van God. Hun geloof was door de jaren van beproevingen gesterkt. Abraham was 100 jaar en Sara 90, ze hadden 25 jaren gewacht. Wie zou zich niet hebben afgevraagd of God wel meende wat Hij zei, als door het verstrijken der jaren de belofte min of meer teniet werd gedaan?

Het is voor God echter nooit te laat! Hij die ”het niet zijnde tot aanzijn roept” (Rom. 4:17) doet gelijk Hij wil op een tijdstip dat Hij verkiest. Niets kan Hem daarbij hinderen.

Maar het was nog niet afgelopen met de beproevingen die God voor Abraham in petto had. Toen zijn langverwachte en geliefde zoon Isašk tot een jongeman was opgegroeid, volgde de grootste proef. God zei tot Abraham dat hij Isašk naar een aangewezen plek moest brengen en hem daar als brandoffer moest offeren.

Genesis 22:1  Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze zeide: Hier ben ik. 2  En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isašk, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen die Ik u noemen zal.

Abraham moet toch in de verleiding zijn gekomen om te vragen: ”Een brandoffer?”

Abraham stelde echter geen vragen. Hij vertrouwde op God in het geloof dat God precies wist wat het beste was. Abraham had er geen idee van wat God zou doen. Hij betwijfelde niet dat de ware God tot hem sprak. Hij wist dat de God die hij aanbad geen mensenoffers wenste, zoals de goden van andere volkeren. Samen met zijn zoon Isašk ging hij naar de plaats waar het offeren moest plaatsvinden. Hoe God dit verder zou leiden wist Abraham niet.

Vers 7  Toen sprak Isašk tot zijn vader Abraham en zeide: Mijn vader, en deze zeide: Hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer? 8  En Abraham zeide: God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen die beiden tezamen.

Abraham trof alle voorbereidingen om Isašk te offeren en het duurde tot de laatste seconde voordat God ingreep en Abraham van een plaatsvervangend brandoffer voorzag.

Vers 10  Daarop strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. 11  Maar de Engel des HEREN riep tot hem van de hemel en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Hier ben ik. 12  En Hij zeide: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden. 13  Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon.

Op het nippertje gered? Niet voor God. Hij had Abraham een ontelbaar groot nakomelingschap beloofd door zijn zoon Isašk. Abraham had het volste vertrouwen in die belofte. Hij wist dat God, indien nodig, Isašk zelfs uit de doden kon opwekken.

HebreeŽn 11:18 hij [Abraham], tot wie gezegd was: Door Isašk zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.

Abraham vertrouwde er volkomen op dat God de situatie geheel beheerste. Ter nagedachtenis aan deze gebeurtenis noemde Abraham die plaats ”De Here zal erin voorzien” (Gen. 22:14). In iedere beproeving, ieder gevaar, ten overstaan van iedere hindernis en elke behoefte is ’God zal erin voorzien’ de zekerheid waarop het levende geloof gedijt.

Natuurlijk, Abraham was niet volmaakt. Zijn geloof wankelde weleens. Niettemin wordt Abraham in de Bijbel een man van geloof genoemd en als belangrijk christelijk voorbeeld beschouwd.

Geloof zonder werken is dood.

Jakobus 2:17  Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. Vers 20  Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt?

Door zijn werken toonde Abraham de echtheid van zijn geloof.

Jakobus 2:18  Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ik heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken. 21  Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isašk op het altaar legde? 22  Daaruit kunt gij zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat dit geloof pas volkomen werd uit de werken; 23  en het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd. 24  Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof.

 

 

De moeder van Jezus

 

Met grote zorgvuldigheid koos God de vrouw uit die de moeder van Jezus Christus, de Zoon van God, zou worden. Zowel Jezus' moeder als zijn stiefvader moesten geschikte ouders zijn, die volgens de wil van God leefden.

Jozef was een rechtschapen, godvrezende man.

MattheŁs 1:18  De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus. Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de heilige Geest. 19  Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden. 20  Toen die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom en zeide: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest. 21  Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden. 22  Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: 23  Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam ImmanuŽl geven, hetgeen betekent: God met ons. 24  Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was, deed hij, zoals de engel des Heren hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich. 25  En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus.

Maria was een vrouw die op een stille, geduldige manier gelovig was.

Maria zal zeer verbaasd geweest zijn toen de engel GabriŽl op een dag aan haar verscheen en verkondigde dat zij, een maagd, een kind zou dragen? En dat het kind de ”Zoon des Allerhoogsten” zou zijn.

Lukas 1:26  In de zesde maand nu werd de engel Gabriel van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazaret, 27  tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, genaamd Jozef, uit het huis van David, en de naam der maagd was Maria. 28  En toen hij bij haar binnengekomen was, zeide hij: Wees gegroet, gij begenadigde, de Here is met u. 29  Zij ontroerde bij dat woord en overlegde, welke de betekenis van die groet mocht zijn. 30  En de engel zeide tot haar: Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt genade gevonden bij God. 31  En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. 32  Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, 33  en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen.

Maar hoe kan een maagd nu een kind krijgen, en dan nog wel het kind van God, een kind dat voorbestemd is om te leven en te heersen tot in de eeuwigheid.

Vers 34  En Maria zeide tot de engel: Hoe zal dat geschieden, daar ik geen omgang met een man heb? 35  En de engel antwoordde en zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden.

Wat te denken van de roddels en beschuldigingen omdat Maria al zwanger was, voordat ze met haar aanstaande echtgenoot samenleefde?

Er waren voor een vrouw al met al redenen genoeg terughoudend en sceptisch te staan om bij zoiets betrokken te raken. Maar de engel verzekerde Maria dat dit Gods werk was, dat de heilige Geest over haar zou komen en dat bij God niets onmogelijk is.

Lukas 1:37 (Nieuwe Bijbelvertaling)  want voor God is niets onmogelijk.

Menselijk gesproken lijkt dit alles zeer onwaarschijnlijk. Toch geloofde Maria in God en zij gehoorzaamde.

Vers 38  En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.

De reactie van Maria op de woorden van de engel GabriŽl is duidelijk anders dan de reactie van de oude priester Zacharias. Enkele maanden voordat de engel GabriŽl Maria bezocht, was hij aan Zacharias verschenen met de boodschap dat zijn vrouw Elisabet, die ook al op hoge leeftijd was, een kind zou krijgen. Lukas schrijft dat Zacharias, die toch al vele jaren het priesterambt bekleedde, het moeilijk vond de woorden van de engel GabriŽl te geloven.

Vers 18  En Zacharias zeide tot de engel: Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben een oud man en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen. 19  En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben GabriŽl, die voor Gods aangezicht sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijmare te verkondigen. 20  En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat deze dingen geschieden, omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, die op hun tijd in vervulling zullen gaan.

