Voor literatuurlijst klik hier.

 

Paulus over haar
en hoofdbedekking

 

Hebben we Paulus goed begrepen in zijn
eerste brief aan de CorinthiŽrs waar hij
opmerkingen maakt over de lengte van
het haar en over de hoofdbedekking?
Waarover gaan de eerste verzen van het
11e hoofdstuk van 1 Corinthe? Zegt
Paulus in hoofdstuk 11 van 1 Corinthe
dat een vrouw tijdens het bidden een
hoedje moet opzetten?

 

Misschien hebt u geleerd dat het helemaal niet over hoofdbedekking gaat en alleen maar over de haardracht van man en vrouw. Of moeten we Paulus' instructies plaatsen in de tijd waarin hij leefde? Of maakt het eigenlijk niet uit of heeft dit schriftgedeelte juist een diepere betekenis?

1 Corinthe 11:5  Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. 6  Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken.

Of wordt hier bedoeld dat een vrouw lang haar moet dragen? Het is waar dat een man zijn haar kort moet houden en het haar van een vrouw lang behoort te zijn (verzen 14 en 15).
Maar waar gaat het hier over?
Dat gaan we hierna vaststellen, maar vooreerst kunnen we uit de verzen 5 en 6 concluderen dat hier met het bedekken van het hoofd niet hetzelfde wordt bedoeld als lang haar dragen. En 'blootshoofds' of 'het hoofd niet gedekt' evenmin hetzelfde is als kort haar of kaalgeschoren.
In vers 5 wordt een vergelijking gemaakt tussen twee verschillende dingen: een vrouw die blootshoofds bidt en een vrouw die haar hoofd heeft kaalgeschoren. Zij doet daarmee haar hoofd schande aan. 'Blootshoofds' is een vertaling van twee Griekse woorden: 1) akata'kaluptos, bn: niet bedekt, ongesluierd; 2) kepha'le, zn: hoofd. Samengevoegd: niet bedekt, ongesluierd hoofd. Paulus heeft het dus over een hoofdbedekking wanneer ze bidt. In vers 6 staat: Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken. Ook weer twee dingen die met elkaar worden vergeleken. Als de zinsnede "indien een vrouw zich het hoofd niet dekt" zou betekenen: als een vrouw kort geknipt haar heeft, waarom wordt de zin dan vervolgd met: "moet zij zich ook maar het haar laten afknippen"? Als letterlijk wordt bedoeld dat een vrouw die het hoofd niet dekt hetzelfde is als een vrouw met kort geknipt haar, dan zou er eigenlijk staan in vers 6: Want indien een vrouw haar haar kort geknipt heeft, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen.
Er wordt een vergelijking gemaakt. Paulus gaat er volgens vers 6 van uit dat ze lang haar heeft en dat moet kennelijk bedekt worden wanneer ze bidt. Dit blijkt ook uit het vervolg van vers 6 waar staat: aangezien kort haar voor een vrouw een schande is, is het ook een schande als zij zonder hoofdbedekking bidt. Een vergelijking.  Paulus zegt twee dingen:

  1. Een vrouw behoort geen kort haar te dragen, want dat is een schande voor haar hoofd. Maar, hij zegt dit om het volgende punt duidelijk te maken.
  2. Een vrouw behoort haar hoofd te bedekken wanneer ze bidt. Als ze dat niet doet dan kun je haar vergelijken met een vrouw met kort haar en dat is een schande, schrijft hij.

Het is duidelijk dat het om een hoofdbedekking gaat bovenop het lange haar van een vrouw.
Wat betekent dit? Er ligt een principe aan ten grondslag. Dat een vrouw lang haar behoort te dragen en dient te bidden met een hoofdbedekking is gebaseerd op een grondbeginsel van gezag.
Dit beginsel beschrijft Paulus in de verzen 1-15. In vers 3 definieert hij het principe: 

1 Corinthe 11:1  Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg. 2  Ik prijs het in u, dat gij in alles aan mij gedachtig blijft en aan de overleveringen zo vasthoudt, als ik ze u overgegeven heb. 

Maar toch maakt Paulus een punt. En dat is het grondbeginsel van dit gedeelte van de brief. 

Vers 3  Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God. 

