Voor literatuurlijst klik hier.

 

GAAT U NAAR DE HEMEL?


De meeste belijdende christenen geloven dat zij na hun dood
naar de hemel gaan en dat de rechtvaardigen uit de Bijbel
naar de hemel gingen, toen zij stierven.
Maar wat zegt de Bijbel? Is de hemel werkelijk het
"loon" van degenen die behouden zijn?


Als de rechtvaardigen naar de hemel gaan, waarom zei Jezus dan: "En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen" [Jezus Christus]? (Johannes 3:13.)
Als degenen die behouden zijn naar de hemel gaan wanneer zij sterven, waarom zei Petrus dan dat koning David, een man naar Gods hart (Handelingen 13:22), "gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag... Want David is niet opgevaren naar de hemelen"? (Handelingen 2:29, 34.)
Ja, WAAROM?
Wat een paradox! Miljoenen mensen geloven dat degenen die behouden zijn naar de hemel gaan en toch ging de rechtvaardige David daar niet heen!
En als degenen die behouden zijn naar de hemel gaan wanneer zij sterven, waarvoor is er dan een opstanding uit de doden nodig? Waarom een opstanding, als zij hun loon reeds hebben ontvangen?
Wordt het geen tijd dat deze raadselachtige vragen, die toch van levensbelang zijn, worden beantwoord? 

Wat men gelooft

Het geloof dat men na de dood naar de hemel gaat beperkt zich niet tot belijdende christenen. Overal ter wereld hebben altijd mensen geloofd in een soort leven na dit leven, in een of ander type 'beloning' na de dood. "De eeuwige gelukzaligheid was, naar de mening van de heidenen in de Oudheid, alleen voorbehouden aan degenen die zich door hun verheven deugden hadden onderscheiden en die bijgevolg werden toegelaten tot de gemeenschap der goden..." (Gardner, The Faiths of the World, deel 2, p. 10, artikel "Heaven"; alle vertalingen van ons).
Dezelfde bron vermeldt: "De hemel van de Hindoe is het opgaan in Brahma, en van de Boeddhist het tenietgaan of het Nirwana. Het priesterschap van de oude Egyptenaren leerde de onsterfelijkheid van de ziel onder de naam Palingenesia of wedergeboorte, zijnde een terugkeer van de ziel naar de hemelse sferen, of een opnieuw opgaan ervan in het Opperwezen."
De elfde editie van de Encyclopaedia Britannica verklaart dat er sprake is van "een verbijsterende verscheidenheid van opvattingen onder de verschillende volkeren ten aanzien van het toekomstige leven en de toekomstige wereld... De plaats van het toekomstige leven kan op aarde zijn, in een afgelegen deel daarvan, of boven de aarde, in de lucht, op de zon, de maan of de sterren, of onder de aarde. De oorden van gelukzaligheid en de plaatsen van foltering kunnen verschillend zijn, ofwel er kan een laatste verblijfplaats zijn voor alle doden. Soms vinden de goeden hun eeuwige woonplaats temidden van de goden; soms wordt een aantal hemelen met verschillende stadia van gelukzaligheid erkend" (deel 9, p. 760, artikel "Eschatology").
De Moslims geloven in een hemel die is bereid voor de volgelingen van Mohammed, de belijders van de 'ware godsdienst'. Zij geloven dat zij daar een eeuwig licht en alle hemelse geneugten zullen genieten. Hun geloof omvat acht hemelen die verschillende trappen van geluk vertegenwoordigen.
Mohammed gaf onderricht over een 'hemel' van vleselijke, sensuele genoegens. Tegelijkertijd echter leerde hij in de Koran dat het toppunt van geluk is God van aangezicht tot aangezicht te zien en dat dit genoegen alle andere genoegens doet vergeten.
Veel Australische stammen geloofden in een gelukkige 'andere wereld'. In het bijzonder de stammen in de zuidoostelijke gebieden geloofden in een toekomstig gelukkig leven 'aan de overzijde van het grote water' of in de lucht. Dit 'paradijs' werd vaak 'het land van de gomboom' genoemd. Men geloofde dat het pad naar 'het land in de lucht' langs de stralen van de ondergaande zon of langs de Melkweg liep.
De oorspronkelijke bewoners van TasmaniŽ verheugden zich op een gelukkiger leven na de dood, waarin zij de jacht zouden voortzetten en eeuwig de genoegens die zij op aarde begeerden zouden smaken.
De oude Teutoonse volken geloofden in een hemelse verblijfplaats genaamd het Walhalla. Naar deze hemel der goden, een paradijs voor strijders, "hoopten alle dappere krijgslieden te gaan... De dakspanten ervan bestaan uit speren, het dak uit schilden, de banken zijn bezaaid met maliŽnkolders. Voor de westelijke deur hangt een wolf, erboven zweeft een adelaar... Het Walhalla was zo groot dat het vijfhonderdveertig deuren had. Elke dag gingen de krijgers in volle wapenrusting door de poorten naar buiten om zich in onderlinge gevechten te amuseren en weer terug te keren om feest te vieren en hemelse honingwijn te drinken uit de kommen die hun werden aangereikt door de walkuren" (Encyclopedia o[ Religion and Ethics, deel II, p. 709).
Sommige Eskimo's in Groenland geloven nog steeds in twee gebieden van het hiernamaals: het ene in de koude lucht of 'boven-wereld' met heuvels en dalen en een hemel; het andere, een ondergronds domein, een gelukzalige plaats met zonneschijn en een eeuwige zomer.
De gedachte dat men naar de hemel gaat wanneer men sterft is duidelijk niet alleen eigen aan belijdende christenen. Sinds onheuglijke tijden kennen de heidenen overeenkomstige ideeŽn. 