Maar Maria, de onervaren jonge vrouw, geloofde onvoorwaardelijk. Zij wist dat God betrouwbaar en onfeilbaar is. Maria's geloof wordt geprezen met de volgende woorden:

Vers 45  En zalig is zij, die geloofd heeft, want wat vanwege de Here tot haar gezegd is, zal volbracht worden.

Vanaf het begin was het duidelijk dat Jezus een bijzonder kind was. In de gebeurtenissen rondom Hem was vaak de hand van God te zien. Maria begreep niet alles wat er plaatsvond of wat Jezus later zei en deed.

Lukas 2:33  En zijn vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. Vers 48  En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld en zijn moeder zeide tot Hem: Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik zoeken U met smart! 49  En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij naar Mij gezocht? Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders? 50  En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak.

Vers 19  Doch Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart. Vers 51  En Hij ging met hen terug en kwam te Nazaret en was hun onderdanig. En zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart.

Ze was ervan overtuigd dat God de leiding had.

In het verhaal van de bruiloft te Kana komt duidelijk Maria's nederige geloof naar voren. Toen de wijn opraakte, wist Maria dat Jezus uitkomst kon bieden. Waarom zou ze het probleem anders onder zijn aandacht hebben gebracht?

Johannes 2:3  En toen er gebrek aan wijn kwam, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.

Zijn tijd om in het openbaar wonderen te verrichten was weliswaar nog niet gekomen (vers 4), maar het feit dat Jezus op verzoek van Maria een wonder verrichtte, is een duidelijk bewijs van zijn respect voor haar en haar geloof.

Lange tijd geloofden zijn broers niet in Hem.

Johannes 7:1  En daarna trok Jezus rond in Galilea; want Hij wilde Zich in Judea niet ophouden, omdat de Joden Hem trachtten te doden. 2  Nu was het feest der Joden, Loofhutten, nabij. 3  Zijn broeders dan zeiden tot Hem: Ga vanhier en reis naar Judea, opdat ook uw discipelen uw werken aanschouwen, die Gij doet. 4  Want niemand doet iets in het verborgen en tracht tegelijk zelf de aandacht te trekken. Indien Gij zulke dingen doet, maak, dat Gij bekend wordt aan de wereld. 5  Want zelfs zijn broeders geloofden niet in Hem.

Markus 6:1  En Hij vertrok vandaar en kwam in zijn vaderstad, en zijn discipelen volgden Hem. 2  En toen de sabbat aangebroken was, begon Hij te leren in de synagoge. En zeer velen van die Hem hoorden, stonden versteld en zeiden: Waar heeft Hij deze dingen vandaan en wat is dat voor een wijsheid, die Hem gegeven is? En zulke krachten, als door zijn handen geschieden? 3  Is dit niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En behoren zijn zusters hier niet bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem. 4  En Jezus zeide tot hen: Een profeet is alleen in zijn vaderstad en onder zijn verwanten en in zijn huis ongeŽerd.

Zijn moeder echter bleef altijd trouw in Hem geloven, ook toen zij er getuige van was hoe Jezus werd bespot, veroordeeld en ten slotte schandelijk om het leven werd gebracht.

Waar waren Jezus' broers en zusters toen Hij gekruisigd werd? Daarover vertelt de Bijbel niets. Maar er staat wel dat Maria in het laatste uur van zijn lijden nabij het kruis stond, waaraan het gehavende en bloedende lichaam van haar eerstgeborene hing.

Johannes 19:25  En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria van Magdala.

Het geloof van Maria hield stand. De volgende en tevens laatste bijbeltekst waarin Maria wordt genoemd, is Handelingen 1:14. We leren hier dat zij tezamen was met andere volgelingen van Jezus, die allen later, op de Pinksterdag van het jaar 30 n.Chr. de heilige Geest ontvingen.

Handelingen 1:14  Deze allen bleven eendrachtig volharden in het gebed, met enige vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders.

Handelingen 2:1  En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. 2  En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; 3  en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; 4  en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.

 

 

De apostel Paulus

 

In het Nieuwe Testament schept de apostel Paulus een duidelijk beeld van de rol die geloof speelt in het christelijke leven.

Hij kan spreken uit eigen ervaring. Na zijn bekering bleven hem weinig beproevingen bespaard. Meer dan eens werd hij om zijn geloof in de gevangenis gezet. Bijna werd hij ter dood gebracht. Hij doorstond ernstige ongelukken, roofovervallen, verraad en tegenstand van diegenen die hij trachtte te helpen.

Hij was vertrouwd met pijn en vermoeidheid, kende menige nacht zonder slaap, leed gebrek aan voedsel, water, onderdak en zelfs kleding. De diverse beproevingen die hij moest doorstaan, staan vermeld in 2 CorinthiŽrs 11:23-27.

2 CorinthiŽrs 11:23  Dienaren van Christus zijn zij? (ik spreek tegen mijn verstand in) ik nog meer: in moeiten veel vaker, in gevangenschap veel vaker, in slagen maar al te zeer, in doodsgevaren menigmaal. 24  Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-een-slagen ontvangen, 25  driemaal ben ik met de roede gegeseld, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee; 26  telkens op reis, in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door volksgenoten, in gevaar door heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders; 27  in moeite en inspanning, tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten, in koude en naaktheid.

Waartoe leidden deze onfortuinlijke gebeurtenissen bij Paulus? Voelde hij zich neerslachtig, ontmoedigd of verslagen? Nee, integendeel. In al zijn geschriften is duidelijk waarneembaar dat Paulus een door en door positief denkend mens was, iemand die met een groot geloof moeilijke tijden doorstond.

Hij schreef:

Filippenzen 4:11  Niet dat ik dit zeg, als zou ik gebrek lijden; want ik heb geleerd met de omstandigheden, waarin ik verkeer, genoegen te nemen. 12  Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek.

Paulus kon dergelijke problemen aan, omdat hij zijn vertrouwen in Jezus Christus had gesteld:

Vers 13  Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft.

Paulus wist dat de God die hij diende, ervoor zou zorgen dat alles in zijn leven ten goede zou keren.

Romeinen 8:28  Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn.

 

 

Een levenswijze

 

Paulus toonde ons niet alleen dat geloof ons helpt het hoofd te bieden aan de moeilijkheden van het leven, hij liet ons ook zien welke relatie er is tussen geloof en behoud.

Paulus leerde ons dat volharden in het geloof in Christus een aantal aspecten omvat, zoals gehoorzaamheid (Rom. 16:26), leven volgens het woord van God zoals het in de Bijbel staat (1 Thess. 2:13) en bereid zijn anderen te dienen, zelfs tot het punt van zelfopoffering (Filipp. 2:17).