Paulus schrijft niet over de laatste haarmode, dat is niet het onderwerp. Nee, het gaat hier over de regeringsvorm van God, in deze volgorde: God, Christus, de man, de vrouw.
Met het hoofd wordt het hele lichaam bestuurd. In het hoofd zetelt het bestuurscentrum, onze hersens. Dit gebruikt God symbolisch om de hiŽrarchie weer te geven. Paulus vergelijkt dan het hoofddeksel met een macht.

Vers 10  Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen.

Als een vrouw haar hoofd bedekt wanneer ze bidt dan geeft ze aan dat er een macht boven haar staat: de man. Wanneer ze bidt zonder hoofdbedekking doet ze haar hoofd schande aan. Natuurlijk letterlijk haar eigen hoofd, dat in zo'n situatie wordt vergeleken met een kaalschoren hoofd en dat is schande. Maar ze doet ook haar man schande aan, die is immers haar hoofd. Zij werpt het teken van haar onderwerping af. Zij zou met dezelfde bedoeling zich het haar kunnen afknippen en het kort dragen, zoals de mannen. Wanneer ze zonder hoofdbedekking bidt, negeert ze de man in rangorde van gezag. De hoofdbedekking, in die tijd meestal een sluier, is een teken van een macht, waaronder zij staat, namelijk die van de man, aan wie zij ondergeschikt is, die haar als hoofd is gegeven.
De orde, waarin de goddelijke wijsheid mensen en dingen geplaatst heeft, is de beste en geschiktste. Een vrouw moet niet haar hoofd onteren, want dat is in de diepste grond God onteren.
Boven de man staat geen fysiek wezen, hij is alleen onderworpen aan Christus. Daarom bidt hij blootshoofds. 

Vers 4  Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan.

Als hij het hoofd zou bedekken, dan was te zien, dat hij zich voor afhankelijk en onderworpen verklaart, terwijl men, als het onbedekt blijft, zou opmerken, dat hij aan niemand dan alleen aan Christus onderworpen is.
Daarom, omdat de verhouding van de vrouw tot de man is, zoals zo-even werd voorgesteld, moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, in de sluier een teken dragen, dat de macht van een ander over haar is.
In vers 10 staat dat zij dit doet vanwege de engelen.  

Vers 10  Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. 

Vergelijk een schriftgedeelte van Jesaja hiermee. 

Jesaja 6:1  In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. 2  Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. 3  En de ťťn riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. 

Er is een vergelijking tussen God en zijn relatie tot de engelen en de man en zijn relatie tot de vrouw en daarom moet de vrouw het teken van haar onderdanigheid steeds dragen "vanwege de engelen" omdat de apostel herinnert aan de diepe eerbied van de Serafs, die hun aangezicht voor God met hun vleugelen bedekken, terwijl Gods aangezicht ongedekt is. Zoals de engelen in verhouding tot God staan, zo staat de vrouw in verhouding tot de man. De engelen zijn als hulp voor God geschapen, de vrouw als hulp voor de man. Laten we het vers nog eens lezen. 

1 CorinthiŽrs 11:10  Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. 

Waarom? Het vers begint met ’daarom’. De reden moet dus staan in het voorafgaande.  

Vers 8  Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. 9  De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 