De Egyptische 'hemel'

De geschiedenis heeft vastgelegd dat een groot aantal ideeŽn van het officiŽle christendom ten aanzien van de hemel van de oude Egyptenaren afkomstig is.
In The Ancient Egyptians schreef Adolph Erman: "De piramideteksten gaan voornamelijk over de wens van de verheven dode om het leiden van een somber bestaan in de onderwereld te vermijden – het lot van gewone stervelingen – en in de lucht te leven zoals de goden. Daar zou hij met de zonnegod kunnen reizen in diens schip, of verblijven in de Velden der Gelukzaligen, het Veld van de Voedseloffers, of het Veld van Iaroe. Hij zou zelf een god kunnen worden en de fantasie van de dichters is erop gericht de koning in deze nieuwe rol uit te beelden. Hij is niet langer een mens die door de goden genadig in de hemel wordt ontvangen, maar een overwinnaar die hun de hemel afneemt" (p. 2; naar de Eng. vert. van Aylaward M. Blackman).
De Egyptenaren geloofden dat voordat de zielen van de doden het Veld van Iaroe, de Egyptische 'hemel', konden bereiken en in de tegenwoordigheid van Osiris konden verschijnen, zij een uitgestrekt gebied in de onderwereld moesten doorkruisen, de Doeat genaamd, welke werd bewoond door goden, demonen, goede en kwade geesten en zielen van goddelozen en verder door slangen en monsters. In het Egyptische Dodenboek staan bezweringen, magische rituelen, gebeden, toverspreuken en amuletten om de dode te helpen de gevaren van de Doeat te overwinnen en Sechet Aaroe en Sechet Hetep – andere namen voor de Egyptische hemel – te bereiken en zijn plaats onder de onderdanen van Osiris in het 'Land van het Eeuwige Leven' in te nemen.
De doden die aankwamen, zo dachten de Egyptenaren, werden binnengeleid in een Zaal des Oordeels onder voorzitterschap van Osiris. "Wanneer de uitspraak gunstig is en hij is gezuiverd van alle onreinheid, wordt zijn hart hersteld en na verscheidene andere beproevingen wordt hij toegelaten tot de schitterende Elyzeese Velden (de velden van Aloe) aan de overzijde van het water... Van nu af aan geniet hij het eeuwige leven van de gelukzalige in de schaduw van de boom des levens, ofwel de sycomoor van Noet, de godin van de lucht, als een ware Osiris" (Kohler, Heaven and Hell in Comparative Religion, p. 22).
Wanneer de uitspraak ongunstig was, onderging de arme zondaar de 'tweede dood'. Hem wachtten dan de wreedste martelingen, waaronder het branden met hete kolen, het onderdompelen in diepe wateren of het in stukken snijden van het lichaam met scherpe zwaarden.
Kohier: "Wij hebben hier de werkelijke oorsprong van [Dante's gedichten] Inferno en Paradiso" (p. 23; nadruk van ons). 

