Voor literatuurlijst klik hier.

 

 

De rol van

rechtvaardige engelen

 

 

In Genesis 1:1 wordt ons gezegd dat God de hemel en de aarde schiep. Fysieke materie – deze aarde, de sterren, de melkwegstelsels – was echter niet het eerste dat door God werd geschapen.

Wat heeft God geschapen voordat Hij het fysieke universum tot bestaan bracht? „Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt! Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers! Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen? Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, terwijl de morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden?” (Job 38:4-7.) Wat die „sterren” zijn, lezen we in Openbaring 1:20: „Het geheimenis der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren: de zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de kandelaren zijn de zeven gemeenten”.

In Job 38:7 verwijzen „morgensterren” en „zonen Gods” naar engelen. Let erop dat Openbaring 12:4-9 de engelen die Satan in zijn opstand zijn gevolgd eveneens „sterren des hemels” noemt. „En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden. En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon. En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden. En er kwam oorlog in de hemel; MichaŽl en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen standhouden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.” En in Jesaja 14:12 lezen we dat Lucifer, voordat hij zondigde, „morgenster” werd genoemd. „Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken!”

Engelen zijn individueel geschapen wezens. „Onberispelijk waart gij [Lucifer, die later Satan werd] in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werdt totdat er onrecht in u werd gevonden” (EzechiŽl 28:15). Zij kunnen niet huwen en zich niet voortplanten. „Immers, in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel” (MattheŁs 22:30). Maar zij worden „zonen Gods” genoemd, omdat God iedere engel heeft geschapen als afzonderlijk, onsterfelijk, geestelijk wezen, en in die zin is God de Vader van de engelen. „Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven?” (HebreeŽn 12:9.)

De engelen juichten van vreugde bij de schepping van de aarde. De Bijbel spreekt evenwel ook over engelen die zondigden. „Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren” (2 Petrus 2:4). „En dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden” (Judas 1:6). In Openbaring 12, vers 4, hebben we gelezen dat tweederde van de engelen trouw aan God bleef. Zij volgden Lucifer (die nu Satan is) niet in zijn opstand tegen de regering van God.

De vele miljoenen getrouwe engelen zijn Gods dienaren die Hem helpen bij zijn plan voor de mensheid.

De Bijbel beschrijft verscheidene soorten engelen met uiteenlopende verschijningsvormen en functies. Bij Gods troon zijn cherubs. „De HERE is Koning. Dat de volken beven. Hij troont op de cherubs, de aarde siddere” (Psalmen 99:1). En ook serafs. „In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is; en mijn ogen hebben de Koning, de HERE der heerscharen, gezien. Maar een der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend” (Jesaja 6:1-7). Bovendien zijn er „dieren” en „oudsten” rondom Gods troon. „Terstond kwam ik in vervoering des geestes en zie, er stond een troon in de hemel en iemand was op die troon gezeten. En die erop gezeten was, was van aanzien de diamant en sardius gelijk; en een regenboog was rondom de troon, van aanzien de smaragd gelijk. En rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op die tronen waren vierentwintig oudsten gezeten, in witte klederen gekleed en met gouden kronen op hun hoofden. En van de troon gingen bliksemstralen, stemmen en donderslagen uit; en zeven vurige fakkels brandden voor de troon; dit zijn de zeven Geesten Gods. En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En midden in de troon en rondom de troon waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren. En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een rund gelijk, en het derde dier had een gelaat als van een mens, en het vierde dier was een vliegende arend gelijk. En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels en waren rondom en van binnen vol ogen en zij hadden dag noch nacht rust, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was en die is en die komt. En wanneer de dieren heerlijkheid, eer en dankzegging zullen brengen aan Hem, die op de troon gezeten is en tot in alle eeuwigheden leeft, zullen de vierentwintig oudsten zich nederwerpen voor Hem, die op de troon gezeten is en Hem aanbidden, die tot in alle eeuwigheden leeft, en zij zullen hun kronen voor de troon werpen, zeggende: Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht; want Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was het en werd het geschapen” (Openbaring 4:2-11). Het Griekse woord dat met dieren is vertaald wordt op andere plaatsen in het Nieuwe Testament vertaald met wezens.

