Voor literatuurlijst klik hier

 

Waarom zoveel

kerkgenootschappen?

 

 

Is Christus verdeeld? Er zijn in het

christendom honderden kerkgenootschappen,

groeperingen en sekten. Waarom?

Wanneer ontstond deze verwarring?

 

 

 

Het is moeilijk te geloven, maar het is waar! De geschiedkundige feiten – bijbelse zowel als niet-bijbelse – zijn verbazingwekkend.

Het is tijd dat wij eens achter de schermen kijken. Het is tijd dat wij te weten komen waar het beginpunt van al deze godsdienstige verwarring ligt.

Ieder denkend mens – ieder kerkgenootschap – beseft dat er, op een bepaald moment in de geschiedenis, een grote afvalligheid van de oorspronkelijke waarheid is geweest.

 

 

Slechts één Gemeente

 

Jezus Christus heeft niet een veelheid van kerkgenootschappen gesticht. Christus heeft gezegd in Mattheüs 16:18: „Ik zal mijn gemeente bouwen”. Hij heeft haar gebouwd – één Gemeente, die de opdracht kreeg zijn Evangelie – de speciale boodschap die Hij van God meebracht – aan de hele wereld bekend te maken.

Maar wat zien wij tegenwoordig? Honderden verschillende kerken die het oneens zijn, alle door mensen gesticht, die allemaal beweren de waarheid te leren, daarbij echter alle andere loochenen en weerspreken.

 

 

De Gemeente in de profetieën

 

Terwijl de meeste mensen tegenwoordig in de mening verkeren dat de ware Gemeente was voorbestemd om snel uit te groeien tot een machtige organisatie die een krachtige invloed op de wereld zou uitoefenen en deze wereld tot een betere wereld zou maken door haar stabiliserende invloed op de wereldbeschaving, richtte Christus in werkelijkheid zijn Gemeente voor een heel ander doel op.

In zijn laatste gebed voor zijn éne Gemeente bad Jezus in Johannes 17:9-17: „Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, en al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt. En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij. Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd. Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben. Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben. Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben. Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid.”

De mensen van zijn Gemeente worden beschreven als vreemdelingen in deze wereld, afgezanten van Christus, nimmer deel uitmakend van de wereld.

1 Petrus 1:17: „En indien gij Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap.”

1 Petrus 2:11: „Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen.”

Deze ware Gemeente van God zou vervolgd worden en verstrooid. In Johannes 15:20 zei Jezus tot zijn discipelen: „Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen.” En 2 Timotheüs 3:12: „Allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden.”

In de nacht dat Jezus werd gegrepen om gekruisigd te worden, zei Hij in Markus 14:27: „Er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.” Nadat Hij, de Herder, was gekruisigd, zouden de „schapen” – zijn Gemeente – verstrooid worden.

Eerder op diezelfde avond had Jezus tot zijn discipelen gezegd in Johannes 16:32: „Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt.”

Deze vervolging en verstrooiing begon al vroeg. Lees daarvoor Handelingen 8:1: „En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen.”

Er wordt nergens geprofeteerd dat de éne ware Gemeente groot en machtig zou worden en in deze wereld invloed zou uitoefenen. Integendeel, Jezus noemde haar een „klein kuddeke”. Lukas 12:32: „Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.” Nee, Gods Gemeente is geen grote kerk, geen bekende denominatie. 1 Johannes 3:1: „Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het ook. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent.” Veracht, vervolgd, verstrooid door de wereld – gescheiden van de wereld. Verstrooid, maar nimmer verdeeld. Altijd één Gemeente – nooit een veelheid van verschillende sekten. Ware christenen zijn niet verspreid over allerlei christelijke kerken, want ze zijn eensgezind in leer.

Lees er niet overheen wat Johannes schreef: „Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent.” De Gemeente van God is niet bekend in deze wereld en de kerken van deze wereld kennen de ware God niet!

Over de geschiedenis van die Gemeente lezen de mensen weinig. Zelfs de historici hebben nooit geweten waar zij de ware Gemeente konden vinden – want zij weten niet wat de ware Gemeente is.

 

 

De grote meerderheid misleid

 

Anderzijds hebben vele profetieën de afvalligheid, misleiding en verdeeldheid voorspeld.

Jezus voorspelde het allereerste gebeuren dat de wereld te wachten stond – grootscheepse misleiding – in de komende jaren culminerend in grote verdrukking.

Mattheüs 24:4-5: „Ziet toe, dat niemand u verleide! Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden.”

Lees dit goed: Niet weinigen zouden worden misleid, maar velen. Slechts weinigen zouden ware christenen worden. Dat is niet wat de ’christelijke’ wereld gelooft.

Jezus gaf van deze specifieke situatie een beschrijving, toen Hij zei in Mattheüs 7:13-14: „Wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.”