God is niet uit de engelen, maar de engelen zijn uit God voortgekomen. Eva is uit een rib van Adam gemaakt. Er staat twee keer het woord ’om’ wat een vertaling is van het Griekse dia, dat door, doorheen, wegens, vanwege, om betekent, maar letterlijk betekent ’dia’ door iets heen, zodat men er uit komt. Denk aan een dia-afbeelding. Niet de man is een ’dia-afbeelding’ van de vrouw, maar andersom. De vrouw is immers uit de man gemaakt. ’Door de man gegaan en er uit gekomen’. Het is opmerkelijk dat in vers 10 het woord ’vanwege’ eveneens een vertaling van het Griekse dia is. De vrouwen zijn in deze vergelijking die Paulus maakt ook een ’dia-afbeelding’ van de engelen. De betekenis is dus: zoals de engelen gemaakt zijn om of ten behoeve van God, zo is de vrouw gemaakt als een ’dia’ van de man ten behoeve van de man. De hoofdbedekking is een teken dat er een ’macht’ (de man) boven haar staat. Vanwege de engelen: als een ’dia-afbeelding’ van de engelen die God als ’macht’ boven hen hebben.
Het vrije ongedekte hoofd is het teken van onafhankelijkheid en heerschappij, het gedekte en omhulde van onderworpenheid, zoals ook reeds de lange haren zo’n teken van onderwerping zijn. Met betrekking tot heerschappij en onderdanigheid is de vrouw die van de man, want uit de rib van de man is de vrouw geschapen.
Maar hoe zit het nu, moet een vrouw, telkens wanneer ze bidt haar hoofd bedekken met een hoed, doek, muts of sluier?
Het behoorde in de tijd toen Paulus leefde tot de goede zeden, dat een vrouw in openbare samenkomsten zich met een sluier bedekte. Sommigen echter schijnen, uit een soort emancipatiegeest, wanneer ze gingen bidden in de gezamenlijke bijeenkomsten het hoofd onbedekt te hebben gehouden, om in alles zoveel mogelijk gelijk te zijn aan de man. Paulus’ vermaning richt zich hier tegen. Zonder in het minst de vrouwelijke waardigheid tekort te doen, handhaaft hij de instelling van God, dat de vrouw onderworpen is aan de man. Zeker, man en vrouw zijn beiden naar Gods beeld geschapen, waardoor ze heerschappij voeren over heel de aarde.
De volgende verzen illustreren nog eens de gezagsstructuur. 

Kolossensen 1:18   en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is.
Efeze 4:15  maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus.
Efeze 5:23  want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente; Hij is het, die zijn lichaam in stand houdt.
1 Corinthe 3:23  doch gij zijt van Christus, en Christus is van God.
1 Corinthe 15:28  Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
Johannes 14:28  Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb; Ik ga heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.
 

Behalve het vers van Johannes, zijn al deze schriftgedeelten uit Paulus' brieven. Hij vindt het kennelijk nodig hieraan aandacht te besteden.
Waarschijnlijk hadden gebeurtenissen te Corinthe aanleiding gegeven om uitvoerig aan deze gemeente instructies te geven. Misschien was daar de neiging, om uit een vals begrip van vrijheid de juiste grenzen uit het oog te verliezen, dat de vrouwen hun plaats vergaten en dit ook in het uiterlijke lieten zien. De vrouwen te Corinthe overschreden mogelijk de grenzen, dat zij in de vergaderingen van de gemeente met ongedekt hoofd biddend en profeterend optraden.
In bijeenkomsten van de gemeente, behoort een vrouw haar hoofd te bedekken als ze bidt en profeteert. Hiermee wordt niet bedoeld een gebed waarin een man de woordvoerder is. Maar als het een heilige sabbatsamenkomst betreft mag ze zelfs niet spreken.
De apostel keurt beide af, zowel het optreden om te bidden en te profeteren in de heilige samenkomsten, als het verwijderen van de sluier of andere hoofdbedekking op elke andere bijeenkomst. 

1 Corinthe 14:33   want God is geen God van wanorde, maar van vrede. 34  Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. 

Zwijgen heeft betrekking op preken, profeteren en onderwijzen. Vanzelfsprekend neemt ze bijv. deel aan de gezangen. 

1 TimotheŁs 2:12   maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft [op de sabbat] of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. 13  Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. 

Buiten de heilige samenkomsten zijn er voor vrouwen belangrijke taken weggelegd. Het echtpaar Aquila en Priscilla bleken nuttig in het onderwijs. De vrouw wordt met name genoemd. Er waren in de eerste gemeente behalve profeten ook profetessen.  

Handelingen 11:27  En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te AntiochiŽ; 28  en ťťn uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius. 29  En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden.

Profeten spreken hun profetieŽn uit tegenover anderen. Profeteren doe je dus in gezelschap.  

Handelingen 21:10  En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus. 11  Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen. 12  Toen wij dit hoorden, verzochten zowel wij als de broeders daar ter plaatse hem, niet op te gaan naar Jeruzalem. 

Hier komen we dezelfde Agabus weer tegen. We lezen niet dat het profeteren in een sabbatdienst plaatsvond. Een profeet heeft een goddelijke boodschap voor ťťn persoon of een groep. Agabus behoorde tot een groep profeten uit Jeruzalem. Nu waren er in die dagen ook profetessen. Dat kunnen we lezen als we een paar verzen teruggaan. 