Romeinen 16:26  maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekendgemaakt onder alle volken.

1 Thessalonicen 2:13  En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft.

Filippenzen 2:17  Maar ook indien ik geplengd word bij de offerande en de eredienst van uw geloof, verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen.

Dit zijn de dingen waarin geloof tot uitdrukking komt.

Paulus maakte duidelijk dat behoud een geschenk is van Gods genade door geloof.

EfeziŽrs 2:8  Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; 9  niet uit werken, opdat niemand roeme.

Het is onmogelijk het behoud door werken (onze handelingen en daden) te verdienen.

Romeinen 3:28  Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.

Maar ter voorkoming van misverstanden voegde Paulus er snel aan toe:

Vers 31  Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.

Geloof is in harmonie met de wet, het is er niet mee in strijd.

Wanneer God onze zonden heeft vergeven, verwacht Hij dat wij Hem gehoorzamen. De reden waarom wij geloof nodig hebben om Hem te gehoorzamen, ligt in het feit dat de menselijke natuur tegen Gods wetten indruist. Het natuurlijke denken ”onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet” (Rom. 8:7). Daarom kunnen wij God niet uit onszelf behagen.

We hebben Gods Geest nodig en het geloof dat van Hem uitgaat.

Romeinen 8:9  Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. 10  Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. 11  En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont. 12  Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. 13  Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. 14  Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.

Het probleem waar de IsraŽlieten onder het Oude Verbond mee kampten was dat zij weliswaar Gods wetten kenden, maar geen geloof hadden.

HebreeŽn 3:18  Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren? 19  Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof.

Het geloof dat behoud brengt is het geloof in Jezus Christus.

Galaten 3:22  Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten gevolge van het geloof in Jezus Christus de belofte het deel zou worden van hen, die geloven. 23  Doch voordat dit geloof kwam, werden wij onder de wet in verzekerde bewaring gehouden met het oog op het geloof, dat geopenbaard zou worden. 24  De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. 25  Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester.

Het christendom zegt in Jezus Christus te geloven. Maar zolang ze zijn evangelie van het Koninkrijk van God niet geloven en Hem niet gehoorzamen – Hij zegt immers dat we Gods geboden moeten houden – is het geen waar geloof, geen levend geloof.

Gods Gemeente – het geestelijk IsraŽl van het Nieuwe Testament – heeft dan ook zowel Gods geboden als geloof.

Openbaring 14:12  Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren.

Deze combinatie maakt het mogelijk ”om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God” (Col. 1:10).

Om als christen te leven moet men altijd geloof uitoefenen. Door te geloven komen we tot berouw en bekering en zien we in dat Christus is gestorven ter vergeving van onze zonden.

Door te geloven weten wij dat God ons zijn Geest heeft gegeven en dat wij zijn kinderen zijn. En in geloof wachten wij op de onsterfelijkheid en de glorie die wij volgens Gods beloften bij de opstanding der doden zullen ontvangen. Geloof biedt de zekerheid dat God over ons waakt, voor ons zorgt en ons hoort wanneer wij tot Hem bidden.

Christenen worden steeds voor de beslissing gesteld te kiezen tussen Gods wil en hun eigen wil, tussen doen wat goed is en wat hun menselijke natuur aanspreekt, hun begeerten, hun ijdelheid en trots.

Het volgen van de eigen wil komt tegemoet aan de natuurlijke wensen en stelt sensueel genot, onmiddellijke voldoening, materieel voordeel of meer aanzien in het vooruitzicht. Gods wil volgen vraagt extra inspanning, zelfopoffering en nederigheid, maar biedt een beloning die in de toekomst zeker in vervulling zal gaan.

Door geloof verloochenen christenen hun eigen wil en besluiten zij naar Gods wil te handelen. Door geloof stellen zij zich tot ”een levend, heilig en Gode welgevallig offer” (Rom. 12:1). Dit is een uitdrukking van totale toewijding: geef iedere gram lichaamskracht uit ter meerdere eer en glorie van God; stel alle vermogens in dienst als ”wapenen der gerechtigheid” (Rom. 6:13).

Mensen van geloof vertrouwen ten diepste in God en stellen hun leven ten dienste van God en de mensheid. Dit is ”geloof, door liefde werkende”, zoals Paulus het uitdrukt (Gal. 5:6). Dit is levend geloof. En het is leven in geloof!

Door geloof wordt Gods wil ook onze wil.

 

 

Het verhaal van Ruth

 

Het verhaal van Ruth wordt vaak aangehaald als een les in overtuiging en loyaliteit. Maar waar Ruth deze eigenschappen toonde in haar relatie met haar schoonmoeder NoŲmi, kwam dat voort uit het geloof van Ruth. Overtuiging en loyaliteit zijn beide uitdrukkingen van geloof.

Een man uit Betlehem in Juda was vanwege een hongersnood met zijn vrouw NoŲmi en hun twee zonen naar het buurland Moab verhuisd. Daar namen de twee zonen de Moabitische Orpa en Ruth tot hun vrouw. De man stierf en later ook de twee zonen.

Het leek NoŲmi het beste naar Juda terug te keren, want de hongersnood was voorbij. Orpa en Ruth reisden met haar mee, maar NoŲmi raadde hen ten zeerste aan terug te gaan naar hun eigen volk en hun manier van leven en mogelijk stond de Moabitische vrouwen in IsraŽl een onvriendelijk onthaal te wachten. Tussen het volk van Moab en dat van IsraŽl was de verhouding al vele jaren gespannen, hetgeen soms tot geweld leidde.

Orpa verkoos de adviezen van haar schoonmoeder op te volgen. Wenend kuste zij NoŲmi vaarwel en keerde terug naar Moab. Maar Ruth bleef bij NoŲmi en sprak de vaak aangehaalde woorden: ”Waar gij zult heengaan, zal ik heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God” (Ruth 1:16).

Op die wijze gaf Ruth uitdrukking aan haar toewijding aan haar schoonmoeder en haar geloof in de God van haar schoonmoeder, de God van IsraŽl. Door NoŲmi naar haar geboorteland te vergezellen had zij geen enkel uitzicht op verbetering. Integendeel, door bij haar te blijven liep zij de kans alles te verliezen. NoŲmi kon Ruth niet anders bieden dan een weduwschap in een vreemd land.

Maar Ruth geloofde in NoŲmi en haar God. En zij toonde haar geloof niet alleen in woorden, maar ook in daden.

God beloonde Ruth voor haar trouw. Zij ontmoette Boaz, een rijk familielid van NoŲmi, en huwde met hem. Door de zoon die uit deze verbintenis voortkwam, is Ruth de eer gegeven een bijdrage te hebben geleverd aan een zeer belangrijke geslachtslijn. Niet alleen koning David, maar ook Jezus Christus stamde van Ruth en haar echtgenoot af!