Het christendom bestaat niet uit weinigen. Het is een wereldgodsdienst waartoe twee miljard mensen zich rekenen. Maar Christus heeft gezegd: „En smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.”

Hoezeer is deze wereld misleid.

Satan wordt in de Bijbel voorgesteld als de god van deze wereld. 2 Corinthiërs 4:4: „Ongelovigen [zij aanvaarden niet het ware geloof], wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.” Hij verschijnt niet als duivel, maar als een god, als een engel des lichts. En in Openbaring 12:9 lezen we over „Satan, die de gehele wereld verleidt”. Het christendom met 2 miljard gelovigen vormt met zijn honderden kerken, sekten en denominaties de grootste en invloedrijkste religie en is dus een bepalend deel van „de gehele wereld” die misleid is.

Inderdaad, velen zouden komen in Jezus' naam, en verkondigen dat Jezus de Christus is – Christus predikend aan de wereld. En toch zouden dezen, zonder het te beseffen, de wereld misleiden. Ze prediken een andere Jezus staat in 2 Corinthiërs 11:4.

 

 

Een listige vervalsing

 

Natuurlijk is het verbazingwekkend en moeilijk te geloven, maar toch is het waar! Maar hoe gebeurt dat dan? Door eenvoudig over de persoon Christus te prediken, zijn deugden te verheerlijken, Hem te aanbidden en toch zijn Boodschap – zijn Evangelie – te verloochenen door er heidense doctrines voor in de plaats te stellen. Een sluwe vervalsing! En velen – de meesten – die in de naam van Christus prediken zijn zélf ook bedrogen! Satan heeft zelfs hen bedrogen en zichzelf de god van deze wereld gemaakt en wordt als zodanig als God aanbeden. Hoe vreemd het ook mag klinken, deze wereld kent de Ware God niet! De wereld gelooft dat als men Christus „aanneemt” –„zijn beslissing voor Christus neemt” – „Hem aanbidtmen dan behouden is!

Dit wordt momenteel door velen gepredikt! Maar wat predikte Jezus? Heeft Hij niet gezegd dat het mogelijk was Hem te aanbidden en toch niet behouden te worden?

Lees goed wat staat in Markus 7:7: „Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn.” Vers 13: „En zo maakt gij het Woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt.”

Dat valt moeilijk te geloven, nietwaar? De wanbegrippen van deze wereld en de vervalsingen van Satan hebben ook de ’christelijken’ zo bedwelmd, vergiftigd en bedrogen dat zelfs de woorden van Christus moeilijk te geloven zijn! In Christus, d.w.z. in zijn Persoon, te geloven is één ding, maar iets heel anders is het, te geloven wát Hij zegt! Hij verkondigde niet dat overleden mensen naar de hemel gaan. Johannes 3:13: „En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen.” Niemand betekent niemand. Dus ook koning David is niet naar de hemel gegaan. Handelingen 2:29: „Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag.” Vers 34: „Want David is niet opgevaren naar de hemelen.”

Een ander voorbeeld van de vele vervalsingen is kerst. Christus verbiedt nadrukkelijk de heidense kerst, een feest van de aanbidding van de zon. Dát is betekenis van kerstmis. Een grove belediging en vernedering van Jezus en zijn Vader. Christus onderwijst de Tien Geboden die beginnen met Exodus 20:3: „Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.” Maar ook gaf Christus ons het voorbeeld van de zevende dag. Exodus 20:8: „Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt.” Mattheüs 12:8: „Want de Zoon des mensen is heer over de sabbat.”

Alleen geloven dat Jezus als mens op aarde heeft geleefd en nog steeds leeft, maar niet doen wat Hij zegt, leidt naar de dood.

Jakobus 2:26: „Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.”

Openbaring 14:12: „Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren.”

Ja, hoe schokkend het u ook mag voorkomen, de overweldigende meerderheid is misleid door een geestelijkheid die in de naam van Jezus Christus komt en wel beweert dat Jezus de Christus is, maar een ánder evangelie en geloof predikt! Het zijn degenen – zelf van kindsbeen af in een vals geloof opgegroeid – die het geestelijk ambt aanvaarden om in hun levensonderhoud te voorzien, het als hun roeping of betrekking kiezen en besluiten zichzelf aan te dienen als vertegenwoordigers van Christus, zonder door Hem te zijn geroepen! Ze hebben zich aan de mensen verhuurd en moeten daarom prediken wat die graag willen horen!

Johannes 10:13: „Want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte.”

Jeremia 23:16-17: „Zo zegt de HERE der heerscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken, dat gij u aan een ijdele waan overgeeft, zij spreken het gezicht van hun eigen hart, niet uit des HEREN mond. Zij zeggen voortdurend tot wie Mij verachten: De HERE heeft gesproken: gij zult vrede hebben; en tot ieder die wandelt in verstoktheid van hart, zeggen zij: geen kwaad zal u overkomen.”