Wat de vroege Gemeente leerde

Hoe verbazend het echter ook mag schijnen, Jezus noch Zijn apostelen leerden dat de rechtvaardigen naar de hemel gaan! Zie wat een seculiere encyclopedie zegt:
"De heersende opvatting in de vroege kerk schijnt te zijn geweest dat tot de terugkeer van de Heer op de wolken des hemels om de doden op te wekken, degenen die waren gestorven in slaap waren en dat zij plotseling zouden worden gewekt om hun nieuwe lichaam te ontvangen, waarna zij gedurende duizend jaar met Hem op aarde zouden regeren..." (The New International Encyclopedia, eerste editie, artikel "Heaven").
De vroege Gemeente leerde duidelijk niet het denkbeeld 'naar de hemel gaan'. Dergelijke leerstellingen werden pas lange tijd na de dood van de apostelen algemeen!
De geschiedenis toont aan dat de leer van de katholieke kerkvaders Clemens van AlexandriŽ, Origenes en anderen de meeste belijdende christenen geleidelijk van het geloof in een letterlijke 1000-jarige regering van Christus op aarde heeft afgekeerd.
Zie wat er gebeurde:
"Maar grotendeels onder invloed van het Griekse denken kregen andere opvattingen de overhand. Het lot van de aartsvaders, de profeten en vrome mensen van de oude orde nam natuurlijk veel aandacht in beslag en leidde tot het idee dat zij [hun 'onsterfelijke ziel'] zich in afwachting van de komst van de Verlosser, moesten ophouden in een voorbereidende verblijfplaats die de kerkvaders de limbus patrum noemden. Het algemene geloof van de christenen is dat sinds de opstanding van Christus de rechtvaardigen die vrij zijn van zonde onmiddellijk na de dood worden toegelaten in de hemel, waar hun voornaamste vreugde bestaat in het onbelemmerd aanschouwen van God" (ibid.).
De hellenistische filosofie, die zeer veel aan de oude Egyptische mythologie had ontleend, begon nu in het onderricht de plaats in te nemen van de Bijbel als bron van de leer. Heersende opvattingen als de onsterfelijkheid van de ziel, een eeuwigbrandende hel, het vagevuur en de hemel kwamen alle rechtstreeks uit de oude mythologie. Om voor eventuele heidense bekeerlingen acceptabeler te worden nam de volkskerk in haar onderricht deze heidense filosofieŽn over in plaats van de duidelijke leerstellingen van de Bijbel!
Tegenwoordig is het idee dat de hemel het 'loon van de behoudenen' is, is vrijwel algemeen in de officiŽle christelijke kerken. De overgrote meerderheid van de traditionele christenen gelooft dat zij naar een 'hemel' gaan waar de rechtvaardigen op wolken zitten, op een harp tokkelen, harpmuziek doorbladeren en in alle eeuwigheid naar het aangezicht van de Meester opkijken!
Als de behouden mensen inderdaad naar een eeuwig rusthuis in de lucht gaan, dan weten duizenden oudere burgers nu al welke soort verveling en ontevredenheid hun wacht. Weinigen beseffen dat een eeuwig leven waarin men weinig of niets te doen heeft een eeuwigheid van uiterste verveling zou zijn – een verschrikkelijk soort straf!
Wat is de waarheid ten aanzien van de hemel? Wat leert de Bijbel over 'naar de hemel gaan'? 

'Het beloofde land'

Zich richtend tot de bekeerlingen in GalatiŽ, die van heidense geboorte waren, werd de apostel Paulus geÔnspireerd om te schrijven:
Galaten 3:16  Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad... Vers 29  Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
Een christen is nu slechts een 'erfgenaam'. Wat de christenen zullen erven, indien zij 'behouden' zijn – waar zij de eeuwigheid zullen doorbrengen – is een vastomlijnde, specifieke belofte van God. En die belofte werd gedaan aan Abraham, die in ditzelfde boek Galaten (geschreven aan bekeerlingen van heidense afkomst) als de 'vader' van de gelovigen wordt uitgebeeld (Galaten 3:7).
Indien iemand bekeerd is, ongeacht ras, huidskleur, nationaliteit of geslacht, indien iemand 'van Christus' – christen – is, dan is die persoon geestelijk gesproken een van Abrahams kinderen en 'erfgenaam' van de belofte die aan Abraham is gedaan. Wat men erft is dan datgene wat aan Abraham werd beloofd!
Laten wij kijken of dat de hemel is.
Genesis 12:2  Ik zal u [Abraham] tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3  Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
Vers 5  Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het land Kanašn, en zij kwamen in het land Kanašn. 6  En Abram trok het land door tot de plek bij Sichem, tot de terebint More; en de Kanašnieten waren toen in het land. 7   Toen verscheen de Here aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de Here, die hem verschenen was.
Psalmen 105:11  toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanašn geven als het u toegemeten erfdeel.

