Voor literatuurlijst klik hier.

 

 

Waarom was David een

man naar Gods hart?

 

 

 

„Ik heb David, de zoon van IsaÔ, gevonden, een man naar mijn hart, die al mijn bevelen zal volbrengen” (Handelingen 13:22).

Dit zei God van koning David van het oude IsraŽl! Wat een positieve evaluatie!

Van alle mensen die geleefd hebben, heeft God David een bijzondere plaats in zijn hart gegeven. Wij weten uit de Bijbel dat David na zijn opstanding in het Koninkrijk van God over heel IsraŽl zal heersen.

Jeremia 30:7-9: „Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden. Op die dag zal het gebeuren, luidt het woord van de HERE der heerscharen, dat Ik het juk van hun hals zal verbreken en hun banden zal verscheuren; vreemden zullen hen niet meer knechten, maar zij zullen de HERE, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hun verwekken zal.”

EzechiŽl 37:23-25: „Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. En mijn knecht David zal koning over hen wezen; ťťn herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn.”

Hebt u er ooit bij stilgestaan waarom God zo over David dacht? De gemeenteleden van Gods gemeente worden nu geoordeeld. 1 Petrus 4:17: „Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods.” Hoe beantwoorden wij als een lid van Gods volk, die op dit moment geoordeeld wordt naar zijn of haar houding ten opzichte van God, aan het voorbeeld van David? Zou God kunnen zeggen dat we een man of vrouw naar zijn hart zijn?

In de bijbelboeken 1 en 2 SamuŽl wordt de levensgeschiedenis van David beschreven. Vůůr David was Saul koning, maar hij faalde volkomen door ongehoorzaamheid aan God. 1 SamuŽl 13:13-14: „SamuŽl zeide tot Saul: Gij hebt dwaas gehandeld; gij hebt niet in acht genomen het gebod van de HERE, uw God, dat Hij u geboden heeft, anders zou de HERE uw koningschap over IsraŽl voor altijd bevestigd hebben. Maar nu zal uw koningschap niet bestendig zijn. De HERE heeft Zich een man uitgezocht naar zijn hart en de HERE heeft hem tot een vorst over zijn volk aangesteld, omdat gij niet in acht genomen hebt wat de HERE u geboden had.” God besloot Saul te vervangen, en om de volgende koning te selecteren ging Hij anders te werk dan mensen zouden hebben gedaan.

God kijkt naar het innerlijk, naar de innerlijke beweegredenen van het hart, naar iemands instelling. 1 SamuŽl 16:7: „Doch de HERE zeide tot SamuŽl: Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan.” Hij wilde dat de vervanger van Saul qua karakter aan hoge eisen voldeed.

Hier volgen verscheidene specifieke aspecten van het karakter van David die hem bij God bijzonder geliefd maakten – die hem een man naar Gods hart maakten.

 

 

Werkzaam geloof

 

Hoewel David nog jong was toen hij tot koning gezalfd werd, had hij al grote kracht, wijsheid en talent getoond. Hij stond bekend als een vindingrijk vechter. Hij had een goede, evenwichtige lichamelijke conditie en was een talentvol musicus. 1 SamuŽl 16:18: „Toen antwoordde een van de knechten: Ik heb een zoon van de Betlehemiet IsaÔ gezien, die spelen kan; en hij is een dapper held, een krijgsman, wel ter tale, schoon van gestalte; en de HERE is met hem.” Niet lang daarna toonde hij een van de belangrijkste redenen voor zijn succes in de ogen van God: een werkzaam, levend geloof.

Er is wellicht geen enkel bijbelverhaal zo bekend als dat van David en Goliath. David nam als tiener het besluit om te vechten tegen de kampioen van het vijandelijke leger – een overweldigend strijder, meer dan drie meter lang, wiens wapenrusting alleen al bijna 100 kilo woog.

Goliath had de IsraŽlieten al enige tijd uitgedaagd om hem een tegenstander te bezorgen. Geen enkele IsraŽlitische strijder had daarvoor de moed. Maar David wťl, omdat hij wist dat God zich niet zou laten tarten. David liet zich leiden door geloof, niet door wat hij kon zien, en hij wist dat God hem kon gebruiken om deze vijand van zijn uitverkoren volk te verslaan. 1 SamuŽl 17:26: „Toen zeide David tot de mannen die bij hem stonden: Wat zal men de man doen die de Filistijn daar verslaat en de smaad van IsraŽl afwentelt? Wie toch is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God tart?” Vers 36-37: „Zowel leeuw als beer heeft uw knecht verslagen. En deze onbesneden Filistijn zal het vergaan als een van dezen, omdat hij de slagorden van de levende God getart heeft. Ook zeide David: De HERE, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuw en beer, Hij zal mij ook redden uit de hand van deze Filistijn. En Saul zeide tot David: Ga, en de HERE zal met u zijn.”