 

 

 

IN GELOOF,

NIET IN AANSCHOUWEN

 

 

Toen Jezus Christus uit de doden was opgestaan, precies zoals Hij dit vooraf had aangekondigd, zeiden de discipelen tegen Tomas: ”Wij hebben de Here gezien!” Tomas wilde dit echter niet geloven. ”Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven”, zei hij (Joh. 20:25). Eerst zien en dan geloven.

Toen Tomas enkele dagen later de kans kreeg met eigen ogen de opgestane Christus te zien en zijn wonden aan te raken, verdween zijn twijfel. ”Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven” (vers 29).

”Zij die niet gezien hebben en toch geloven” – dit is de beschrijving van de mensen van God uit heden en verleden: wij zijn geroepen de onzichtbare God te eren. Als we bidden, zien noch horen we God. Ons geloof steunt niet op fysiek waarneembare tekens of manifestaties. Ons geloof druist soms in tegen de logica en tegen onze zintuigen.

HebreeŽn 11:1  Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.

Paulus schreef ook:

2 CorinthiŽrs 4:18  daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.

2 CorinthiŽrs 5:7  want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen.

Op ons levenspad vertrouwen wij erop dat onze grote, liefhebbende Herder ons veilig leidt. Soms voert ons pad door groene velden en langs stille wateren. Op andere momenten leidt het door de donkere vallei des doods. God is echter altijd bij zijn mensen zoals Hij dat ook was bij de heiligen van weleer.

Over die mannen en vrouwen van God lezen we:

HebreeŽn 11:13  In [dat] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Vers 16  … Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.

Het is waar dat geen enkel mens precies weet wat de toekomst inhoudt. Christenen hebben evenwel het voordeel te weten dat de stappen die zij in geloof nemen, naar een vast-omschreven, positief doel leiden: de door God beloofde onsterfelijkheid. Op deze troostvolle waarheid doelde Petrus toen hij schreef:

1 Petrus 1:8  Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, 9  daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen.

 

 

”Desalniettemin...”

 

Het leven als christen werd lang geleden duidelijk uit wat de oude IsraŽlieten doormaakten. De IsraŽlieten werden uit de Egyptische slavernij bevrijd nadat ze de lammeren voor het Pascha hadden geslacht. Zo worden christenen bevrijd uit de heerschappij van de zonde als zij het offer van Christus aanvaarden. Zoals de IsraŽlieten door de wildernis trokken op weg naar hun erfdeel in het Beloofde Land, zo trekken christenen door het leven met al zijn hindernissen op weg naar hun eeuwige erfdeel in de toekomstige volmaaktheid van Gods Koninkrijk.

Het is een reis van geloof. De IsraŽlieten lieten vooral zien hoe het niet moet. Zij hadden niet genoeg geloof. Twijfel en ongehoorzaamheid leidden ertoe dat een hele generatie IsraŽlieten zijn erfdeel misliep.

HebreeŽn 3:19  Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof.

Zij kwamen om in de wildernis. De waarschuwing voor christenen spreekt voor zich: geloof is onontbeerlijk voor behoud.

HebreeŽn 4:1  Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. 2  Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden. 3  Want wij gaan tot de rust in, wij, die tot geloof gekomen zijn, zoals Hij gesproken heeft: gelijk Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan, en toch waren zijn werken van de grondlegging der wereld af gereed.

Iemand die bekeerd is moet ”door geloof en geduld de beloften beŽrven” (Hebr. 6:12).

Een van de grootste tekortkomingen van de IsraŽlieten was hun gebrek aan een werkelijk geestelijke visie. Op een gegeven moment stonden zij op het punt het beloofde land binnen te gaan. Zij wachtten op de terugkeer van 12 verspieders die waren uitgezonden om zich een beeld van het land te vormen. De verspieders keerden terug en bevestigden in gloedvolle bewoordingen dat het land inderdaad rijk en vruchtbaar was, zoals God beloofd had. ”Maar ...”, voegden zij eraan toe en vervolgens somden zij een lange lijst van hindernissen op die zij gezien hadden.

Numeri 13:23  Toen zij in het dal Eskol gekomen waren, sneden zij daar een rank met een tros druiven af, die zij met hun tweeŽn aan een draagstok droegen; ook enige granaatappelen en vijgen. 24  Die plaats noemde men het dal Eskol wegens de druiventros, die de IsraŽlieten daar afgesneden hadden. 25  Na verloop van veertig dagen keerden zij terug van het verspieden van het land; 26  zij gingen op weg en kwamen tot Mozes en Ašron en de gehele vergadering der IsraŽlieten in Kades, in de woestijn Paran, en brachten hun en de gehele vergadering bericht en toonden hun de vrucht van het land. 27  Zij verhaalden hem dan en zeiden: Wij kwamen in het land, waarheen gij ons gezonden hadt, en ja, het vloeit van melk en honig, en dit is zijn vrucht. 28  Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar; 29  Amalek woont in het Zuiderland, de Hethieten, Jebusieten en Amorieten wonen in het bergland, de Kanašnieten aan de zee en aan de oever van de Jordaan.

Zij hadden ommuurde steden gezien en machtige volken van groot postuur die hen angst inboezemden. Tien van de twaalf verspieders ”verspreidden onder de IsraŽlieten een kwaad gerucht” (vers 32).

Het volk geloofde het slechte nieuws. Zij geloofden uitsluitend in wat zij met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord hadden. Het geloof vervloog. Het moreel zakte. Een drama voltrok zich.

De IsraŽlieten redeneerden verkeerd. Zij hadden moeten zeggen: ”Wij zien vele schrikwekkende obstakels die wij moeten nemen alvorens het beloofde land in bezit te kunnen nemen, maar desalniettemin geloven wij Gods beloften.”

Vele eeuwen later moest Simon Petrus ook kiezen tussen hetgeen voor hem voor-de-hand-liggend was en wat God zei. Staande in de vissersboot van Simon gaf Jezus opdracht de netten uit te zetten om te vissen. Simon maakte echter bezwaar. Hij en andere beroepsvissers waren net urenlang op het water geweest, maar hadden niets gevangen.

Lukas 5:5  En Simon antwoordde en zeide: Meester, de gehele nacht door hebben wij hard gewerkt en niets gevangen…

Simon noemde de zichtbare feiten. Maar toen voegde hij eraan toe:

… maar op uw woord zal ik de netten uitzetten.

Vervolgens lezen we:

Vers 6  En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een grote menigte vissen binnen, en hun netten dreigden te scheuren.