Handelingen 21:8   En de volgende dag gingen wij vandaar en kwamen te Caesarea; en gekomen in het huis van Filippus, de evangelist, die behoorde tot de zeven, bleven wij bij hem. 9  Deze had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren. 

Deze vrouwen profeteerden. En zoals gezegd, dat doe je niet in je eentje. De profetie is voor een ander of anderen. Profeteren moet stichtend zijn, opbouwend en onderwijzend of door een goddelijke ingeving het voorzeggen van toekomende dingen. Wanneer een profetes profeteert, dient ze dat met bedekt hoofd te doen om te tonen dat ze in de gezagsordening niet gelijk aan de man is. Ze zullen niet tijdens een samenkomst op een sabbat geprofeteerd hebben, want dan behoort een vrouw te zwijgen.
Zal een huwelijk gelukkig en voor God welgevallig zijn, dan moet 1) de man Christus als zijn hoofd erkennen en zich door Hem, door zijn Geest laten besturen; 2) moet hij tonen het hoofd van de vrouw te zijn en zijn vrouw goed besturen; 3) de vrouw moet de man als haar hoofd erkennen en zich betamelijk aan hem onderwerpen en niet de leiding proberen te nemen.
In het huwelijk behoort de man leiding te geven, maar niet zo, dat zij schuw en vreesachtig wordt; de man moet haar behandelen als broos vaatwerk zegt Petrus; diegene die bestuurt draagt ook een grotere verantwoording en moet dus extra voorzichtig zijn.
Vanzelfsprekend moet de vrouw zich niet domweg overleveren vanwege haar ondergeschikte positie aan een gewetenloze of onbezonnen man. Als haar man een dronkaard of een drugsverslaafde is zal ze ter bescherming van haar zelf en het gezin dikwijls de touwtjes in handen moeten nemen. In de Bijbel staat een voorbeeld van AbigaÔl.