Er staat niets over de hemel. De belofte aan Abraham en zijn nageslacht – zijn afstammelingen – was het land Kanašn!
Abraham ging voor korte tijd naar Egypte (Genesis 12:10) omdat hongersnood in het land uitbrak.
Toen Abraham naar Kanašn terugkeerde, herhaalde God Zijn belofte aan hem en zijn nageslacht.
Genesis 13:14  En de Here zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, 15  want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven.
In Genesis 15:18 Geeft God de grenzen aan van dat land.
Genesis 15:18  Te dien dage sloot de Here een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat.
In andere schriftgedeelten worden de grenzen nauwkeurig beschreven.
Het land Kanašn, waarvan een groot deel nu door de staat IsraŽl wordt beslagen, werd aan Abraham en zijn nakomelingen beloofd. Daarom wordt het 'het Beloofde Land' genoemd! Het is duidelijk dat het een gebied is op deze aarde, niet boven in de hemel!
Voor hoelang, beloofde God, zouden Abraham en zijn zaad het land bezitten?
Genesis 13:15  want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven.
Aangezien de erfenis een eeuwige erfenis zal zijn, moet deze ook eeuwig leven inhouden. Daarover later meer.
Deze belofte werd uitgebreid totdat ze uiteindelijk het erven van de gehele aarde inhield.
Romeinen 4:13  Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.
Geen woord over de hemel! Via Abraham wordt aan alle ware christenen, als zijn geestelijke nakomelingen, de aarde beloofd!
Dezelfde belofte die God aan Abraham deed werd ook aan zijn zoon Izak gedaan.
Genesis 26:1  Eens kwam er een hongersnood in het land, behalve de eerste hongersnood, die er geweest was in de dagen van Abraham; en Isašk ging naar Abimelek, de koning der Filistijnen, naar Gerar. 2   Toen verscheen hem de Here en zeide: Trek niet naar Egypte, woon in het land, dat Ik u zeggen zal, 3  vertoef in dit land als een vreemdeling, dan zal Ik met u zijn en u zegenen, want u en uw nageslacht zal Ik al die landen geven, en Ik zal de eed gestand doen, die Ik uw vader Abraham gezworen heb. 4  En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al die landen geven, en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, 5  omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten.
En dezelfde belofte werd gedaan aan Jakob, de zoon van Izak.
Genesis 35:9  En God verscheen wederom aan Jakob, bij zijn komst uit Paddan-aram, en zegende hem; 10  en God zeide tot hem: Gij heet Jakob; gij zult niet meer Jakob heten, maar IsraŽl zal uw naam zijn. En Hij noemde hem IsraŽl. 11  En God zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen. 12  En dit land, dat Ik Abraham en Isašk gegeven heb, zal Ik u geven; en uw nageslacht zal Ik dit land geven.
In vers 12 wordt de belofte ook gedaan aan het nageslacht van Jakob: de IsraŽlieten.
Romeinen 9:4  immers, zij zijn IsraŽlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften.
Jakob, wiens naam God in 'IsraŽl' veranderde, had twaalf zonen. Iedere zoon bracht een van de twaalf stammen van IsraŽl voort, die tezamen bekendstaan als de 'kinderen IsraŽls' of de IsraŽlieten. 

Eerst gehoorzamen, dan erven

Bij het doen van deze belofte aan Abraham stelde God gehoorzaamheid als voorwaarde. Wat gebood God Abraham te doen?
Genesis 12:1  De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal.
Abraham bood geen verzet, zocht geen uitvluchten en redetwistte niet met God over het verlaten van zijn vaderland.
Vers 4  Toen ging Abram, zoals de Here tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok.
Hij deed eenvoudig wat hem werd opgedragen.
Hebreen 11:8  Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.
We zien dat God Abraham naar Kanašn leidde.
Genesis 12:5  Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het land Kanašn, en zij kwamen in het land Kanašn.
God riep Abram (zoals zijn naam toen nog luidde) uit Ur der ChaldeeŽn, zijn geboorteland. Dat land stond onder de heerschappij van het politiek-religieuze systeem dat ontstond in Babel, een type van het geestelijke 'Babylon' waarin wij nu leven! En nu roept God ons uit deze huidige boosaardige wereld – dit moderne Babylon.
Openbaring 18:1  Hierna zag ik een andere engel, die grote macht had, nederdalen uit de hemel, en de aarde werd door zijn lichtglans verlicht. 2  En hij riep met sterke stem, zeggende: Gevallen, gevallen is de grote stad Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte, 3  omdat van de wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken gedronken hebben en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben en de kooplieden der aarde rijk geworden zijn uit de macht harer weelderigheid. 4  En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen.