Cherubs zijn verbonden met Gods troon, die zij verplaatsen, en zij voeren de richtlijnen die vanaf die troon worden gegeven uit, zoals het bewaken van de boom des levens nadat Adam en Eva zondigden. „En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken” (Genesis 3:24).

De beste beschrijving van cherubs is te vinden in het boek EzechiŽl. In hoofdstuk 1, 9, 10 en 11 lezen we over cherubs die God op zijn troon verplaatsen. Het zijn grote, machtige schepsels met vier gezichten en vier vleugels. „En in het midden daarvan was wat geleek op vier wezens; en dit was hun voorkomen: zij hadden de gedaante van een mens, ieder had vier aangezichten en ieder van hen vier vleugels” (EzechiŽl 1:5-6). „Waarheen de geest wilde gaan, gingen zij; waarheen de geest wilde gaan; en de raderen verhieven zich tegelijk met hen; want de geest der wezens was ook in de raderen” (vers 20). „Boven de hoofden der wezens was wat geleek op een uitspansel als ontzagwekkend ijskristal, uitgespreid boven over hun hoofden” (vers 22). „Als zij gingen, hoorde ik het geruis hunner vleugels als het gebruis van vele wateren, als de stem des Almachtigen: een dreunend geluid als van een leger; als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen. En een stem klonk van boven het uitspansel dat boven hun hoofden was; als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen. Boven het uitspansel boven hun hoofden was wat er uitzag als lazuursteen, dat de vorm had van een troon” (vers 25-26). „Zoals de aanblik is van de boog, die in de regentijd in de wolken verschijnt, zo was de aanblik van die omhullende glans. Aldus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des HEREN. Toen ik haar zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde de stem van Een, die sprak” (vers 28). „De heerlijkheid van de God van IsraŽls nu had zich opgeheven van de cherub waarop zij rustte, en zich begeven naar de dorpel van de tempel” (EzechiŽl 9:3). „En ik zag en zie, op het uitspansel boven het hoofd der cherubs was iets als lazuursteen, gelijkend op de vorm van een troon, die zich daarboven vertoonde” (EzechiŽl 10:1). „Toen verhief zich de heerlijkheid des HEREN van boven de cherub en begaf zich naar de dorpel van de tempel, en de tempel werd vervuld met de wolk, en de voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid des HEREN. Het geruis van de vleugels der cherubs werd gehoord tot aan de buitenste voorhof, als de stem van God, de Almachtige, wanneer Hij spreekt” (vers 4-5). „Toen ging de heerlijkheid des HEREN weg van de dorpel van de tempel en ging staan boven de cherubs. De cherubs hieven hun vleugels op, onder het heengaan verhieven zij zich voor mijn ogen van de grond, en de raderen met hen. Bij de ingang van de Oostpoort van het huis des HEREN hielden zij stil, en de heerlijkheid van de God van IsraŽl was boven over hen. Dit was hetzelfde wezen, dat ik gezien had onder de God van IsraŽls aan de rivier de Kebar, en ik begreep, dat het cherubs waren” (vers 18-20). „Toen verhieven de cherubs hun vleugels met de raderen naast zich, terwijl de heerlijkheid van de God van IsraŽls boven over hen was; de heerlijkheid des HEREN steeg op uit het midden der stad en plaatste zich op de berg die ten oosten van de stad ligt” (EzechiŽl 11:22-23).

Concordantie van Strong: Cherub is een engelachtig wezen, 1) als bewaker van Eden; 2) als staande naast Gods troon: 3) als een beeld van de wacht houdend boven de ark van het verbond; 4) als de wagen van JHWH (fig.).

De serafs – het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk: vurig, brandende – schijnen in het algemeen in gedaante veel overeen te komen met de mens en hebben zes vleugels, terwijl de vier „dieren” (beter vertaald: „levende schepsels”) een soort combinatie van cherubs en serafs schijnen te zijn. Van de vierentwintig oudsten is in de Bijbel geen beschrijving te vinden, behalve dat zij op een troon zitten, in het wit zijn gekleed en een kroon op het hoofd hebben.