Ze wijzen hun gemeenten niet terecht over datgene waartegen Jezus zo gewaarschuwd heeft en wat de Bijbel als zonde beschrijft!

 

 

De apostelen wisten wat er gebeuren zou

 

De apostelen, die rechtstreeks door Jezus Christus waren onderwezen, waarschuwden de Gemeente voor het afwijken van het geloof dat zich zou gaan voordoen aan het einde van hun dienaarschap.

Nauwelijks twintig jaar na de kruisiging van Jezus, waarschuwde Paulus in een van zijn eerste brieven de christenen zich niet te laten verleiden door valse prediking of valse brieven die afkomstig heetten te zijn van de apostelen. 2 Thessalonicenzen 2:3: „Dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren reeds aanbrak. Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen.”

Het eerste grote gebeuren dat de ware Gemeente volgens de profetieën zou overkomen, was dat christenen zich en masse van de Waarheid zouden afkeren. Ja, de honderden kerkgenootschappen van onze tijd werden inderdaad voorspeld. God staat de mensen toe hun eigen kerken op te richten, opdat ze door harde, wrede ervaring zullen leren dat iedere leerstelling, die tegen de in de Bijbel geopenbaarde leefregels indruist in ellende en dood zal eindigen. De wereld heeft deze les nog niet geleerd. De wereld wenst de waarheid niet te ontvangen, maar laat zich liever in slaap sussen door een misleide geestelijkheid, die alleen predikt wat de mensen graag willen horen.

In Handelingen 20:29-30 legt de leraar van de heidenen uit hoe de afvalligheid zou beginnen. Hij riep de oudsten van de gemeente te Efeze bijeen om hun een laatste boodschap te geven ten aanzien van hun verantwoordelijkheid voor de plaatselijke gemeenten. Want, zei Paulus in Handelingen 20:29-30, „zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken”. Waarom? „Om de discipelen achter zich aan te trekken.” Om een persoonlijke aanhang te verwerven. Om nieuwe kerkgenootschappen te stichten!

Begrijpen we de volledige betekenis van deze beide verzen? De oudsten werden speciaal bijeengeroepen omdat, direct na Paulus' vertrek uit Efeze, er in de plaatselijke gemeenten misleiders zouden komen, wolven in schaapskleren, om de christenen tot hun prooi te maken. En zelfs van de oudsten die al in de gemeenten waren, zouden er enkelen de leer van Christus verdraaien om zich een aanhang te verwerven.

 

 

Hoe het gebeurde

 

De stad Efeze was gelegen in een Romeinse provincie van het westelijk deel van Klein-Azië, het tegenwoordige Turkije. Nadat Paulus in Efeze het evangelie had verkondigd, moest hij de discipelen afscheiden van de Joden die de leerstellingen van Jezus Christus niet wilden volgen.

Handelingen 19:8-9: „En Paulus ging naar de synagoge en trad drie maanden lang vrijmoedig op, om hen door besprekingen te overtuigen aangaande het Koninkrijk Gods. Maar toen sommigen verhard en ongehoorzaam bleven en ten aanhoren van de menigte kwaad bleven spreken van de weg, maakte hij zich van hen los en zonderde zijn discipelen af, terwijl hij dagelijks besprekingen hield in de gehoorzaal van Tyrannus.”

Deze Joden haatten Paulus in het bijzonder, omdat hij de bekeerde, onbesneden heidenen in contact bracht met de bekeerde Joodse broeders. Dit maakte hen zo woedend dat ze overal leugens over de Ware Leer verspreidden. Handelingen 21:21: „Nu heeft men hun van u verteld, dat gij alle Joden onder de heidenen afval van Mozes leert, door te zeggen, dat zij hun kinderen niet behoeven te besnijden, noch naar de gebruiken te leven.”

De apostel waarschuwde Titus voor „ijdele praters en misleiders, vooral die uit de besnijdenis zijn” en die „Joodse verdichtsels en geboden van mensen, die zich van de waarheid afkeren” verspreidden (Titus 1:10, 14).

Het waren de hardnekkige Joden waardoor de eerste moeilijkheden in de christelijke gemeenschap ontstonden. Zij volgden Paulus tot in Jeruzalem om hem vals te beschuldigen. Handelingen 21:27: „Toen nu de zeven dagen nagenoeg om waren, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel, en brachten al het volk in opschudding en zij sloegen de handen aan hem.”

Niet lang daarna hadden zij de christenen in Efeze geestelijk zodanig vergiftigd, dat Paulus aan Timotheüs moest schrijven (2 Timotheüs 1:15): „Dit weet gij, dat allen in Azië zich van mij hebben afgekeerd.”