Abraham gehoorzaamde. Allereerst verliet hij zijn geboorteland, zijn vrienden en verwanten, zijn oude levenswijze. Alles liet hij achter en volgde God waarheen deze hem leidde. Maar God beproefde Abrahams bereidheid om Hem te gehoorzamen niet alleen hierin.
Genesis 22:1  Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Abraham, en deze zeide: Hier ben ik. 2  En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isašk, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen die Ik u noemen zal.
Er staat niet dat Abraham probeerde een uitvlucht te zoeken, ondanks deze zware beproeving. Er staat:
Vers 3  Toen stond Abraham des morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten met zich, benevens zijn zoon Isašk; hij kloofde hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en ging naar de plaats, die God hem genoemd had.
Maar God liet niet toe dat Abraham zijn enige zoon doodde.
Vers 10  Daarop strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. 11  Maar de Engel des Heren riep tot hem van de hemel en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Hier ben ik. 12   En Hij zeide: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.
God wilde niet werkelijk het leven van Izak, Hij wilde alleen zien of Abraham bereid was Hem in geloof te gehoorzamen, ongeacht de prijs!
Hebreen 11:17  Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isašk ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren.
Omdat Abraham gelovig aan God gehoorzaamde, ziet de Bijbel hem als de "vader" van allen die uit het geloof leven.
Romeinen 4:11  En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun de gerechtigheid zou worden toegerekend.
Galaten 3:7  Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn.
Er waren geen andere voorwaarden aan Gods belofte verbonden, dan absolute gehoorzaamheid. Abraham was aan de zwaarste test onderworpen en absoluut getrouw bevonden.
Genesis 22:15  Toen riep de Engel des Heren ten tweeden male van de hemel tot Abraham en zeide: 16  Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des Heren: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, 17  zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. 18  En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt.
Let op de woorden: "omdat gij dit gedaan hebt" in vers 16; en de woorden: "omdat gij naar Mijn stem gehoord hebt" in vers 18. De belofte was nu onvoorwaardelijk! En absoluut zeker, zoals we in Genesis 26:4-5 gelezen hebben. 

Iedereen kan erfgenaam van de beloften worden

Laten wij eens nagaan hoe mensen uit alle volken in aanmerking komen voor de status van erfgenaam van dezelfde beloften als aan de rechtvaardige Abraham werden gedaan en via Izak en Jakob aan Abrahams nakomelingen.
Beloofde God aan Abraham dat alle volken van de aarde in zijn "zaad" gezegend zouden worden?
Genesis 12:3  Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
Genesis 22:18  En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt.

In plaats van "nageslacht", spreekt de Statenvertaling van "zaad".
Wie is dit "zaad"?
Galaten 3:16  Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus.
Het woord "zaad" in Genesis 22:18 verwijst specifiek naar ťťn Zaad – Christus – en niet naar Abrahams meervoudige "zaad" of nageslacht dat in Genesis 13:16 en 17:8 wordt genoemd.
Lukas 3:23-34 bewijst dat Jezus een directe nakomeling – een "zaad" – van Abraham was. Hij was een afstammeling van de stam van Juda, een van de zonen van Jakob of IsraŽl. Zie ook HebreeŽn 7:14.
Lukas geeft de genealogie van Jezus via Zijn moeder Maria. Jozef, genoemd in Lukas 3:23, was in feite de schoonzoon van Eli, de vader van Maria. Vergelijk Mattheus 1:16. Lukas toont dus aan dat Maria rechtstreeks van Abraham afstamde.
Hoe wordt iemand die niet door geboorte van Abraham afstamt 'erfgenaam' van de aan Abraham gedane beloften?
Galaten 3:27  Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28  Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers een in Christus Jezus. 29  Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
Alle mensen die niet door Izak en Jakob (IsraŽl) van Abraham afstammen worden in de Bijbel 'heidenen' genoemd. Paulus toonde de van geboorte heidense Galaten dat de enige manier waarop zij erfgenaam van de aan Abraham gedane beloften konden worden, was door kinderen ('zaad') van Abraham te worden door Christus!
Wat zei Paulus dat de Efezische christenen vůůr hun bekering waren?
Efeze 2:11  Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werdt door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, 12  dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht IsraŽls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld.
Als heidenen waren zij vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. Maar zij werden door Christus en Zijn offer bij de beloften gebracht.
Vers 13  Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus.
En zij waren niet langer vreemdelingen en buitenstaanders, maar behoorden nu tot de geestelijke huisgenoten van God.
Vers 19  Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods.
Ook nu kunnen individuele mensen die door God worden geroepen, ongeacht hun etnische achtergrond, 'erfgenaam' worden van de beloften die God aan Abraham heeft gedaan, door zijn 'zaad' te worden door middel van Christus.
Uit Galaten 3:7 (Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn) begrijpen we dat als u een ware christen bent, ongeacht uw ras of nationaliteit, Abraham uw 'vader' is in het geloof en zult u al wat God hem beloofde erven.
En dus zijn alle ware christenen Abrahams mede-erfgenamen en zullen zij 1) het eeuwige leven en 2) de gehele aarde beŽrven. In de beloften die God aan Abraham deed werd de 'hemel' niet inbegrepen!
Maar wanneer zullen Abraham en zijn 'kinderen' hun erfenis ontvangen? Wanneer zullen zij de beloften deelachtig worden? 