God heeft ook engelen die voortdurend de aarde doorkruisen en Hem de algemene situatie rapporteren.

Openbaring 5:6  En ik zag in het midden van de troon en van de vier dieren en te midden der oudsten een lam staan, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dit zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde.

Zacharia 4:10  Want wie veracht de dag der kleine dingen? Zij zullen zich verblijden, als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel. Deze zeven zijn de ogen des HEREN, die de ganse aarde doorlopen.

2 Kronieken 16:9  Want des HEREN ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat. Gij hebt hierin dwaas gehandeld, want van nu af zult gij oorlogen hebben.

Verder dienen er nog miljoenen andere engelen in de hemel bij Gods troon. „Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur; en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend” (DaniŽl 7:9-10).

In HebreeŽn 1 en 2 spreekt de apostel Paulus over het verschil tussen mensen en engelen. Er wordt ons gezegd dat de aanstaande wereld niet door engelen zal worden geregeerd. „Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen” (HebreeŽn 2:5). Wordt echter aan ons, als wij uit de heilige geest geboren zonen van God worden, heerschappij over engelen beloofd? „Maar, iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet? Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen hem onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen zou zijn. Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn” (HebreeŽn 2:6-8). „Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En indien bij u het oordeel over de wereld berust, zijt gij dan onbevoegd voor de meest onbetekenende rechtspraak? Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer dan over alledaagse dingen?” (1 CorinthiŽrs 6:2-3.)

Hoewel de mens vooralsnog lager dan de engelen staat, zal hij in de toekomst over de gehele schepping van God, inclusief engelen, worden gesteld.

Op welke wijze verschillen mensen en engelen nog meer van elkaar, afgezien van hun samenstelling? „Immers, tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Mijn Zoon zijt gij; Ik heb U heden verwekt? En wederom: Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn” (HebreeŽn 1:5). „En tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten?” (Vers 13.)

De mens, die nu lager dan de engelen is, heeft een veel hogere bestemming! De mens werd geschapen om letterlijk te worden verwekt door middel van Gods geestelijke voortplantingsproces om later te worden geboren in het Gezin van God. Engelen zijn wel geschapen door God, maar zijn niet verwekt door en geboren uit God. Zij hebben niet de bestemming een deel van Gods Gezin te worden.

Waarom heeft God engelen geschapen? „En van de engelen zegt Hij: Die zijn engelen maakt tot winden en zijn dienaars tot een vuurvlam” (HebreeŽn 1:7). „Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beŽrven?” (Vers 14.)

De door de heilige geest verwekte christenen zijn de „erfgenamen” waar Paulus over spreekt.

Romeinen 8:14  Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. 15  Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. 16  Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. 17  Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.

Galaten 3:26  Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27  Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28  Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers ťťn in Christus Jezus. 29  Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Galaten 4:6  En, dat gij zonen zijt, God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader. 7  Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God.

Engelen, die nu nog hoger staan dan de mens, werden geschapen als dienaren van God, als strijders voor en boodschappers en vertegenwoordigers van Gods regering. Engelen hebben als opdracht te dienen ten behoeve van de door de heilige geest verwekte kinderen van God, die zijn geestelijke erfgenamen zijn.

Om de belangrijkste activiteit van Gods engelen voor deze tijd toe te lichten, zouden we kunnen denken aan de status van de jonge zoon van een welvarend man die ver weg woont. Zolang hij nog een kind is staat de zoon onder toezicht van een volwassen dienaar of voogd die door de vader is aangewezen. De dienaar is ouder, heeft veel meer kennis, is fysiek en mentaal veel verder ontwikkeld – maar heeft een veel kleiner potentieel. Want als de zoon volwassen is, erft hij de rijkdom en macht van zijn vader. Daarom is de dienaar, al is hij ouder en volwassener, slechts een dienaar ten behoeve van de jonge erfgenaam. Op dezelfde wijze zijn engelen dienaren ten behoeve van de door de heilige geest verwekte mensen.