Let wel, dat binnen enkele jaren allen uit de provincie Azië er zich toe hadden laten verleiden zich van de Waarheid, die Paulus gepredikt had, af te wenden. Het waren niet de weinigen, maar de velen – „allen” – die misleid waren; en toch dachten ze dat ze nog steeds christenen waren.

De apostel Johannes schreef later aan de Efeziërs (Openbaring 2:5): „Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe weder uw eerste werken.” Hier is een bewijs dat, terwijl de apostelen nog leefden, vele christenen door ketterij overrompeld werden!

Oorspronkelijk kwam veel van de oppositie voort uit de Joden die probeerden hun menselijke tradities en fabels, die tegen Gods wetten indruisten aan de christenen op te dringen.

Mattheüs 15:3: „Hij antwoordde hun en zeide: Waarom overtreedt ook gij ter wille van uw overlevering zelfs het gebod Gods?”

Later ontstond er, vooral omtrent de tijd van de verwoesting van Jeruzalem toen het aantal bekeerde heidenen toenam, een gevoel van vijandschap tussen de Joodse en de niet-Joodse bekeerden. Zulke twisten leidden natuurlijk tot het veranderen van die dagen, welke door belijdende christenen werden gevierd. Een afkeer van de Joden, die dezelfde dagen hielden als de eerste ware christenen, leidde er toe dat onbekeerde, werelds ingestelde heidenen in de Gemeente de heidense feestdagen daarvoor in de plaats stelden.

Dit heidens bedrog was voorspeld.

Niet alleen Paulus, maar ook Petrus waarschuwde de gemeenten dat velen zouden worden misleid. Er waren valse leraren onder de christenen, die ketterijen binnenbrachten.

2 Petrus 2:1-2: „Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend. En velen zullen hun losbandigheden navolgen, zodat door hun schuld de weg der waarheid gelasterd zal worden.”

In zijn tweede brief aan de van geboorte heidense Thessalonicenzen waarschuwde Paulus.

2 Thessalonicen 2:7: „Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking.”

Paulus herinnert de Galaten aan hun vroegere verering van heidense goden.

Galaten 4:8-10: „Maar in de tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden gediend, die het in wezen niet zijn. Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken? Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar.”

Veel mensen die deel hadden gekregen aan Gods gemeente in Galatië waren weer heidense feesten gaan vieren in plaats van de feesten van God die de apostel Paulus en zijn medewerkers hen hadden geleerd.

We zien dat in Paulus' tijd het zo sluw gecamoufleerde onderricht in wetteloosheid en ongerechtigheid reeds in volle gang was. De Romeinse wereld werd overspoeld met talrijke mysterie-godsdiensten, die hun oorsprong vonden in de mysteries van de zonaanbidding.

Er werd door valse leraren heimelijk beweerd dat ze een verborgen maar gemakkelijke manier aan de hand konden doen om de gevolgen van het overtreden van Gods wetten te ontduiken.

Velen ontdekten dat hun aanhang toenam wanneer de naam van Jezus erbij betrokken werd.

Judas was genoodzaakt in zijn brief te vermanen in vers 3-4 „tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is. Want er zijn zekere mensen binnengeslopen (reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven) goddelozen, die de genade van onze God in losbandigheid veranderen en onze enige Heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen.” Die praktijken zijn wereldwijd toegenomen tot in onze dagen. Vers 17-19: „Gij echter, geliefden, herinnert u de woorden, die voor dezen gesproken zijn door de apostelen van onze Here Jezus Christus, dat zij tot u hebben gezegd: Aan het einde des tijds zullen er spotters komen, die naar hun eigen goddeloze begeerten zullen wandelen. Zij zijn het, die scheuringen maken, natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben.”

Judas zegt dat deze predikers hun volgelingen afscheidden van de groep der gelovigen.

Deze valse leraren slopen binnen – en verklaarden in de naam van Jezus Christus te komen. Toch ontkenden zij dat Jezus de Christus was door het enige teken dat dit feit bewijst, te verwerpen en er de traditie van ’Goede Vrijdag — Opstanding op Zondag’ voor in de plaats te stellen.

Mattheüs 12:39-40: „Maar Hij antwoordde hun en zeide: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona, de profeet. Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten.”

Zie de publicatie ’DE OPSTANDING was NIET op zondag’ op de website van de Gemeente van God.

Ook hebben ze de genade Gods, de onverdiende vergeving van onze zonde, in een soort totale vrijheid veranderd, die hun toe zou staan de geboden te negeren. Ze beweerden dat genade permissie geeft wetteloos te leven, dus te zondigen.

Toen Johannes zijn brief schreef moest hij met betrekking tot de predikers, die heimelijk binnengeslopen waren, er deze droeve noot aan toevoegen:

1 Johannes 2:19: „Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn.”

Zij die de Gemeente verlieten waren geen christenen meer. Zij scheidden zichzelf van de ware Gemeente af en organiseerden hun eigen kerk.