De beloften nog niet vervuld

Abraham heeft de erfenis die God hem beloofde nog niet ontvangen.
Handelingen 7:2  En hij zeide: Gij, mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in MesopotamiŽ was, voordat hij in Haran ging wonen, 3  en Hij zeide tot hem: Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land, dat Ik u wijzen zal. 4  Toen vertrok hij uit het land der ChaldeeŽn en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont; 5  en Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs niet een voet, maar Hij beloofde het hem en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had.
Deze geÔnspireerde woorden vermelden duidelijk dat Abraham de beloofde erfenis nog niet ontvangen heeft, ook al werden Gods beloften onvoorwaardelijk door zijn gehoorzaamheid.
Abraham, Izak en Jakob waren slechts gasten, dat wil zeggen, tijdelijke bewoners, bezoekers, in het land dat God hun had beloofd.
Hebreen 11:8  Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. 9   Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isašk en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. Vers 13  In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde.
In de tijd dat het boek HebreeŽn geschreven werd, hadden zij de beloften nog niet ontvangen. In de verzen 39-40 wordt dit herhaald.
Vers 39  Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, 40  daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.
David, erfgenaam van Abraham en ťťn van Gods profeten, erfde de beloften nog niet - hij is nog steeds dood in zijn graf.
Handelingen 2:29   Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag.
Wij lezen in het Nieuwe Testament dat Abraham en alle aartsvaders de beloofde erfenis nog niet hebben ontvangen! Zij en al degenen die door Christus kinderen van Abraham – christenen – geworden zijn, zijn nu alleen erfgenamen van de beloften. Zij hebben nog niet geŽrfd!
De grote vraag die nog overblijft is: wanneer zullen zij de beloofde erfenis ontvangen? 

Het 'Koninkrijk van God' beŽrven

Laten wij om te begrijpen wanneer de beloften zullen worden geŽrfd nader bestuderen wat Abraham en zijn erfgenamen zullen erven.
Welke boodschap verkondigde Christus tijdens Zijn dienaarschap op aarde?
Markus 1:14  En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken.
Christus predikte het Evangelie. Welk evangelie?
Vers 15  en Hij zeide: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.
Mattheus 9:35  En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal.
Het evangelie is het 'goede nieuws' van het komende koninkrijk van God, dat de aarde in bezit zal nemen en besturen, dezelfde aarde die als eeuwig erfgoed aan Abraham en zijn erfgenamen is beloofd. Is er enig verband? Absoluut!
Alle rechtvaardigen van weleer zullen in het Koninkrijk van God zijn.
Mattheus 8:11  Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isašk en Jakob in het Koninkrijk der hemelen.
Lukas 13:28  Daar zal het geween zijn en het tandengeknars, wanneer gij Abraham en Isašk en Jakob zult zien en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen. 29  En zij zullen komen van oost en west en van noord en zuid en zullen aanliggen in het Koninkrijk Gods.