1 SamuŽl 25:2  Nu woonde er in Maon een man, die te Karmel zijn bedrijf had. Die man was zeer rijk: hij bezat drieduizend schapen en duizend geiten. Hij was te Karmel bij het scheren van zijn schapen. 3  De man heette Nabal en zijn vrouw AbigaÔl. De vrouw had een goed verstand en was schoon van gestalte, maar de man was hard en ruw in zijn optreden. Hij was een Kalebiet. 4  Toen David in de woestijn hoorde, dat Nabal zijn schapen schoor, 5  zond hij tien mannen en David zeide tot de mannen: Gaat naar Karmel en begeeft u naar Nabal. Vraagt hem uit mijn naam naar zijn welstand 6  en zegt dit: Gegroet! Vrede zij u, vrede zij uw familie, vrede zij over al wat gij bezit. 7  Nu dan, ik heb gehoord, dat men bij u aan het scheren is. Nu zijn wij uw herders, die bij ons hebben vertoefd, niet lastig gevallen en nooit hebben zij iets gemist zolang zij te Karmel waren. 8  Vraag uw knechten, dan zullen zij het u bevestigen. Wil daarom aan deze mannen gunst betonen; wij zijn immers op een feestdag gekomen. Geef toch uw dienaren en uw zoon David, wat gij voor de hand hebt. 9  Toen de mannen van David daar gekomen waren, spraken zij tot Nabal uit naam van David alles wat hun opgedragen was, en wachtten af. 10  Maar Nabal antwoordde de dienaren van David: Wie is David? En wie is de zoon van IsaÔ? Er zijn tegenwoordig veel knechten, die van hun heer weglopen. 11  Zou ik dan mijn brood, mijn water en wat ik voor mijn scheerders geslacht heb, nemen en aan lieden geven, van wie ik niet weet, waar zij vandaan komen? 12  Toen maakten de mannen van David rechtsomkeert, kwamen terug en berichtten hem alles wat er gebeurd was. 13  Daarop zeide David tot zijn manschappen: Ieder gorde zijn zwaard aan. Toen gordde ieder zich het zwaard aan; ook David zelf gordde zijn zwaard aan. Daarna trokken ongeveer vierhonderd man op achter David, terwijl er tweehonderd bij het pakgoed bleven. 14  Maar aan AbigaÔl, de vrouw van Nabal, had ťťn van de knechten meegedeeld: Zie, David heeft uit de woestijn boden gezonden om onze heer te begroeten en hij is tegen hen uitgevaren. 15   Toch zijn die mannen zeer goed voor ons geweest; zij zijn ons niet lastig gevallen en wij hebben niets gemist al de tijd, dat wij in het veld waren en in hun nabijheid op en neer trokken. 16  Een muur waren zij om ons heen, zowel bij nacht als bij dag, al de tijd, dat wij in hun nabijheid de schapen weidden. 17  Nu dan, weet wel wat u te doen staat, want over onze heer en over zijn gehele huis is het onheil vast besloten, en hij is een man van niets, men kan met hem niet spreken. 18  Toen nam AbigaÔl haastig tweehonderd broden, twee kruiken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroosterd koren, honderd rozijnenkoeken en tweehonderd klompen vijgen, laadde die op ezels, 19   en zeide tot haar knechten: Trekt voor mij uit; zie, ik kom achter u aan. Maar haar man Nabal deelde zij het niet mee. 20  Toen zij, gezeten op de ezel, door een bergkloof omlaag reed, zie, David en zijn mannen daalden af, haar tegemoet, en zij stond voor hen. 21  David nu had gezegd: Ik ben er geheel bedrogen mee uitgekomen, dat ik alles beschermd heb wat deze in de steppe had, zodat hij niets mist van al wat hij bezit; hij heeft mij kwaad voor goed vergolden. 22  Zo moge God aan de vijanden van David doen, ja nog erger, indien ik, eer het morgen is, van al wat hij bezit, ook maar ťťn man in leven laat. 23  Toen AbigaÔl David zag, sprong zij haastig van de ezel af en wierp zich vlak voor David op haar aangezicht; zij boog zich ter aarde, 24  wierp zich voor zijn voeten neer en zeide: Op mij, mijn heer, rust de schuld. Laat uw dienstmaagd toch tot u mogen spreken, en hoor de woorden van uw dienstmaagd aan. 25   Mijn heer store zich niet aan deze man van niets, aan Nabal, want zoals zijn naam is, is hij: Nabal heet hij en een dwaas is hij. Maar ik, uw dienstmaagd heb de mannen die mijn heer gezonden heeft, niet gezien. 26  Nu dan, mijn heer, zo waar de Here leeft en zo waar gij zelf leeft, die de Here ervoor bewaard heeft bloedschuld op u te laden en het recht in eigen hand te nemen, nu dan, moge het uw vijanden en hun die kwaad tegen mijn heer beramen, vergaan als Nabal. 27  Dit geschenk dan, dat uw slavin aan mijn heer brengt, moge aan de mannen gegeven worden, die in het gevolg van mijn heer zijn. 28   Vergeef toch de overtreding van uw dienstmaagd, want de Here zal voor mijn heer zeker een bestendig huis maken, omdat mijn heer de oorlogen des Heren voert en er geen kwaad bij u gevonden wordt, uw leven lang. 29  Mocht ooit een mens zich opmaken om u te vervolgen en u naar het leven te staan, dan zal de ziel van mijn heer gebonden zijn in de bundel der levenden bij de Here, uw God, maar de ziel uwer vijanden zal Hij wegslingeren uit de holte van de slinger. 30  Als nu de Here mijn heer doet naar al het goede dat Hij u heeft toegezegd en u tot vorst over IsraŽl aanstelt, 31  dan zal het mijn heer niet tot een struikelblok of zijn hart tot een aanstoot zijn, dat mijn heer zonder oorzaak bloed vergoten en zichzelf recht verschaft zou hebben. En als de Here aan mijn heer wel gedaan heeft, denk dan aan uw dienstmaagd. 32  Toen zeide David tot AbigaÔl: Geprezen zij de Here, de God van IsraŽl, die u op deze dag mij tegemoet gezonden heeft; 33  geprezen zij uw verstand en gezegend zijt gij zelf, dat gij mij op deze dag ervan weerhouden hebt om bloedschuld op mij te laden en het recht in eigen hand te nemen. 34  Maar zo waar de Here, de God van IsraŽl, leeft, die mij ervoor bewaard heeft u kwaad te doen; Indien gij mij niet haastig tegemoet gekomen waart, er zou bij Nabal niet een man in leven gebleven zijn, eer het morgenlicht aanbreekt. 35   Toen nam David van haar aan, wat zij hem bracht, en zeide tot haar: Ga in vrede naar uw huis terug; zie, ik luister naar u en ben u welgezind. 36  AbigaÔl kwam bij Nabal en zie, hij had in zijn huis een feestmaal, als het feestmaal van een koning. Nabal was in een vrolijke stemming en hij was zwaar beschonken. Daarom vertelde zij hem hoegenaamd niets, eer het morgenlicht aanbrak. 37  De volgende morgen echter, toen de roes van Nabal geweken was, vertelde zijn vrouw hem deze dingen. Toen stokte zijn hart in zijn binnenste en hij werd als een steen. 38  En na ongeveer tien dagen sloeg de Here Nabal, zodat hij stierf. 