 

 

Ware christenen werden uitgestoten.

 

Hoewel talloze bedriegers de Gemeente verlieten en vele volgelingen met zich meevoerden, was er nog een gevaarlijker afvalligheid, die de hele wereld misleid heeft.

Bij het onderrichten van de evangelist Timotheüs, gaf Paulus deze de instructie in 2 Timotheüs 4:2-4: „Dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. Want er komt een tijd, dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte” – daar zij hun eigen zin willen doen – „zich tal van leraars zullen bijeenhalen” – leraren zullen aanmoedigen om te prediken wat zij wensen te horen – „dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren.”

Dit was in de dagen van de apostelen en de evangelisten. Velen die lid waren van de plaatselijke gemeenten van de vroege Gemeente, verdroegen de gezonde leer niet meer omdat niet allen zich werkelijk hadden bekeerd en daarom de heilige geest nimmer hadden ontvangen en anderen meelopers werden in heidense opvattingen. Ze benoemden leraren die uit winstbejag en ijdelheid aan hun wensen tegemoet kwamen door het prediken van fabels – dogma's, die heden ten dage als christelijk aanvaard worden – de verleidelijke verdichtsels verbonden met mystiek en zonaanbidding die het Romeinse Rijk overspoelden.

2 Petrus 2:3: „Zij zullen uit hebzucht met verzonnen redeneringen u als koopwaar behandelen.” Vers 18-22: „Want met holle, hoogdravende klanken verlokken zij door vleselijke begeerten en door ongebondenheid hen, die zich ternauwernood aan degenen, die in dwaling verkeren, onttrekken. Vrijheid spiegelen zij hun voor [de geboden van God zijn afgeschaft zeggen ze], hoewel zij zelf slaven des verderfs zijn; immers, door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men. Want indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatste toestand erger dan de eerste. Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen kennis verkregen te hebben van de weg der gerechtigheid, dan met die kennis zich af te keren van het heilige gebod dat hun overgeleverd is. Hun is overkomen, wat een waar spreekwoord zegt: Een hond, die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel, of: een gewassen zeug naar de modderpoel.”

Ofschoon deze talrijke misleiders de ware Gemeente verlieten, en discipelen met zich meetrokken, duurde hun aanhang niet meer dan enkele eeuwen. Maar dit proces herhaalde zich voortdurend. Er drong echter een nog veel gevaarlijker afvalligheid de ware Gemeente binnen.

De brieven van Paulus werden verdraaid om ze een andere betekenis te geven dan was bedoeld. 2 Petrus 3:15-16: „Houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften.” Maar in plaats van de plaatselijke gemeenten te verlaten en hun eigen sekten te vormen, zoals anderen aanvankelijk hadden gedaan, bleven deze valse predikers binnen de gemeenten en begonnen al spoedig de ware christenen te verdrijven.

In de brief van de apostel Johannes aan Gajus lezen wij in 3 Johannes 1:9-10: „Ik heb aan de gemeente een en ander geschreven; maar Diotrefes, die onder hen de eerste tracht te zijn, ontvangt ons niet. Daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werken, die hij doet, daar hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermede nog niet voldaan, ontvangt hij zelf de broeders niet en weerhoudt ook hen, die het wel willen doen, en hij werpt hen uit de gemeente.” De ware christenen, die alleen de ware Gemeente vormden, werden uit de zichtbare, georganiseerde gemeenten gezet. Zij waren de verstrooiden van wie Johannes zei: „Daarom kent de wereld ons niet” (1 Johannes 3:1).

Zo is het vaak gegaan in de loop der eeuwen, dat de ware volgelingen binnen de gemeenschap in de minderheid raakten en de gemeenschap verlieten om elders als „klein kuddeke” Gods weg te blijven volgen.

De naam christen werd weggedragen of gekaapt door leiders die de Gemeente van God binnenslopen, zich van de plaatselijke gemeenten meester maakten en, in de naam van Christus, velen verleidden om hun dwaalleer te volgen alsof het het Evangelie van Christus was.

 

 

Het tijdperk der duisternis

 

Na de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 en de dood van de apostelen is men getuige van een vreemd verschijnsel. De ware Gemeente verdwijnt bijna uit de geschiedenis en valse kerken komen op!

De waarheid werd door dwalingen verduisterd!

Het lijkt of er een gordijn over de Gemeente hangt waardoorheen wij tevergeefs trachten te kijken; en wanneer het ten slotte opgaat, omstreeks 120 n.Chr., met de geschriften van de eerste ’kerkvaders’, zien wij een kerk die in vele opzichten sterk verschilt van die uit de dagen van Petrus en Paulus.