Gods kinderen hebben engelen toegewezen gekregen die in nauw contact staan met de Vader in de hemel. „Ziet toe, dat gij niet een dezer kleinen [Gods kinderen] veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is” (MattheŁs 18:10).

Engelen hebben macht. „Terwijl engelen, hun meerderen in sterkte en macht, bij de Here geen smadelijk oordeel tegen deze inbrengen” (2 Petrus 2:11). Engelen moeten van God dicht in de nabijheid van Gods gehoorzame kinderen blijven om hen te beschermen voor ongelukken, rampen, vijanden, ziekten en andere gevaren. „De Engel des HEREN legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen” (Psalmen 34:8). „Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. Ik zeg tot de HERE: Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik vertrouw. Want Hij is het, die u redt van de strik des vogelvangers, van de verderfelijke pest. Met zijn vlerken beschermt Hij u, en onder zijn vleugelen vindt gij een toevlucht; zijn trouw is schild en pantser. Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht, voor de pijl, die des daags vliegt; voor de pest, die in het duister rondwaart, voor het verderf, dat op de middag vernielt. Al vallen er duizend aan uw zijde, en tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet genaken; slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen, en de vergelding aan de goddelozen zien. Want Gij, o HERE, zijt mijn toevlucht. De Allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld; geen onheil zal u treffen, en geen plaag zal uw tent naderen; want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen; op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot” (Psalmen 91:1-12).

Gods engelen vechten ook tegen onze vijanden.

Psalmen 35:1  Van David. Twist, HERE, tegen wie met mij twisten, bestrijd wie mij bestrijden. Vers 5  Laten zij worden als kaf voor de wind, wanneer de Engel des HEREN hen neerstoot; 6  hun weg zij duister en glibberig, wanneer de Engel des HEREN hen achtervolgt.

God heeft zijn engelen opgedragen zijn erfgenamen op de weg naar het eeuwige leven bij te staan – om hen te redden van vroegtijdige dood en ongelukken, voor hen te strijden en hen voor de duivel en zijn demonen te beschermen.

God gebruikt zijn engelen ook om te corrigeren (straffen). Toen koning David gezondigd had, stuurde God een profeet naar hem. „Daarop kwam Gad bij David en zeide tot hem: Zo zegt de HERE: kies of drie jaren hongersnood, of drie maanden vluchten voor uw tegenstanders, terwijl het zwaard van uw vijanden u achterhaalt, of drie dagen dat het zwaard des HEREN, de pest, in het land heerst en de engel des HEREN in het gehele gebied van IsraŽl verderf brengt. Overweeg dan nu, wat ik mijn Zender moet antwoorden” (1 Kronieken 21:11-12).

Gods heilige engelen hebben de macht zich te manifesteren in de fysieke gedaante van een mens om hun taak te verrichten.

DaniŽl 9:20  Terwijl ik nog sprak en bad en mijn zonde en de zonde van mijn volk IsraŽl beleed, en mijn smeking over de heilige berg mijns Gods uitstortte voor de HERE, mijn God, 21  terwijl ik nog sprak in het gebed, kwam de man GabriŽl, die ik tevoren gezien had in het gezicht, in ijlende vlucht tot vlak bij mij op de tijd van het avondoffer. 22  En hij begon mij te onderrichten en sprak met mij en zeide: DaniŽl, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven. 23  Bij het begin van uw smeekbede is er een woord uitgegaan, en ik ben gekomen om het u mede te delen, want gij zijt zeer bemind. Let dus op het woord en sla acht op het gezicht.

HebreeŽn 13:2  Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd.

Lees ook Genesis 18 en 19:1-22.