Veel mannen, vooral in onze tijd, nemen geen leiding, maar laten dat over aan de vrouw. Daarover staat ook een voorbeeld in de Bijbel. Een vrouw, die ook profetes was, leidde IsraŽl als richter.  

Richteren 4:1  Nadat Ehud gestorven was, deden de IsraŽlieten opnieuw wat kwaad is in de ogen des Heren.  

Jabin, een Kanašnitische koning, onderdrukte Gods volk vanuit Hasor. Jozua had deze Noord-IsraŽlitische stad destijds veroverd en verbrand. 

Vers 2  Toen gaf de Here hen over in de macht van Jabin, de koning van Kanašn, die regeerde te Hasor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Charoset-haggojim woonde. 3  En de IsraŽlieten riepen tot de Here, want hij bezat negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de IsraŽlieten wreed verdrukt, twintig jaar. 4  De profetes Debora, de vrouw van Lappidot, richtte destijds IsraŽl; 5  zij was gewoon zitting te houden onder de Deborapalm tussen Rama en Bet-el op het gebergte van EfraÔm, en de IsraŽlieten kwamen bij haar voor een rechterlijke uitspraak. 6  Zij nu ontbood Barak, de zoon van Abinoam uit Kedes in Naftali, en zeide tot hem: Heeft de Here, de God van IsraŽl, niet geboden: ga heen, trek naar de berg Tabor en neem met u tienduizend man Naftalieten en Zebulonieten, 7  en Ik zal aan de beek Kison Sisera, de krijgsoverste van Jabin, naar u toe voeren met zijn strijdwagens en zijn troepen, en Ik zal hem in uw macht geven? 8  Barak echter zeide tot haar: Indien gij met mij gaat, zal ik gaan, maar indien gij niet met mij gaat, ga ik niet. 9  Zij zeide: Ik ga met u mee, maar gij zult geen eer behalen op de tocht die gij onderneemt, want in de macht van een vrouw zal de Here Sisera overgeven. Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes. 

Er was inderdaad een vrouw met de naam JaŽl die de legercommandant Sisera uitschakelde. God schonk IsraŽl de overwinning. Deze vrouwen namen de verantwoording, waar mannen het lieten afweten. 

Richteren 5:7  leiders ontbraken in IsraŽl, ja, zij ontbraken, totdat ik opstond, Debora opstond als een moeder in IsraŽl. 

Tegelijkertijd moedigt Debora de mannen aan om als leiders zich in dienst te stellen van de natie. 

Vers 9  Mijn hart gaat uit naar de aanvoerders van IsraŽl, naar hen die vrijwillig zich aanboden onder het volk, prijst de Here!

Een hele generatie profiteerde van haar optreden. IsraŽl had 40 jaar vrede.
De man behoort zijn verantwoordelijkheid te nemen als leider en zich daarin te bekwamen, daarbij geholpen door zijn vrouw. Vanzelfsprekend mag de man geen misbruik maken van zijn positie. En evenmin van zijn fysieke kracht. Christus maakt duidelijk dat een leider geen overheerser mag zijn zoals we dat in de wereld kennen. Leiding geven betekent dienen. Vergelijk de voetwassingceremonie (Joh. 13:1-17).
De eerstelingen van God zullen aangesteld worden in Gods Koninkrijk als koningen en priesters, ongeacht hun geslacht vůůr de opstanding.
Regeren is dienen en niet autoritair gezag uitoefenen. Met liefde – het belang van de ander hoger achten dan je eigen belang. 