Uit het zichtbare zou het onmogelijke kunnen blijken. Alles wat wij kunnen waarnemen zou tegenslag kunnen betekenen. Niettemin kunnen wij God geloven als Hij zegt dat Hij ons zal helpen, ons zal aanmoedigen en de zaken voor ons ten goede zal doen keren.

 

 

Geestelijk georiŽnteerd

 

Een klassiek voorbeeld van geloof versus zien is Petrus' poging op het water van het Meer van Galilea te lopen.

Petrus en de andere discipelen bevonden zich op het meer, toen er een zware storm opstak, die het schip zwaar teisterde. Plotseling zagen zij te midden van de hoge golven Jezus, die naar hen toeliep en hun zei niet bang te zijn.

MattheŁs  14:28  Petrus antwoordde Hem en zeide: Here, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water. 29  En Hij zeide: Kom! En Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.

Tot dusver ging alles goed. Maar toen lette hij op de wind en het geloof maakte plaats voor wat hij zag en werd hij bang.

Vers 30  Maar toen hij zag op de wind, werd hij bevreesd en begon te zinken en hij schreeuwde: Here, red mij! 31  Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zeide tot hem: Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?

Een van de grootste hindernissen voor geloven is, dat de wereld om ons heen, zoals de woeste golven rond Petrus, zo reŽel is. Wij, die geschapen zijn uit het stof van de aarde, zijn natuurlijkerwijze op de fysieke wereld afgestemd. We voelen de pijn als we ziek zijn. We horen de pesterijen of bedreigingen van buren of familieleden. Als we onze baan verliezen, zien we de kille werkelijkheid van een ontslagbrief. Spanningen in het gezin vormen een realiteit. Medische rapporten vormen een realiteit, evenals de verlokkingen en zwakheden van onze menselijke natuur.

In welke-situatie we ons ook bevinden, onze zintuigen tonen ons de materiŽle werkelijkheid. Er is evenwel nog een andere dimensie: de geestelijke werkelijkheid. Deze kennen we door geloof. Soms werkt geloof samen met onze fysieke zintuigen en worden geestelijke waarheden werkelijkheid voor ons.

De Bijbel vertelt het verhaal van de profeet Elisa en zijn jonge dienstknecht. Een omvangrijk leger was uitgezonden om beiden gevangen te nemen. De situatie zag er hachelijk uit.

Elisa's dienstknecht zag het grote aantal soldaten, terwijl zij maar met z'n tweeŽn waren. Hij zag hoe zwaarbewapend zij waren. Hij zag hoe de soldaten de stad omsingelden en hij zag dat er geen uitweg meer was. Hij werd overvallen door angst. ”Ach, mijn heer! wat moeten wij doen?”, riep hij uit (2 Kon. 6:15).

Elisa, voor wie God zeer reŽel was, antwoordde:

2 Koningen 6:16  … Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn.

”Wat bedoelt hij daarmee?” moet de dienstknecht zich hebben afgevraagd. ”Kan hij dan niet tellen? Wij zijn slechts met z'n tweeŽn en zij met zovelen!”

Vers 17  Toen bad Elisa: HERE, open toch zijn ogen, opdat hij zie. En de HERE opende de ogen van de knecht en hij zag en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa.

De dienstknecht zag nu wat zijn geloof hem had moeten tonen: de kracht die de rechtvaardigen staande houdt en beschermt, overtreft alle tegenstand in ruime mate.

Als ons verstand voor het grootste deel gericht is op het wereldse en materiŽle, is het uiterst moeilijk het geestelijk aspect van geloof te oefenen. We zinken gemakkelijk weg in een poel van twijfel, zoals met Petrus het geval was. Of we maken ons zorgen, zoals de dienstknecht van Elisa.

Als we daarentegen ons verstand in plaats van op het materiŽle op het geestelijke richten, gebruiken we een van de belangrijkste sleutels tot het versterken van geloof. We richten ons op het geestelijke door Gods woord te bestuderen en door Gods Geest in ons te laten werken. Door tot God te bidden zal ons verstand ook meer gericht zijn op de realiteit van Gods aanwezigheid in ons leven.

 

 

DaniŽl en zijn vrienden

 

God was werkelijkheid voor de profeet DaniŽl en zijn drie vrienden Sadrak, Mesak en Abednego.

Op een dag verleidden vijanden van DaniŽl koning Darius tot het uitvaardigen van een decreet waarin werd bepaald dat iedereen die binnen dertig dagen een verzoek richtte tot enige god of mens anders dan de koning, in een leeuwenkuil zou worden geworpen.

Dit was een beproeving voor DaniŽl. Het nieuwe decreet verbood hem tot God te bidden. Moest hij nu God verloochenen? DaniŽl besloot te handelen zoals hij dacht dat juist was en vertrouwde verder op God.

DaniŽl 6:11  Zodra DaniŽl vernomen had, dat het bevelschrift geschreven was, ging hij naar zijn huis; nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters aan de kant van Jeruzalem; en driemaal daags boog hij zich neder op zijn knieŽn en bad en loofde zijn God, juist zoals hij dat tevoren placht te doen.

Zijn vijanden troffen hem biddend aan, gaven hem aan bij de koning en lieten hem in de leeuwenkuil werpen. Daar zat hij in de kuil, oog in oog met vraatzuchtige beesten, die klaar stonden om hem te doden. Had hij een beoordelingsfout gemaakt door in God te blijven geloven? Nee, hij zei tegen de koning, die hem nog levend aantrof:

Vers 22  Mijn God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen toegesloten, en zij hebben mij geen kwaad gedaan, omdat ik voor Hem onschuldig ben bevonden; maar ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad begaan. 23  Toen werd de koning ten zeerste verheugd en hij gaf bevel, dat men DaniŽl uit de kuil zou optrekken; DaniŽl werd uit de kuil opgetrokken, en generlei letsel werd aan hem gevonden, omdat hij op zijn God had vertrouwd. 24  En de koning gaf bevel, en men haalde die mannen die de aanklacht tegen DaniŽl ingebracht hadden en wierp hen in de leeuwenkuil, hen, hun kinderen en hun vrouwen, en zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester; zelfs al hun beenderen vermorzelden zij.

Ook DaniŽls drie vrienden, Sadrak, Mesak en Abednego, bleven in een soortgelijke situatie op God vertrouwen. Koning Nebukadnessar beval dat iedereen een gouden beeld dat hij had laten vervaardigen moest aanbidden. Zij die zich niet aan het bevel onderwierpen, zouden in een brandende oven worden geworpen.

DaniŽl 3:4  En een heraut riep met luider stem: Aldus wordt u bevolen, gij volken, natiŽn en talen: 5  zodra gij hoort het geluid van hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei soort van muziekinstrumenten, zult gij u ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden, dat koning Nebukadnessar heeft opgericht; 6  en ieder die zich niet ter aarde werpt en aanbidt, zal ogenblikkelijk in de brandende vuuroven geworpen worden.