 

 

Het heidendom in de apostolische tijd

 

Het door de heilige geest geïnspireerde christendom bekeerde in de tijd van de apostelen vele mannen en vrouwen, die geestelijk verworden waren door de heidense gebruiken en feesten van de Romeinse staatsgodsdienst. Gelijktijdig met de snelle groei van het ware christendom werden ook tientallen andere religies in het Romeinse Rijk verbreid en vonden hun weg naar de hoofdstad Rome. De meeste van deze religies waren een poging de geestelijke leegte van de staatsgodsdienst door ’verlossers’ en zonaanbidding aan te vullen. De Romeinse keizers, die de noodzaak van een herleving van hun gedegenereerde systeem inzagen, lieten vele van deze sekten toe, waarvan Mithraïsme wel de belangrijkste was.

Tegen het einde van de eerste eeuw na Christus nam de invloed van het Mithraïsme toe, vooral in Rome. De hellenistische wereld identificeerde Mithras met de zonnegod Helius, de latere Romeinse keizertijd met de ‘onoverwinnelijke zon’ (Deus sol invictus).

Aangezien de valse geestelijkheid erop uit was invloed te verkrijgen en bekeerden naar zich toe te trekken, was hun natuurlijke neiging om het christendom aan de heersende verlangens van de geestelijk verworden menigten in het Romeinse Rijk aan te passen. Vandaar dat de afvallige christenen reeds vroeg dogma's ontwikkelden, die parallel liepen aan de mysteriën, die heidense vervalsingen waren van de weg van de ware Verlosser van deze wereld. Er waren dus nu heidense en ’christelijke’ mysteries om iedere klasse van de bevolking te misleiden.

Het Mithraïsme werd zo gunstig ontvangen dat het in staat was de christelijke wereld haar eigen Zon-Dag in plaats van de sabbat op te dringen en werd de verjaardag van hun zonnegod op 25 december als de geboortedag van Jezus ingevoerd, alsmede verschillende van haar paasgebruiken.

Dezelfde misleiding is sterk verankerd in onze tijd.

De valse geestelijkheid heeft ettelijke eeuwen nodig gehad om zich van de door God geïnspireerde zeden en gewoonten van de apostolische Gemeente te ontdoen. Geleidelijk aan introduceerden zij onder het mom van christelijke namen, eeuwenoude heidense gebruiken. Ze verwierpen Gods leiding en riepen een dictatoriale vorm van menselijk bestuur in het leven. Ze verdraaiden Gods geboden en het Evangelie van zijn Koninkrijk. De kerken mengen het geloof van de Bijbel met het heidendom en elke nieuwe ’reformatie’ heeft meer verwarring in de wereld gebracht onder het mom van „vernieuwde” waarheid. Heden ten dage verkeert de christelijke wereld in zulk een hopeloze verwarde toestand, dat geen van de kerken in staat is in te zien wat het Evangelie van Jezus Christus inhoudt. Ze hebben allemaal wel een klein deel van de waarheid in hun leerstellingen, maar veel meer dwalingen waardoor de velen bedrogen worden.

 

 

Het verwarde ’christendom’

 

Kunt u zich Jezus Christus voorstellen die compromissen met de farizeeën aangaat en met hen samenwerkt?

Het antwoord leidt onmiddellijk naar de vraag: wat is de oorsprong van verschillende religieuze overtuigingen? Wat is de godsdienstige autoriteit?

De meeste mensen zouden antwoorden dat God hun autoriteit is – de oorsprong van hun geloofsovertuigingen. Maar ís Hij dat? Zegt God de één zus en iemand anders zo te geloven? Hebben al de honderden, van elkaar verschillende en het met elkaar oneens zijnde sekten en kerkgenootschappen die zich ’christelijk’ noemen, hun diverse geloven van dezelfde bron ontvangen? Kennelijk niet!

Lees eens het gesprek tussen een ware christen en een trouwe gelovige van een andere godsdienst. Een discussie ontstond over de relatieve verdiensten van hun respectieve godsdiensten. Plotseling stelde de aanhanger van de andere religie: „Heeft u voldoende geloof in uw God om voor Hem te véchten?”

„Mijn God heeft me niet nodig om voor Hem te vechten,” antwoordde de christen.

„Wat? U vécht niet voor uw God,” riep de man van de andere religie ontsteld en ongelovig uit. „Maar wat voor soort God heeft u dat u niet voor Hem vecht? Iedereen van onze godsdienst heeft zoveel geloof in zijn god dat hij voor hem vechten wil!”