1 Petrus 3:7  Desgelijks gij, mannen, leeft verstandig met uw vrouwen, als met brozer vaatwerk, en bewijst haar eer, daar zij ook mede-erfgenamen zijn van de genade des levens, opdat uw gebeden niet belemmerd worden. 

De vrouw is ook erfgenaam; haar belofte is niet minder dan die van de man. Zowel mannen als vrouwen moeten leren om dienend hun functie te vervullen in de positie waarin God hen heeft geplaatst. Het kort geknipte haar van de man herinnert ons daaraan en het lange haar van een vrouw evenzo. En wanneer een vrouw in het openbaar bidt of profeteert, zou mogelijk iemand kunnen denken dat ze op dat moment niet meer onder de man staat, maar haar hoofdbedekking schept duidelijkheid.
God heeft de man mannelijk geschapen en de vrouw vrouwelijk. Paulus zegt dat de man zijn haar kort dient te dragen en de vrouw lang. Laat men aan de natuur, aan de natuurlijke aard en aanleg van de geslachten de vrije loop, dan blijkt dat bij een vrouw het hoofdhaar langer groeit dan bij de man. Bijna zonder uitzondering bij alle volken en in alle tijden heeft zich aan dit natuurlijk feit ook het natuurlijk gevoel vastgeknoopt, dat het voor de man een oneer is als hij lange haren draagt, omdat het hem als een vrouw doet uitzien en omgekeerd voor de vrouw een eer, als zij lange haren draagt, omdat dit met de vrouwelijke aard in overeenstemming is.
Speciale geloften vallen buiten dit onderwerp (Num. 6:1-5; Richt. 13:2-5; Hand. 18:18). Deze hadden echter hun grond in bijzondere omstandigheden, in een bijzondere gelofte van afhankelijkheid, die de NazireeŽr op zich nam.
Petrus waarschuwt voor ijdelheid van vrouwen, dat zich ook kan uiten in haar haardracht. 

1 Petrus 3:1  Evenzo gij, vrouwen, weest uw mannen onderdanig, opdat, ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn, zij door de wandel hunner vrouwen zonder woorden gewonnen worden, 2  doordat zij uw reine en godvrezende wandel opmerken. 3  Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van haar, het omhangen van goud of het dragen van gewaden, 4  maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God. 5  Want aldus tooiden zich ook weleer de heilige vrouwen, die hoopten op God, onderdanig aan haar mannen, 6  zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen.
1 TimotheŁs 2:9  Evenzo, dat de vrouwen zich sieren met waardige klederdracht, zedig en ingetogen, niet met haarvlechten en goud of paarlen en kostbare kleding, 10   maar (zo immers betaamt het vrouwen, die voor haar godsvrucht uitkomen) door goede werken. 

In andere schriftgedeelten van de bijbel wordt het dragen van kostbare kleding en sieraden niet veroordeeld. Het gaat hier natuurlijk over pronken. Een mens kan ook in kostbare kleding bescheiden blijven. Haarvlechten en misschien ook hoe ze werden opgemaakt zullen in de toen heersende mode van Paulus' tijd als buitensporig gezien zijn. Een vorm van aandacht trekken. In latere eeuwen droegen meisjes en vrouwen – vooral in bepaalde religieuze kringen – haarvlechten om vooral niet te pralen. Het werd beschouwd al een sobere dracht. In andere kringen waren en zijn zowel mannen als vrouwen praalziek met hun uitbundig gevlochten – soms bijna geweven – haardos. Het principe is: zoek geen (valse) eer of aandacht met uiterlijkheden.
Petrus beweert niet dat een ander kapsel – bijv. vlechten – niet zou mogen. Maar vergis je niet, zegt hij, want de echte aantrekkelijkheid is geen uiterlijke kwaliteit. Dat zit in het hart. Petrus waarschuwt hier tegen alle onmatige en al te overdreven versieringen, waartoe het vrouwelijk geslacht vaak geneigd is.
Er zijn cultuurverschillen tussen volkeren en tijden. Gesluierd of met gedekt hoofd is in oostelijke landen een teken van schaamte of van onderwerping, in tegenstelling tot onze gewoonten, waar het blootshoofds zijn onderwerping aangeeft en het gedekte hoofd meerderheid en gezag. Toch doen we er goed aan de schriftgedeelten van Paulus over dit onderwerp te nemen zoals ze er staan, anders gaat het begrip verloren. Paulus noemt immers de hoofdbedekking een macht; als de vrouw haar hoofd bedekt, bevestigt ze dat ze onder het gezag van de man staat.
Paulus geeft verder uitleg in de verzen 7-15 van 1 Cor. 11. 