Zonder een spoor van angst, en zonder wapenrusting of oorlogsgerei kwam David naar voren met zijn slinger en – daar stortte de massa spieren, botten en wapenrusting die de Eeuwige had durven weerstaan ter aarde!

David stond dicht bij God. Hij luisterde naar God en geloofde dat niets de kracht van God zou kunnen weerstaan. Hij bezat een volkomen geloof om iedere schijnbaar onoverkomelijke hindernis te overwinnen.

Maar het was geen geloof zonder inspanning. David was voorbereid. Hij verwaarloosde het fysieke aandeel dat hij kon bijdragen niet. Hij was sterk en krachtig geworden door het beschermen van de schapen van zijn vader tegen wilde dieren, en na jaren van oefening was hij een zeer goede schutter.

Maar David bleef regelmatig contact met God onderhouden en gaf God terecht alle eer van de overwinning.

Wij behoren deze zelfde karaktereigenschap te hebben. Als wij God geloven, zijn Woord ijverig bestuderen, door gebed met Hem in contact blijven en God volgen terwijl Hij door middel van zijn Gemeente leiding geeft, kunnen wij hetzelfde soort vertrouwen verkrijgen dat David toonde.

Een ander belangrijk aspect van Davids karakter was dat hij een oprechte en consequente nederigheid bezat. Deze karaktertrek was vooral duidelijk in Davids relatie tot Saul.

 

 

Goddelijke nederigheid

 

Na zijn indrukwekkende overwinning op Goliath en de daaropvolgende bewondering door heel IsraŽl werd David lid van het koninklijk hof van Saul. Toch vond hij zichzelf volkomen onwaardig om met de dochter van de koning te trouwen. 1 SamuŽl 17:25: „De IsraŽlieten zeiden tot elkander: Hebt gij deze man wel gezien, die daar aankomt? Ja, hij komt om IsraŽl te tarten! Wie hem verslaat, die zal de koning grote rijkdom schenken, hij zal hem zijn dochter geven en zijn familie vrijstellen van lasten in IsraŽl.” Toen Saul aan David zijn oudste dochter wilde geven zei David (1 SamuŽl 18:18): „Wie ben ik en wie zijn mijn verwanten, het geslacht van mijn vader, in IsraŽl, dat ik een schoonzoon van de koning zou worden?” Toen de tweede dochter van Saul verliefd werd op David, wilde Saul haar aan David geven. 1 SamuŽl 18:23-24: „Toen brachten de dienaren van Saul deze woorden aan David over, maar deze zeide: Dunkt het u een kleinigheid de schoonzoon van de koning te worden? Ik ben immers een arm en gering man. De dienaren van Saul deelden hem mee: Dit heeft David gezegd.” Hij wist dat God hem gezegend had, en voelde zich onwaardig.

Later, toen Saul door jaloezie „een vijand van David zijn leven lang” geworden was (vers 29), sloeg David zichzelf nog steeds niet hoger aan dan een dode hond of een vlo. 1 SamuŽl 24:15: „Wie is de koning van IsraŽl achterna getrokken? Wie achtervolgt gij? Een dode hond! Een enkele vlo!” Hij was oprecht van mening dat hij te onbeduidend was om de positie van Saul te bedreigen.

Toen David ten slotte koning werd, deed God hem verstrekkende beloften, waaronder de vestiging van een eeuwige troon, waarvoor Saul zich niet had weten te kwalificeren. Toch bleef David goddelijke nederigheid tonen. 2 SamuŽl 7:18: „Wie ben ik, Here HERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?”

David vond dat hij niet belangrijk was; voor hem waren alleen Gods plan en doel van belang. Hij diende God in nederigheid, met de geest van Christus, met de instelling die beschreven is in Filippenzen 2:3: „Zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf.” Bezitten wij deze nederigheid?