Sadrak, Mesak en Abednego weigerden. De koning was zeer vertoornd. Hij gebood de oven zevenmaal heter te stoken. Zelfs toen de drie vrienden van DaniŽl in het brandende inferno waren geworpen, bleef hun geloof ongeschonden. Zij wilden niet schipperen met Gods wet, zelfs toen het niet meer mogelijk leek aan de vlammenzee te ontsnappen. Zij wisten dat God hen op ieder moment kon bevrijden. En zij wisten ook dat hun uiteindelijk lot altijd in zijn hand was, zelfs als Hij besloot hen niet te bevrijden.

Stel u de- verbazing voor van de toeschouwers die de hitte trotseerden teneinde een blik in de brandende oven te werpen. Zij zagen daar Sadrak, Mesak en Abednego door de vlammen lopen, samen met een vierde persoon. Toen de koning de drie beval uit de oven te komen, zagen hij en zijn raadsheren ”dat het vuur geen macht had gehad over de lichamen van deze mannen, dat hun hoofdhaar niet was geschroeid, dat hun mantels ongeschonden gebleven waren, ja, dat er zelfs geen brandlucht aan hen gekomen was. Nebukadnessar hief aan en zeide: Geloofd zij de God van Sadrak, Mesak en Abednego! Hij heeft zijn engel gezonden en zijn dienaren bevrijd, die zich op Hem hebben verlaten” (vers 27-28).

De Bijbel bevat vele verslagen van mensen die in God en zijn beloften geloofden. Zij allen zeiden in feite: ”Ik zie welke omstandigheden er zijn. Ik zie de ontberingen. Ik zie de beproevingen, de gevaren, het lijden. Niettemin geloof ik in God en zijn Woord. Ik laat me leiden door geloof, niet door wat ik zie.”

Deze verslagen dienen wij vaak te herlezen, zodat we gewend raken aan de gedachte dat God de levende God is, die handelt ten behoeve van zijn volk en trouw is aan zijn beloften.

God heeft hun, die het geloof hebben, speciaal beloofd dat zij niet boven vermogen zullen worden beproefd (1 Cor. 10:13). Ook al lijkt de situatie soms hopeloos, alle dingen zullen voor hen meewerken ten goede (Rom. 8:28). God bepaalt hoe en wanneer dit gebeurt. Het hoofddoel van het geloof is niet dat we in dit leven volledig vrij zijn van alle tastbare, materiŽle problemen of moeilijkheden. Het hoofddoel is het bereiken van het behoud en het ontvangen van ”de kroon des levens”.

1 Petrus 1:8  Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, 9  daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen.

Jakobus 1:12  Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.

Als God ons geloof op de proef laat stellen, als wij voor onze problemen geen oplossing meer kunnen ontdekken, mogen wij niet wanhopen. Juist op zulke momenten moeten wij blijven geloven en in geloof geduldig wachten tot God ons de weg wijst. Hij weet wat het beste is. Wij moeten leren in geloof op Hem te vertrouwen.

Bedenk dat het geloof dat God ons schenkt een andere en krachtiger betekenis heeft dan wat het in onze taal betekent. Het bijbelse geloof is een begrip dat een nauwe relatie heeft met trouw, getrouwheid, vertrouwen, ondersteunen, standvastigheid, overtuiging. HebreeŽn 11:1 leert dat het ’zeker weten’ betekent, de zekerheid van dingen die men niet ziet.

 

 

 

IS ER IETS

TE MOEILIJK VOOR GOD?

 

 

Zelfs het grootst mogelijke geloof zou van weinig waarde zijn als God niet trouw was.

Maar God is trouw.

2 Kronieken 16:9  Want des HEREN ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat.

Levend geloof gaat veel verder dan geloven dat God bestaat. Gelovigen geloven ook dat God actief in hun leven ingrijpt.

HebreeŽn 11:6  maar zonder geloof is het onmogelijk [Hem] welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

 

 

Bergen verzetten

 

Jezus zei tot zijn leerlingen:

Markus 11:22  … Hebt geloof in God. 23  Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden.

Ook zei Jezus:

Lukas 17:6  … Indien gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen.

Met deze uitspraken bedoelde Jezus niet dat het een normale zaak zou zijn letterlijk bergen of bomen te verzetten. Er zijn geen aanwijzingen dat Jezus of zijn apostelen ooit op deze wijze het geloof hebben beoefend. Maar het punt is dat de God, wiens macht het heelal bestuurt, in reactie op oprecht geloof letterlijk een berg of boom zou verplaatsen, indien er een gegronde reden toe is en het zijn wil is. Jezus drukte zich op deze wijze uit om de onbeperkte mogelijkheden van het geloof te illustreren.

Maar wat bergen betreft, op het geestelijk vlak is het leven vol obstakels, die moeilijker te overwinnen kunnen zijn dan de hoogste rots. Wie komt er van tijd tot tijd niet voor situaties of problemen te staan die gewoonweg te overweldigend zijn, hachelijke situaties waarvoor geen oplossing te bedenken is? Maar ook deze problemen kan God wegnemen, indien wij geloven.

Zerubbabel, de gouverneur van Judea aan het eind van de zesde eeuw v.Chr., had het toezicht op de herbouw van de verwoeste tempel van Jeruzalem. Talloze grote problemen stonden de afronding van het project in de weg. Maar God zei dat Hij de kracht zou geven om al deze ”bergen” te overwinnen. ”Wie zijt gij, grote berg?”, daagde God uit. ”Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte” (Zach. 4:7).

Iedereen die gelooft kan de naam Zerubbabel vervangen door zijn eigen naam. Geen enkel obstakel is te groot, geen enkele barriŤre te ontzagwekkend om niet voor iemand, die vol geloof tot God om hulp bidt, te worden geŽffend.

Geloof is evenwel meer dan alleen geloven dat er iets zal gebeuren. Het is vertrouwen in God, in zijn oneindige wijsheid en oordeel. Geloof houdt er rekening mee of een bepaalde gebeurtenis Gods wil is. Toen Jezus Christus wist dat zijn arrestatie, berechting en kruisiging ophanden waren, bad Hij:

Markus 14:36  … Vader, alles is U mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.

Dit is een opmerkelijk voorbeeld van een gebed vol geloof. Allereerst is het een uiting van het geloof dat God alle macht heeft, dat voor Hem niets onmogelijk is. Dan volgt er een persoonlijk verzoek. De zaak wordt in Gods handen gegeven, met het vertrouwen dat Hij alles weet en doen zal wat het beste is: ”Niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.”