„Ja, dat weet ik,” antwoordde de christen, „U moet vechten om uw god te beschermen, omdat hij zichzelf niet kan beschermen of iets voor u kan doen. Maar mijn God is de Levende God – de Almachtige, Soevereine, Eeuwig Levende God. Mijn God strijdt voor mij. Mijn God is Soeverein, en daarom gehoorzaam ik Hem. Hij regeert over mij, en leidt mij op de weg die ik voor mijn eigen welzijn en geluk dien te gaan. Maar Hij doet ook bepaalde dingen voor mij. Hij zegt mij mijn vijanden lief te hebben – en Hij zal voor mij strijden. Hij leidt mij uit moeilijke situaties. Hij is een levende God – geen dode god. Hij doet bepaalde dingen voor me – dingen die ik voor mezelf niet zou kunnen doen. Ziet u,” ging de ware christen verder, „er is maar één levende God. Maar bijna alle mensen in de wereld aanbidden en dienen dode goden. Weer andere mensen verzinnen hun eigen goden. Hun goden zijn het werk van hun eigen handen – of de uitvinding van hun eigen verstand. Maar ik ben de schepping van mijn God! Ik heb Hém niet gemaakt – Hij heeft mij gemaakt.”

Nu zouden we al het antwoord moeten gaan zien op de vraag, hoe verschillende godsdienstige groeperingen zo ver van de bijbelse leer van God afgeweken zijn. Zij mogen wel iets van de bijbelse waarheid hebben, vermengd met veel dat van menselijke oorsprong of traditie is. Hun geloofsovertuigingen, hun gewoonten, zijn grotendeels de uitvindingen van ménsen. daarom voelen de mensen zich vrij hun geloof en hun manier van leven te veranderen en te wijzigen.

Maar, zou men kunnen vragen, hebben zij dan niet al hun ideeën uit de Bijbel gekregen? Het antwoord is een nadrukkelijk NEE!

Hebt u zich nooit afgevraagd waarom de mensen over hun verschillende interpretaties van de Bijbel praten? Neem bijvoorbeeld Romeinen 6:23: „Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.” De meeste ’christelijke’ godsdiensten interpreteren dit – d.w.z. zij veranderen er de betekenis van en laten het precies het tegenovergestelde zeggen. Zij beweren dat de mens een „onsterfelijke ziel” is. De mens, zo beweren zij, hééft daarom al eeuwig leven – hij kan niet sterven! En dus veranderen zij de betekenis van dat vers om het in overeenstemming met hun foutief geloof te brengen – zij interpreteren dit vers op zo'n manier dat het precies de tegenovergestelde betekenis krijgt van wat het zégt, als volgt: „Het loon van de zonde is eeuwig leven [in de hel] en eeuwig leven is niet de gave van God.”

Weer anderen interpreteren ’dood’ als „afzondering van God,” en „gave van het eeuwige leven” als „eeuwig leven dat geen gave is, maar dat u reeds bezit, doorgebracht in de geografische aanwezigheid van Christus.”

Dit is het onoprechte procedé waardoor godsdienstige groeperingen de Bijbel laten zeggen wat ze hem willen laten zeggen. Petrus zegt van dit verdraaien en verwringen van de Heilige Schrift in 2 Petrus 3:16-17: „Evenals in alle brieven, wanneer hij [Paulus] over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan [voor de rebellen], wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften. Geliefden, daar gij het nu van tevoren weet, weest op uw hoede, dat gij niet, door de dwaling der zedelozen medegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid.”

Wat bepaalt wie of wat uw God is? In feite beseffen de meeste mensen het juiste antwoord niet. Wie of wat u ook aanbidt, uw genegenheid aan hecht, en dient, dat is uw god.

Iemands vaderland kan – en dat is vaak het geval – iemands god worden. Door een verkeerd soort patriotisme, aanbidden velen hun land. Hier is een definitie in Openbaring 13:4: „En zij aanbaden de draak [Satan], omdat hij aan het beest [het spoedig komende Europees Romeinse rijk] de macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? en: Wie kan er oorlog tegen voeren?”

Patriotisme van het juiste soort is goed. Met onbaatzuchtige deelneming, zijn land loyaal dienen, in een geest van eerbied en dankbaarheid voor wat het ons geschonken heeft.

1 Petrus 2:13: „Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer.”

Geef eer aan wie eer toekomt. Maar we moeten van ons land géén god maken!

Satan werpt zich op als de god van deze wereld.

2 Corinthiërs 4:4: „Ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.”

De mensen stellen zich Satan niet als de duivel voor – maar als hun god. Satan doet zich voor als een engel des lichts en van de waarheid – niet als een duivel.

2 Corinthiërs 11:13-15: „Want zulke lieden zijn schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken.”

Satan heeft vele dienaren die hem als god dienen, en die apostelen van Christus en dienaren der gerechtigheid beweren te zijn – maar met een verdraaid evangelie en een ándere Jezus.

2 Corinthiërs 11:4: „Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel.”

De mensen dienen Satan, gehoorzamen Satan, geloven dat hij God is, nemen zijn leugens aan, geloven erin en noemen ze waarheid.

Wie of wat u ook dient en gehoorzaamt wordt uw god.