Engelen zijn tevens boodschappers. Zij verschenen aan Abraham, Lot, Hagar, Mozes, Gideon, Elia en aan vele van de profeten en apostelen. Als Gods engelen zich aan mensen manifesteren, doen zij dat in de gedaante van een gewoon mens. In HebreeŽn 13:2 wijst Paulus erop dat zij soms incognito voor zaken van God reizen zonder te openbaren dat zij engelen zijn. Rechtvaardige engelen houden zich echter niet op grillige wijze bezig met verschijnen en verdwijnen louter om zichzelf of mensen te amuseren of schrik aan te jagen.

Waarom vroeg de profeet Elisa aan God de ogen van zijn knecht te openen? „Toen de dienaar van de man Gods des morgens vroeg opstond en naar buiten trad, zie, een leger omringde de stad, zowel paarden als wagens. En zijn knecht zeide tot hem: Ach, mijn heer! wat moeten wij doen? Maar hij zeide: Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn. Toen bad Elisa: HERE, open toch zijn ogen, opdat hij zie. En de HERE opende de ogen van de knecht en hij zag en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa” (2 Koningen 6:15-17). Geen wonder dat Elisa zijn vijanden niet vreesde. Hij zag op de berg een van Gods geestelijke legers!

God had een speciale engel opdracht gegeven over de IsraŽlieten te waken en hen in het beloofde land te brengen. „Zie, Ik zend een engel voor uw aangezicht, om u te bewaren op de weg en om u te brengen naar de plaats, die Ik bereid heb. Neem u voor hem in acht en luister naar hem, wees tegen hem niet wederspannig, want hij zal uw overtredingen niet vergeven, want mijn naam is in hem. Maar indien gij aandachtig naar hem luistert, en alles doet, wat Ik zeg, zal Ik uw vijanden vijandig bejegenen, en benauwen die u benauwen. Want mijn engel zal voor uw aangezicht gaan en u brengen naar de Amoriet, de Hethiet, de Perizziet, de Kanašniet, de Chiwwiet en de Jebusiet, en Ik zal hen vernietigen” (Exodus 23:20-23).

MichaŽl is de hoofdbewaker van de afstammelingen van het oude IsraŽl. „Te dien tijde zal MichaŽl opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden” (DaniŽl 12:1).

De Bijbel noemt drie engelen van hoge rang bij name.

1)  Lucifer, die nu Satan de duivel is.

Jesaja 14:12  Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! 13  En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; 14  ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen.

In plaats van „morgenster” (vers 12) zeggen de bijbelvertalingen AV en Webster „Lucifer”.

EzechiŽl 28:13  In Eden waart gij, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis, chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet en malachiet. Van goud was het werkstuk, waarin zij waren gevat en aan u vastgehecht; toen gij geschapen werdt, waren zij gereed. 14  Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige berg der goden, wandelend te midden van vlammende stenen. 15  Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werdt totdat er onrecht in u werd gevonden.

Wij moeten alert blijven en Satans tactiek opmerken „opdat de satan op ons geen voordeel mocht behalen. Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend” (2 CorinthiŽrs 2:10-11).

Satan en zijn demonen kennen de almacht van God. „Gij gelooft, dat God ťťn is? Daaraan doet gij wel, [maar] dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen” (Jakobus 2:19). Zij weten dat binnenkort God zal ingrijpen door zijn Zoon Jezus Christus naar de aarde te sturen om hen te verbannen. „Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft” (Openbaring 12:12).

De apostel Petrus vergeleek Satan met een brullende leeuw. „Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden” (1 Petrus 5:8). Petrus' tijdgenoten wisten wat hij bedoelde, aangezien er destijds wilde leeuwen in Palestina waren.

Satan heeft zichzelf opgeworpen als de koning van de onrechtvaardige engelen en als de god van deze wereld. „Ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is” (2 CorinthiŽrs 4:4). Hij heeft volgens Openbaring 12, vers 9 de hele wereld verleid. „Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts” (2 CorinthiŽrs 11:14).

2)  GabriŽl verscheen bij twee gelegenheden aan DaniŽl. Hij werd naar DaniŽl gezonden om hem begrip van visioenen te geven.