 

 

Trouw aan de regering van God

 

David toonde nog een andere eigenschap die iedereen behoort te bezitten die voorbereid wordt op leiderschap: hij was volkomen loyaal aan en had diep respect voor Gods regering en voor de menselijke werktuigen die God in die regering aanstelt.

Aanvankelijk werkte God door middel van koning Saul om het volk te regeren. Saul, die tot een opstandige instelling verviel, begon de aanwijzingen van God te verwerpen.

Onmiddellijk nadat God de toekomstige koning David gezalfd had, zond Hij een boze geest om Saul te kwellen, maar Hij liet hem zijn positie als koning behouden. 1 SamuŽl 16:13-14: „SamuŽl nam de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broeders. Van die dag af greep de Geest des HEREN David aan. Daarna stond SamuŽl op en ging naar Rama. Maar van Saul was de Geest des HEREN geweken, en een boze geest, die van de HERE kwam, joeg hem angst aan.”

De door demonen beÔnvloede Saul, die waanzinnig was van jaloezie, greep iedere gelegenheid aan om te proberen David te vermoorden. Hoewel David hem in alles dienstbaar was en weigerde terug te slaan, bleef Saul doorgaan met zijn pogingen.

David had een diep, duurzaam respect voor degene die God boven hem gesteld had, zelfs al was die gezaghebbende persoon een moordlustige maniak. David streefde er slechts naar het leven te behouden; hij bleef Saul erkennen als de gezalfde van God.

Eens gaf David toe aan de verleiding om zich tegen de koning te keren en hij sneed de slip van Sauls mantel af. 1 SamuŽl 24:4: „Toen zeiden Davids mannen tot hem: Dit is de dag, waarvan de HERE tot u gezegd heeft: zie, Ik geef uw vijand in uw macht; doe met hem wat gij wilt. David stond op en sneed ongemerkt de slip van Sauls mantel af.” Een daad die de heerser smaad bracht. Vers 5-6: „Daarna bonsde Davids hart, omdat hij Sauls slip had afgesneden; hij zeide tot zijn mannen: De HERE beware mij ervoor, dat ik aan mijn heer, aan de gezalfde des HEREN, dit zou doen, dat ik mijn hand aan hem zou slaan; want hij is de gezalfde des HEREN.” David voelde zich schuldig en had er grote spijt van.

En al die tijd probeerde Saul David te vermoorden!

Enige tijd later verwierp David een gunstige gelegenheid om Saul het leven te benemen in de wetenschap dat hij zich schuldig zou maken aan opstandigheid tegenover God als hij dit deed. 1 SamuŽl 26:7-11: „David kwam met AbisaÔ in de nacht tot het volk, en zie, daar lag Saul in de wagenburg te slapen, met zijn speer aan zijn hoofdeinde in de grond gestoken, terwijl Abner en het volk om hem heen lagen. Toen zeide AbisaÔ tot David: Heden heeft God uw vijand aan u overgeleverd; nu dan, laat ik hem toch met de speer aan de aarde spietsen, in ťťn stoot, ik behoef het geen tweede maal te doen. Maar David zeide tot AbisaÔ: Breng hem niet om, want wie slaat ongestraft zijn hand aan de gezalfde des HEREN? David zeide: Zo waar de HERE leeft, voorzeker, de HERE zal hem slaan; hetzij, dat zijn sterfdag komt, hetzij, dat hij ten strijde trekt en weggevaagd wordt. De HERE beware mij ervoor, dat ik mijn hand zou slaan aan de gezalfde des HEREN. Nu dan, neem de speer aan zijn hoofdeinde en de waterkruik, en laten wij weggaan.” David begreep de les die Saul niet geleerd had. 1 SamuŽl 15:23: „Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en ongezeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim. Omdat gij het woord des Heren verworpen hebt, heeft Hij u verworpen, zodat gij geen koning meer zult zijn.”

God liet deze proef voor David vele jaren nadat hij gezalfd was om Saul te vervangen, voortduren. David had in opstand kunnen komen en de macht over kunnen nemen, maar dat deed hij niet. Hij verzette zich niet en bewees altijd eer aan de uitverkoren dienaar van God.

Hoe zouden wij gereageerd hebben als wij in Davids schoenen hadden gestaan? Zouden wij deze beproeving hebben doorstaan? Hoe staan wij tegenover Gods dienaren die namens God zijn gezag uitoefenen? Zijn wij bereid om nu geregeerd te worden, zodat wij kunnen leren te regeren in Gods Koninkrijk? HebreeŽn 13:7: „Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na.” Vers 17: „Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen.”