De beloften die God aan de vaderen deed omvatten de toegang tot het Koninkrijk van God! En hun erfenis zal dus omvatten: 1) Eeuwig leven in 2) het Koninkrijk van God en 3) het bezit van de aarde waarover dat Koninkrijk zal regeren – precies dezelfde erfenis als de christenen door Christus kunnen ontvangen!
Jezus zei immers dat de christenen Zijn Koninkrijk moesten zoeken.
Mattheus 6:33  Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.
Zij die God gehoorzamen, de wil van de Vader doen, zullen het vinden.
Mattheus 7:21  Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is.
In Mattheus 7:21 staat het Koninkrijk "der" of van de hemelen – niet in de hemelen! Het is het Koninkrijk van, ofwel in het bezit van en geregeerd door, de hemelen, in dezelfde zin als de Bank van Morgan niet in de heer Morgan was, maar in zijn bezit en door hem bestuurd. Het betekent een koninkrijk in het bezit van en geregeerd door God, wiens troon en woonplaats in de hemel is.
Mattheus 5:5  Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beŽrven. Vers 3  Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Is dit tegenstrijdig, de 'aarde' in bezit krijgen en het 'Koninkrijk der hemelen' binnengaan? Natuurlijk niet!
Nederige, eenvoudige christenen zullen de aarde erven als een eeuwig bezit en zullen het 'Koninkrijk der hemelen' binnengaan, dat op aarde zal zijn!
Het Koninkrijk van God, dat Christus bij Zijn wederkomst op aarde zal vestigen, is het goddelijke Gezin van God, dat zal regeren door middel van Gods regering.
Het goddelijke Koninkrijk van God binnengaan of "beŽrven" is een bestemming van zo'n wonderbaarlijke glorie dat het verstand van de mens het niet werkelijk kan vatten! Wij mensen hebben geen idee van wat degenen die God gehoorzamen werkelijk te wachten staat.
Zoals wij lezen in 1 Corinthe 2:9   Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.
De volle omvang van de erfenis die God de ware christenen heeft beloofd, kan het natuurlijke verstand van de mens zich zelfs bij benadering niet voorstellen – maar God openbaart die aan ons "door Zijn Geest". Vers 10  Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods.
Wat vertelt Mattheus 6:10 ons over het Koninkrijk van God?
Mattheus 6:10  uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Christenen in onze tijd moeten ernstig bidden: "Uw Koninkrijk kome". Het woord 'kome' impliceert dat het naar de aarde zal komen. Christus droeg ons niet op te bidden: "Laat ons naar de hemel gaan"! Gods Koninkrijk is duidelijk nog niet op aarde gekomen.
Waar wordt de erfenis van de christen bewaard?
1 Petrus 1:3  Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, 4  tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u.
De erfenis wordt in de hemel bewaard.
Mattheus 5:12   Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten voor u vervolgd.
Lukas 6:23  Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie, uw loon is groot in de hemel; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de profeten gehandeld.

Deze verzen zeggen niet: "Groot is uw loon wanneer u in de hemel komt." Ze vertellen ons niet wanneer en waar de christenen hun erfenis en loon zullen ontvangen, alleen dat deze nu voor hen in de hemel worden "bewaard"!
Wanneer zullen de rechtvaardigen het Koninkrijk van God beŽrven?
Mattheus 25:31  Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. 32  En al de volken zullen voor Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, 33  en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. 34  Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beŽrft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af.
Het is duidelijk dat Abraham en zijn kinderen in Christus de beloften zullen erven bij de terugkeer van Christus! Maar laten wij eens nagaan wat er bij Christus' komst nog meer zal gebeuren. 