„Toen ik, DaniŽl, het gezicht zag en het trachtte te verstaan, zie, daar stond iemand voor mij, die er uitzag als een man, en ik hoorde een menselijke stem over de Ulai, welke zeide: GabriŽl, doe deze het gezicht verstaan” (DaniŽl 8:15-16). Zie ook DaniŽl 9:21 hierboven. Aan Zacharias, de vader van Johannes de Doper. „En hem verscheen een engel des Heren, staande ter rechterzijde van het reukofferaltaar. En Zacharias ontroerde bij dat gezicht, en vrees beving hem. Maar de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven. En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de Heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan, en velen der kinderen IsraŽls zal hij bekeren tot de Here, hun God. En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden. En Zacharias zeide tot de engel: Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben een oud man en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen. En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben GabriŽl, die voor Gods aangezicht sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijmare te verkondigen. En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat deze dingen geschieden, omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, die op hun tijd in vervulling zullen gaan” (Lukas 1:11-20). En aan Maria, de moeder van Jezus. „In de zesde maand nu werd de engel GabriŽl van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazaret, tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, genaamd Jozef, uit het huis van David, en de naam der maagd was Maria. En toen hij bij haar binnengekomen was, zeide hij: Wees gegroet, gij begenadigde, de Here is met u. Zij ontroerde bij dat woord en overlegde, welke de betekenis van die groet mocht zijn. En de engel zeide tot haar: Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt genade gevonden bij God. En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen. En Maria zeide tot de engel: Hoe zal dat geschieden, daar ik geen omgang met een man heb? En de engel antwoordde en zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden. En zie, Elisabet, uw verwante, is eveneens zwanger van een zoon in haar ouderdom en dit is reeds de zesde maand voor haar, die onvruchtbaar heette. Want geen woord, dat van God komt, zal krachteloos wezen. En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging van haar heen” (Lukas 1:26-38).

3)  MichaŽl wordt door Judas als een aartsengel geÔdentificeerd. „Maar MichaŽl, de aartsengel, durfde, toen hij met de duivel in twist gewikkeld was over het lichaam van Mozes, geen smadelijk oordeel uitbrengen, doch hij zeide: De Here straffe u!” (Judas 1:9). MichaŽl is speciaal toegewezen aan de twaalf stammen van IsraŽl. MichaŽl, die „een der voornaamste vorsten” wordt genoemd, wordt vooral als een strijder genoemd en GabriŽl als een boodschapper.

DaniŽl 10:13  Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover mij; doch zie, MichaŽl, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield.

DaniŽl 10:21  (Nochtans zal ik u mededelen wat geschreven staat in het boek der waarheid.) En niet ťťn staat mij vastberaden tegen hen terzijde, behalve uw vorst MichaŽl.

DaniŽl 12:1  Te dien tijde zal MichaŽl opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden.

Openbaring 12:7  En er kwam oorlog in de hemel; MichaŽl en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog.

We zien dat de geestenwereld krioelt van activiteit. God werkt (Johannes 5:17: „Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook”) en zijn engelen zijn druk zijn wil uit te voeren. Satan en zijn demonen spannen zich in om het plan van God te dwarsbomen en te vernietigen.

Wat deed een engel van God toen menselijke machthebbers enkele apostelen in de gevangenis wierpen? „Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren (de zogenaamde partij van de sadduceeŽn) en zij werden vervuld met na-ijver, en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring. Maar een engel des Heren opende des nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten en zeide: Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het volk al deze woorden des levens” (Handelingen 5:17-20). De apostelen werden hierdoor in staat gesteld door te gaan met het prediken van de waarheid van God. „En zij gaven daaraan gehoor en gingen tegen de ochtend de tempel binnen en leerden” (vers 21).

Wij hebben hier slechts enkele van de vele teksten behandeld, die tonen hoe Gods engelen God en Gods heiligen in deze tijd dienen. Laten we dankbaar zijn dat God zijn engelen zendt om over zijn Werk te waken en het te helpen en om te waken over zijn door de heilige geest verwekte kinderen – zijn erfgenamen die spoedig geboren zullen worden in het Gezin van God dat het gehele universum zal regeren! 



Terug naar de Home Page