1 Corinthe 11:7  Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. 8  Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. 9  De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10   Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen. 11  En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. 12   Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God. 13  Oordeelt zelf: is het voegzaam, dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt? 14  Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is, 15  doch dat, indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot een sluier gegeven. 

De man is het beeld en de heerlijkheid van God en de vrouw de heerlijkheid van de man.
Heerlijkheid betekent majesteit, voortreffelijkheid, pracht. Bij de man staat behalve 'heerlijkheid' ook 'beeld'. De man is immers direct door God geschapen naar Gods beeld, de vrouw indirect, want zij is uit de man. Natuurlijk is zij het beeld Gods, omdat zij uit de man is, die naar Gods beeld is geschapen. Genesis bevestigt dit.
God heeft de taken verdeeld tussen man en vrouw. De man wordt als bezorgd leider ter verantwoording geroepen en de vrouw als bezorgde hulp. Maar iedere christen, man of vrouw, wordt door God geoordeeld op zijn of haar persoonlijk leven. Het moet evenwel benadrukt worden dat er geen ongelijkheid is. De verzen 11 en 12 maken dit duidelijk. 

Vers 11  En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. 12  Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God.  

Zij zijn voor elkaar gemaakt. Het is niet goed dat de mens alleen zij, zegt God in Gen. 2:18, en daarom werd de vrouw gemaakt voor de man; en de man werd bestemd om de helper en de verdediger van de vrouw te zijn, ofschoon hij niet zo bepaald en onmiddellijk voor haar gemaakt werd. Zij werden bestemd om elkaars troost en zegen te zijn; niet de ene slavin en de ander dwingeland. Die beiden zijn ťťn vlees (Gen. 2:24). Gelijk de vrouw eerst genomen werd uit de man, zo is voortaan de man uit de vrouw. Het gezag en de onderwerping moeten niet groter zijn dan voegzaam is bij twee, die in zo nauwe betrekking en zo innige vereniging tot elkaar staan. Gelijk het de wil Gods is dat de vrouw haar plaats weten zal, zo is het ook zijn wil, dat de man zijn macht niet misbruiken zal.

 

Conclusie 

Paulus geeft in de verzen 3-15 van 1 Corinthe 11 uitleg over Gods bestuurlijke orde.
Vrouwen die bidden en profeteren in de gemeente, dienen hun hoofd met een hoofdbedekking te bedekken om te bevestigen dat ze in de bestuurlijke orde onder de man staan. Om dezelfde reden van gezagsstructuur bidt een man zonder hoofddeksel en heeft kort haar.
Het gaat hier om bidden en profeteren in het openbaar. Bidden en profeteren wordt hier in ťťn adem genoemd:

1 Corinthe 11:5  Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is.

Profeteren doet men niet op een stille plaats waar men alleen is, maar in aanwezigheid van toehoorders. Omdat bidden hier samen met profeteren wordt genoemd en in hetzelfde verband, gaat het om bidden als woordvoerder in dezelfde situaties als waarin profeteren wordt bedoeld, in bijeenkomsten, behalve de samenkomsten op de heilige dagen, want daar moet een vrouw zwijgen.
Omdat Paulus voor vrouwen die in het openbaar bidden of profeteren de hoofdbedekking als een extra handeling beschrijft, is de gevolgtrekking juist dat tijdens hun persoonlijke gebeden ze zonder hoofdbedekking kunnen bidden en haar lange haar voldoende is.
Lang haar is voor de vrouw een eer en kort geknipt een schande en voor de man is lang haar een schande.
Haar lange haar is al een teken van vrouwelijkheid en onderworpenheid aan de man, terwijl de bedekking wanneer ze bidt of profeteert in het openbaar dit nog eens bevestigt. 

De titel van deze publicatie luidt: Paulus over haar en hoofdbedekking.
Begrijp dit goed, daar hoort ’hem’ ook bij!

 

Terug naar de Home Page

web counter