 

 

Rustig geduld

 

Een ander facet van Davids karakter, dat samen met loyaliteit tot ontwikkeling kwam, is geduld.

David moest na zijn zalving vele jaren wachten tot hij koning werd! En het wachten was niet gemakkelijk. Hij moest talloze lichamelijke en geestelijke beproevingen doorstaan. Pas na veel strijd gaf God hem het koninkrijk IsraŽl. David bleef op God vertrouwen en bleef in moeilijke omstandigheden volharden. Hij legde zijn leven en toekomst in de handen van God en bezat het geduld dat noodzakelijk is om goddelijk karakter te ontwikkelen. Paulus verduidelijkt deze houding met betrekking tot het leven van de ware christen. Romeinen 5:3-4: „Wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop.”

Geloof en geduld worden in de Bijbel vaak samen genoemd. Men kan geen geduld hebben zonder geloof. Geloof is het vertrouwen op God, gesteund door actieve gehoorzaamheid. Jakobus 2:18: „Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ik heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken.” Geduld is die kalme instelling die u in staat stelt om in ongunstige omstandigheden op God te vertrouwen. Geduld wordt ontwikkeld door middel van beproevingen zoals die van David: De beproefdheid van uw geloof werkt volharding uit (Jakobus 1:3).

David wist dat God zijn plan met hem zou verwezenlijken als hij met geduld zou volharden. HebreeŽn 10:36: „Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van Gods doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is.”

Houden wij geduldig vol? Bezitten wij die kalme vastberadenheid die ontstaat wanneer wij ons leven in Gods handen leggen?

 

 

IJver

 

Een ander belangrijk aspect van Davids karakter had betrekking op zijn hele benadering van Gods levenswijze. Hij deed nooit iets half. David toonde altijd een ongeveinsde, volkomen, geestdriftige toewijding aan God. Als David iemand diende, diende hij hem ook zonder enige terughoudendheid in alles wat noodzakelijk mocht zijn. Hij was een voortdurende bron van inspiratie voor anderen.

Toen hij de ark van het verbond op de vijandelijke legers heroverd had, was niemand zo uitgelaten als koning David zelf. Hij liet elke hoffelijke terughoudendheid varen en danste van blijdschap in de straten van Jeruzalem. 2 SamuŽl 6:14: „En David danste uit alle macht voor het aangezicht des HEREN.”

Iedereen wist hoe geestdriftig David God diende en het hele land werd erdoor beÔnvloed. David gaf zich volkomen over aan de levenswijze van God. Hij toonde geen enkele terughoudendheid. En wij? God zegt ons dat wij deze zelfde oprechte inzet behoren te ontwikkelen door een goede relatie met Hem op te bouwen en elkaar aan te sporen. HebreeŽn 10:22-24: „Laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.” Vers 38: „En mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen.”

Zijn wij enthousiast voor het Werk van God, een ijver die aanstekelijk is? Wij mogen niet terughoudend zijn of ons door anderen laten afremmen. Wij moeten God onze totale inzet geven, zoals David deed. Hij was God welgevallig. En wij?

 

 

Wijsheid

 

Nog een essentieel aspect van het leven van David, dat niet vergeten mag worden, is de wijsheid die hij verwierf.

Salomo, de zoon van David en de wijste man die ooit geleefd heeft, leerde over wijsheid van zijn vader, en van hem is het grootste deel van de instructie die opgenomen is in het boek Spreuken. Spreuken 4:3-5: „Want toen ik nog als zoon bij mijn vader was, teder en een enig kind voor het aangezicht van mijn moeder, onderwees hij mij en zeide tot mij: Laat uw hart mijn woorden vasthouden, onderhoud mijn geboden, opdat gij moogt leven. Verwerf wijsheid, verwerf inzicht, vergeet niet en wijk niet af van de woorden mijns monds.”

De wijsheid, de juiste toepassing van de geest van de wet van God op ieder levensgebied, begon voor David met een diepe eerbied voor God. Hij had groot respect voor God en gaf zich met zijn gehele hart en instelling om Hem te gehoorzamen.

Bezitten wij goddelijke wijsheid?

God zegt ons dat wij in volledig geloof om wijsheid moeten vragen, dan zal Hij het in overvloed geven. Jakobus 1:5: „Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden.”