Romeinen 6:16: „Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid [aan Gods wet] tot gerechtigheid?”

2 Petrus 2:19: „Vrijheid spiegelen zij hun voor, hoewel zij zelf slaven des verderfs zijn; immers, door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men.”

De naam – of titel – ’Heer’, betekent meester, of heerser, of diegene wie u gehoorzaamt. Begrijpt u niet wat Jezus bedoelde toen Hij zei in Lukas 6:46: „Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg?”

Door Jezus ’Heer’ of ’Meester’ te noemen, geeft u aan dat Hij diegene is wie u gehoorzaamt, maar als u Hem zo noemt terwijl u Hem niet gehoorzaamt, is dat liegen!

De enige en ware God is de eeuwig levende God die heerst door zijn geestelijke Wet van Liefde, samengevat in de Tien Geboden – en die daadwerkelijk veel doet voor diegenen die Hem gehoorzamen en op Hem vertrouwen!

De ene ware God is dezelfde levende God die Noach in het bouwen van de ark leidde – die Noach en zijn familie van de zondvloed redde.

Hij is de levende God die Abraham gehoorzaamde, en in wie Abraham vertrouwen had – die de beloften gaf!

Hij is dezelfde God die Jozef leidde en hem voorspoed gaf – hem beschermde, verloste en beloonde – omdat Jozef Hem gehoorzaamde.

Hij is dezelfde levende God die plagen op de Egyptenaren liet neerkomen om hen te leren dat hun goden valse goden waren, en dat Hij de enige God is die hen kon helpen – die iedere eerstgeborene in het land Egypte doodde, maar aan de deur van de Israëlieten voorbijging, hen van de dood spaarde, hen uit slavernij verloste en de wateren van de Rode Zee scheidde.

Hij is dezelfde God die David als knaap leidde, toen hij afging op de ruim drie meter lange Goliath, die het aangedurfd had de levende God te bespotten.

Hij is dezelfde levende God die voor Juda's koning Hizkia tegen de legers van Assyrië vocht toen de Assyriër Salmaneser de macht van de eeuwig levende God loochende.

Hij is dezelfde levende God die voor Juda slag leverde toen de Joden door de legers van drie geallieerde vijanden aangevallen werden – als gevolg van gehoorzaamheid en geloof van koning Josafat – de God die zei (2 Kronieken 20:15): „Luistert, geheel Juda en inwoners van Jeruzalem en koning Josafat! Zo zegt de HERE tot u: weest niet bevreesd en wordt niet verschrikt voor deze grote menigte, want het is geen strijd van u, maar van God.”

Hij is dezelfde levende God die te hulp kwam om Sadrach, Mesach en Abednego uit de brandende vuuroven te redden, toen zij gehoorzaamden en in Hem vertrouwden, door tegen de koning te zeggen (Daniël 3:17): „Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning, bevrijden.”

Wordt het niet tijd dat we ons de vraag stellen: Is dit de God van de diverse godsdiensten en sekten die het met hun geloof op een akkoordje gooien bij het aangaan van compromissen?

De Eeuwige God is de lévende God die heel spoedig in het gericht tegen de naties zal opstaan – tegen deze godsdiensten – die Hem verloochenen, Hem ongehoorzaam zijn, die in iedereen en alles vertrouwen hebben behalve in Hem, en in feite dode goden dienen in de vorm van verzonnen goden, belangen, eigen werk, sport, vermakelijkheden, liefde voor het geld, hoogmoed, ijdelheid en zelfzucht.

God te dienen en te gehoorzamen is de weg te gaan die naar vrede, geluk, voorspoed en vreugde leidt. De ware christen is daarvan overtuigd!

De dag van de afrekening komt met rasse schreden op deze rebellerende wereld af. God heeft dat bekend genaakt via zijn knechten en profeten. U kunt niet zeggen dat u het niet wist!

Amos 3:7: „Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten.”

Hij heeft het geopenbaard – de Gemeente van God heeft het verkondigd!

 

 

Waar is de ware Gemeente?

 

De geschiedschrijvers hebben de ware Gemeente uit het oog verloren. Maar zij is vanaf de tijd van Christus tot nu toe blijven bestaan. Weinig mensen weten waar zij haar kunnen vinden. Twee miljard mensen volgen een valse god en een valse christus en weten niet van het bestaan van de ware Gemeente van God.

Wilt u verder geïnformeerd worden over de ware Gemeente van God, zie dan onze publicaties:

’De Geschiedenis van de Gemeente van God’;

’Waar gingen de oorspronkelijke apostelen en discipelen heen?’;

’Waar heeft God zijn Naam gevestigd’;

’Gelooft u de Bijbel of het christendom?’;

’De nieuwtestamentische Gemeente’.



Terug naar de Home Page

 

web
analytics