Dit is een gebed waarmee gelovigen alles kunnen ontvangen wat zij zich wensen, vooropgesteld dat hetgeen zij vragen met Gods wil overeenstemt.

Markus 11:24  Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden.

Indien zij dicht bij God staan, zullen hun wensen naar heilige principes en opvattingen gevormd worden. Zij zullen ernaar streven Gods wensen te weerspiegelen.

Christus zei:

Johannes 15:7  Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.

Johannes schreef later:

1 Johannes 5:14  En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort.

Geloof is dus geen ”wensdenken”. Geloof is ook geen ”in het duister tasten” of geloven zonder bewijs. Geloof berust op kennis en op het meest overtuigende bewijs van alles: het Woord van God. God is onfeilbaar. Zijn Woord kan niet gebroken worden. Bij God is ”geen verandering of zweem van ommekeer” bespeurbaar.

Jakobus 1:17  Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer.

Voor God is niets onmogelijk en niets kan Hem verhinderen zijn beloften na te komen.

 

 

God is de Bron

 

Maar hoe is het mogelijk een dergelijk geloof te hebben? Als geloof niet afhankelijk is van tastbare dingen, hoe kan iemand dan ooit zeker zijn van de onzichtbare waarheden met betrekking tot het behoud?

Het antwoord hierop is dat dit niet mogelijk is, althans menselijk gesproken. De mens is uit zichzelf in staat een bepaalde mate van geloof te tonen, zoals hij ook een bepaalde mate van plezier of vriendelijkheid kan tonen. Maar wat de menselijke geest voortbrengt is zeer beperkt, onstabiel en onbetrouwbaar. Het menselijk geloof kan gemakkelijk falen. Een treffend voorbeeld van onstandvastigheid is de radeloze man die met tranen in zijn ogen naar Jezus uitroept:

”Ik geloof ...”, en er dan snel aan toevoegt: ”kom mijn ongeloof te hulp!” (Markus 9:24.)

Het menselijk geloof is dus ontoereikend. Geloof dat tot behoud leidt, komt alleen van God. Het is een geschenk, ”dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld” (Rom. 12:3).

2 Petrus 1:1  Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan hen, die een even kostbaar geloof als wij hebben verkregen door de gerechtigheid van onze God en Heiland, Jezus Christus.

Geloof is iets kostbaars dat Gods mensen hebben ”verkregen”. Paulus schreef:

Filippenzen 1:29  Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.

Jezus Christus is ”de leidsman en voleinder des geloofs” (Hebr. 12:2).

Levend geloof is actief geloof en vertrouwen in God en zijn Woord. God is de bron ervan. Geloof stelt ons in staat oprecht berouw te tonen en het offer van Jezus Christus ter vergeving van onze zonden te accepteren. Dit kenmerkt onze bekering.

Natuurlijk groeit geloof. Het wordt gevoed door christelijke ervaring. Ons vertrouwen in Christus wordt vergroot door onze ervaringen. Hoe meer we ervaren dat God betrouwbaar en vergevensgezind is, des te sterker wordt ons geloof in Hem.

 

 

Geloof geeft visie

 

”Zou voor Mij iets te wonderlijk zijn?” vroeg God aan de profeet Jeremia (Jer. 32:27). Natuurlijk niet! ”Bij God zijn alle dingen mogelijk” (Matth. 19:26). Desalniettemin kan een gebrek aan geloof een beperking opleggen aan wat God bereid is te doen.

Steeds weer was het ongeloof van de IsraŽlieten er de oorzaak van dat God hen zijn zegen onthield; zij ”stelden den Heilige IsraŽls een perk” (Ps. 78:41; Statenvert.).

Jezus kwam vaak tegenover ongeloof te staan. Toen Hij een bezoek bracht aan zijn geboortedorp Nazaret, werd Hij zo getroffen door de mate van ongeloof.

Markus 6:5  En Hij kon daar geen enkele kracht doen; alleen genas Hij enige zieken door handoplegging. 6  En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof.

De Bijbel vertelt ons echter ook dat God zeer veel kan doen voor diegenen die wel in Hem geloven. Als zijn mensen hun vertrouwen op Hem stelden, overwonnen zij zelfs de grootste moeilijkheden. Steeds weer bleek dat God niet door fysieke omstandigheden beperkt kan worden, want ”de Here kan evengoed verlossen door weinigen als door velen” (1 Sam. 14:6).

Ook doet Hij niet altijd alles op de in onze ogen meest logische wijze. Kort nadat de IsraŽlieten uit Egypte waren weggetrokken, kwamen zij ernstig in het nauw aan de kust van de Rode Zee. Het leger van de farao achtervolgde hen. Zij zagen geen enkele mogelijkheid om aan deze situatie te ontsnappen en werden door vrees overmand. En hoewel Mozes er geen idee van had wat God zou gaan doen, stelde hij in vertrouwen het volk gerust met de woorden:

Exodus 14:13  … Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des HEREN zien, die Hij u heden bereiden zal; want de Egyptenaren, die gij heden gezien hebt, zult gij nimmermeer zien. 14  De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn.

Vervolgens droeg de God die door het menselijke voorstellingsvermogen niet wordt beperkt, Mozes op te doen wat niemand had verwacht: de mensen te zeggen dat zij in de richting van het water moesten gaan. Mozes volgde Gods instructies op, strekte zijn hand uit over de golven en zag hoe zich door de zee een droog pad naar de vrijheid vormde.

Vers 15  Toen zeide de HERE tot Mozes: Wat roept gij zo luid tot Mij? Zeg tot de IsraŽlieten, dat zij opbreken. 16  En gij, hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en splijt haar; dan zullen de IsraŽlieten midden door de zee kunnen gaan op het droge. 17  Maar zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verharden, zodat zij hen achterna zullen trekken, en Ik zal Mij verheerlijken aan Farao en aan zijn gehele legermacht, aan zijn wagens en aan zijn ruiters. 18  En de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de HERE ben, doordat Ik Mij verheerlijken zal aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiters. 19  Toen verliet de Engel Gods, die voor het leger van IsraŽl uitging, zijn plaats en ging achter hen aan; ook verliet de wolkkolom haar plaats aan hun spits en ging achter hen staan. 20  Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de IsraŽlieten in; en de wolk was duisternis, maar tegelijk verlichtte zij de nacht; zodat de een de ander niet kon naderen, de gehele nacht. 21  Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de HERE deed de zee de gehele nacht door een sterke oostenwind wegvloeien, maakte haar droog, en de wateren werden gespleten. 22  Zo gingen de IsraŽlieten in het midden der zee op het droge; terwijl rechts en links de wateren voor hen waren als een muur.