 

 

Berouw en bekering

 

Deze laatste geestelijke eigenschap van David is tevens de belangrijkste. Zonder deze zou hij geen man naar Gods hart zijn gebleven. David toonde steeds waar berouw.

David was niet volmaakt. Net als wij allemaal struikelde ook hij weleens. Maar als hij zijn fouten inzag, erkende hij altijd dat hij verkeerd gehandeld had en zocht hij God met heel zijn hart om weer op het juiste pad te geraken.

Na zijn overspel met Bathseba en de moord op haar echtgenoot Uria, bijvoorbeeld, toonde David een volkomen berouw voor God. Hij wist dat hij niet slechts een zonde had bedreven. Hij was als mens door en door slecht. Hij had niet alleen berouw over wat hij gedaan had, maar ook over wat hij was.

David riep God aan en vroeg Hem of Hij hem wilde vergeven en om zijn Geest in hem te vernieuwen. Psalmen 51:8-9: „Zie, Gij wilt waarheid in het verborgene, in het geheim maakt Gij mij wijsheid bekend. Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw” Vers 11-14: „Verberg uw aangezicht voor mijn zonden, delg al mijn ongerechtigheden uit. Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest; verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw heilige Geest niet van mij; hergeef mij de blijdschap over uw heil, en laat een gewillige geest mij schragen.”

Merk op wat de bedoeling en de motivatie van David was. Hij verlangde er met zijn gehele hart naar dat God hem zou blijven gebruiken, dat hij geestelijk op het juiste spoor zou blijven. Vers 15-17: „Dan zal ik overtreders uw wegen leren, opdat zondaars zich tot U bekeren. Red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils, laat mijn tong over uw gerechtigheid jubelen; Here, open mijn lippen, opdat mijn mond uw lof verkondige.”

David wist dat God hem moest reinigen om hem te kunnen gebruiken. De beweegreden van David was om te geven. Hij verlangde er met zijn hele hart naar om anderen te helpen God te leren kennen en gehoorzamen. Vers 18-19: „Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers, dat ik die brengen zou; aan brandoffers hebt Gij geen welgevallen. De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God.” David was volkomen gebroken in deze houding van diep berouw. Zijn ego was verpletterd. En hij wist dat God dit diepe en oprechte berouw (geen schijnheiligheid) vereiste voor zijn eigen welzijn.

God, die naar het hart kijkt, vergaf en vergat de zonden van David. 2 SamuŽl 12:13: „Toen sprak David tot Natan: Ik heb tegen de HERE gezondigd. En Natan zeide tot David: De HERE heeft uw zonde vergeven: gij zult niet sterven.” God houdt alleen het karakter dat David opbouwde in gedachten. Daarom beschrijft Hij David als een man naar zijn hart. Als David zijn zonden niet erkend had en niet veranderd was, had God dat niet over hem kunnen zeggen.

David heeft ernstige fouten gemaakt in zijn leven, maar God heeft ze vergeven ťn vergeten. Kunnen wij dat ook? Mensen kunnen anderen beschadigen door een fout op te rakelen, terwijl God het vergeven heeft en het vergeten is. Deze mensen hebben zelf bekering nodig. Bovendien houden veel mensen zich bezig met kwaadspreken. Ook in Davids tijd gebeurde dat. 1 SamuŽl 24:9: „Toen zeide David tot Saul: Waarom luistert gij naar de woorden van mensen, die zeggen: zie, David beraamt kwaad tegen u?” ’Van horen zeggen’ berust vaak op een misverstand, onvoldoende feitenkennis of opzettelijke verdraaiing van feiten, een vergissing. Vraag je altijd af hoeveel leed het kan veroorzaken bij gezinsleden, vrienden en collega's. Christus bracht Davids fouten niet in herinnering. Dat deed Hij ook niet van zijn apostelen.

De karakterschets van David uit Handelingen 13:22, die aan het begin van deze publicatie geciteerd is, werd lang nadat David is gestorven, opgetekend. Door geloof, nederigheid, trouw aan de regering van God, geduld, ijver, wijsheid en waar berouw overwon David zijn menselijke natuur, ontwikkelde hij goddelijk karakter en kwam hij in aanmerking voor een hoge positie in Gods komende Koninkrijk. Hij was een man naar Gods hart.

Wat zal God over ons zeggen?



Terug naar de Home Page

 

web
analytics