Wanneer we tot God bidden om hulp, zijn wij geneigd zelf al na te gaan welke mogelijkheden God heeft om het betreffende probleem op te lossen. Maar God wordt niet beperkt door wat wij van Hem kunnen denken.

Lukas 18:27  Hij zeide tot hen: Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.

Hoe hopelozer een probleem, hoe onneembaarder een hindernis of hoe onoverwinlijker een situatie, des te groter blijkt Gods glorie als zijn machtige hand de overwinning brengt. Paulus schreef wat Christus tegen hem heeft gezegd:

2 CorinthiŽrs 12:9  … Mijn genade is u genoeg, want de kracht [van God] openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome.

Maar onze zwakheid is in geen geval bepalend voor zijn vermogens.

Wie had gedacht dat Jezus, toen er duizenden hongerigen gevoed moesten worden en er slechts voedsel was voor een tiental mensen, het probleem zou oplossen door de kleine hoeveelheid die er was te vermenigvuldigen?

MattheŁs 14:13  Toen Jezus dit hoorde, trok Hij Zich vandaar in een schip terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de scharen dit hoorden, volgden zij Hem te voet uit de steden. 14  En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare, en Hij werd met ontferming over hen bewogen en genas hun zieken. 15  Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden: De plaats hier is eenzaam en de tijd is reeds verstreken; zend dan de scharen weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om spijzen voor zich te kopen. 16  Maar Jezus zeide tot hen: Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten. 17  Zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen. 18  Hij zeide: Brengt Mij die hier. 19  En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen. 20  En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol. 21  Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet medegerekend.

Geloof geeft visie. Het legt God banden noch beperkingen op.

Jezus' kleding (Matth. 14:35-36), de schaduw van Petrus (Hand. 5:14-15) of eenvoudig een gesproken woord (Matth. 8:8) tonen Gods wonderbaarlijke macht.

MattheŁs 14:35  En zodra de mannen van die plaats Hem herkend hadden, zonden zij bericht in die gehele omgeving, en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, 36  en zij smeekten Hem, dat zij alleen maar de kwast van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden behouden.

Handelingen 5:14  En des te meer werden er toegevoegd, die de Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, 15  zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen.

MattheŁs 8:8  Doch de hoofdman antwoordde en zeide: Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen.

Hij die voor Elisa een onbeduidende, geleende bijl, die in een rivier was gevallen, deed bovendrijven (2 Kon. 6:4-7) is dezelfde God die voor Jozua ingreep in de kosmische wetten om de zon en de maan stil te laten staan (Jozua 10:1-14).

2 Koningen 6:4  En hij ging met hen mee. Als zij bij de Jordaan gekomen waren, velden zij bomen. 5  En, terwijl een van hen een stam velde, viel het ijzer in het water; en hij slaakte een kreet en riep: Ach, mijn heer, het was geleend! 6  Maar de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een stuk hout af, wierp het daarheen en deed het ijzer bovendrijven. 7  En hij zeide: Neem het op. Hij strekte zijn hand uit en greep het.

Jozua 10:1  Zodra Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde, dat Jozua Ai veroverd en met de ban geslagen had (evenals hij met Jericho en zijn koning gedaan had zo had hij ook met Ai en zijn koning gedaan) en dat de inwoners van Gibeon met IsraŽl vriendschap gesloten hadden en in hun midden waren, 2  toen werd men zeer bevreesd, want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden, ja, het was groter dan Ai, en al haar mannen waren helden. 3  Daarom zond Adonisedek, de koning van Jeruzalem, aan Hoham, de koning van Hebron, aan Piram, de koning van Jarmut, aan Jafia, de koning van Lakis, en aan Debir, de koning van Eglon, deze boodschap: 4  Trekt op tot mij en helpt mij, opdat wij Gibeon slaan, omdat het vriendschap gesloten heeft met Jozua en de IsraŽlieten. 5  Hierop verenigden zich de vijf koningen der Amorieten en trokken op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon, zij met al hun legers; zij belegerden Gibeon en streden ertegen. 6  Toen zonden de mannen van Gibeon tot Jozua, naar de legerplaats te Gilgal, deze boodschap: Trek uw hand niet van uw knechten af, ruk haastig tot ons op, verlos ons en help ons, want alle koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons verzameld. 7  Toen trok Jozua uit Gilgal op, hij en al het krijgsvolk met hem, allen dappere helden. 8  En de HERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hen, want Ik geef hen in uw macht, niemand van hen zal voor u standhouden. 9  En Jozua overviel hen plotseling (de ganse nacht was hij, van Gilgal uit, opgetrokken) 10  en de HERE bracht hen voor het aangezicht van IsraŽl in verwarring, zodat hij hun een grote nederlaag toebracht bij Gibeon, hen vervolgde in de richting van de bergpas van Bet-choron en hen versloeg tot bij Azeka en Makkeda. 11  Terwijl zij nu voor IsraŽl vluchtten en zij juist op de helling van Bet-choron waren, wierp de HERE uit de hemel grote stenen op hen, tot Azeka toe, zodat zij stierven; die door de hagelstenen stierven, waren talrijker dan die, welke de IsraŽlieten met het zwaard doodden. 12  Toen sprak Jozua tot de HERE ten dage, waarop de HERE de Amorieten aan de IsraŽlieten overleverde, en hij zeide in tegenwoordigheid van IsraŽl: Zon, sta stil te Gibeon en gij, maan, in het dal van Ajjalon! 13  En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijand gewroken had. Is dit niet geschreven in het Boek des Oprechten? De zon nu bleef staan midden aan de hemel en haastte zich niet onder te gaan omstreeks een volle dag. 14  Een dag als deze is er noch vroeger, noch later ooit geweest, waarop de HERE zo iemands stem verhoorde, want de HERE streed voor IsraŽl.

Hij die het atoom ontworpen heeft, is ook degene die het heelal met ontelbare melkwegstelsels heeft gevuld.

God verandert niet.

HebreeŽn 13:8  Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.

Alle macht is van Hem. Hij is de levende God.

In God geloven of vertrouwen op God betekent niet dat we zelf geen verantwoordelijkheid dragen. We mogen niet onverschillig worden met de gedachte dat God wel voor ons zorgt. We moeten zelf ons uiterste best doen, ons houden aan de regels van het land waar we wonen; voorzichtig zijn in het verkeer; indien mogelijk, gevaarlijke situaties uit de weg gaan, geen onnodige risico's nemen; ons verantwoordelijkheidsbesef verder ontwikkelen. Natuurlijk is dat allemaal vanzelfsprekend, want dat ligt immers opgesloten in het houden van Gods geboden.

Er is geen grens aan hetgeen God voor u kan doen, als u Hem vertrouwt.



Terug naar de Home Page

 

free web stats