Het belang van de opstanding

Kan iemand die nog een menselijk wezen van vlees en bloed is het Koninkrijk van God beŽrven?
1 Corinthe 15:50  Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beŽrven en het vergankelijke beŽrft de onvergankelijkheid niet.
Wat zei Paulus dat er met ons sterfelijke lichaam moet gebeuren om dat geestelijke Koninkrijk te kunnen beŽrven, er werkelijk deel van uit te maken?
Vers 51  Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, Vers 53  Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.
Wanneer zal ons lichaam worden veranderd – van vlees in geest worden omgezet?
Vers 52  in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.
Die bazuin weerklinkt bij de wederkomst van Christus.
1 Thessalonica 4:16   want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; 17  daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen.
Dit is het moment waarop Abraham, Izak, Jakob, David en anderen de beloften erven. Jezus sprak met Nicodemus over deze verandering.
Johannes 3:6  Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Vers 8  De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren is.
En wij kunnen als wij "uit de Geest geboren" zijn tenslotte het goddelijke, geestelijke Koninkrijk van God 'zien' – binnengaan.
Vers 3  Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.
Bij de wederkomst van Jezus Christus zullen alle doden in Christus worden opgewekt met een nieuw geestelijk lichaam. De christenen die bij zijn terugkeer nog leven, zullen onmiddellijk worden veranderd in een zelfde soort geestelijk lichaam – een lichaam dat dan in het Koninkrijk of Gezin van God zal zijn. Ons huidige vlees is vergankelijk, onderhevig aan dood en ontbinding. Geestelijke wezens echter zijn eeuwig nieuw – onsterfelijk, onvergankelijk, nimmer onderhevig aan dood of ontbinding!
Jezus verklaarde dat Abraham, Izak en Jakob in de toekomst, wanneer de opstanding uit de dood zal plaatsvinden, zullen worden opgewekt.
Mattheus 22:31  Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide: 32  Ik ben de God van Abraham, en de God van Isašk, en de God van Jakob? (22-33a) Hij is niet een God van doden, maar van levenden.
Deze tekst wordt vaak verdraaid en verwrongen in een poging te bewijzen dat Abraham niet dood is, dat hij naar de hemel ging toen hij stierf, hetgeen het lijnrechte tegendeel is van wat Jezus met deze toelichting wilde aangeven.
Romeinen 4:17  gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld. Voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.
God zal de doden levend maken; dus ook Abraham. Dan kan God voor hen God zijn. God is de God van de levenden, niet van de doden.
Jezus sprak over hun toekomstige opstanding tot onsterfelijk leven! Want wij kunnen nu begrijpen waarom Abraham en zijn kinderen in Christus de beloften vooralsnog niet ontvangen hebben. Zij kunnen hun eeuwige erfenis eenvoudig niet ontvangen voordat zij het eeuwige leven ontvangen! Dit zal, zoals Paulus verklaarde, plaatsvinden bij de opstanding uit de doden!
Zonder een opstanding zouden de doden nooit opnieuw leven.
1 Corinthe 15:16   Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt. Vers 18  Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren.
Daarom staat in Gods plan de opstanding van de doden centraal. En tenzij Abraham, Izak en Jakob en al de gestorven christenen bij de komst van Christus uit de doden worden opgewekt, kunnen zij de beloften niet erven!
Wat een verschil tussen de zuivere waarheid van Gods Woord en de oude religieuze fabels en mythen die de wereld heeft aanvaard! 

Hoe Christus de eeuwige erfenis mogelijk maakte

Jezus Christus kwam om de aan de vaderen gedane beloften te "bevestigen".
Romeinen 15:8  Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen.
Bevestigen betekent bekrachtigen of de zekerheid of geldigheid van iets vastleggen; iets geldig of bindend maken door een formele of wettelijke handeling.
Laten wij nagaan hoe Christus het mogelijk maakte dat ieder mens deze schitterende beloften aan Abraham, Izak en Jakob kan beŽrven.
Wat is zonde?
1 Johannes 3:4  Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid.
Zal iemand die zondigt, die ongerechtigheid pleegt, d.w.z. Gods Wet overtreedt, het Koninkrijk van God beŽrven?
Efeze 5:5  Want hiervan moet gij doordrongen zijn, dat in geen geval een hoereerder, onreine of geldgierige, dat is een afgodendienaar, erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en God.
1 Corinthe 6:6  Zoekt nu de ene broeder recht tegen de andere, en dat bij de ongelovigen? Vers 10  Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters zullen het Koninkrijk Gods niet beŽrven.

Wat is de straf of "het loon" van de zonde?
Romeinen 6:23  Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.
Heeft iedereen gezondigd?
Romeinen 3:23  Want allen hebben gezondigd
God is de Schepper van het gehele universum. Hij is tevens de grote Wetgever. Wie Zijn Wet niet gehoorzaamt bedrijft zonde. En de straf voor de zonde is de eeuwige dood! Aangezien alle mensen gezondigd hebben, zijn allen onder dezelfde straf gekomen. Als ieder van ons de straf voor zijn eigen zonden moest ondergaan, zou niemand het eeuwige leven kunnen ontvangen, zou niemand de beloften die aan de vaderen zijn gedaan kunnen beŽrven.
Christus gaf Zijn zondeloze leven als offer voor ons, opdat wij de straf voor onze zonden niet zouden behoeven te ondergaan en aldus niet beroofd zouden worden van een eeuwige erfenis in het Koninkrijk van God?
1 Timotheus 2:5  Want er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, 6   die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd.
Romeinen 5:8  God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. 9  Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.
Hij gaf Zijn offer geheel uit eigen vrije wil.
Johannes 10:17  Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. 18  Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen.
God, de Vader, schiep alle dingen door Jezus Christus.
Hebreen 1:2  die Hij [Christus] gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.
Johannes 1:1  In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. 2  Dit was in den beginne bij God. 3  Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.
Jezus was de incarnatie van GOD – God die vleesgeworden was.
Vers 14  Het Woord is vlees geworden …
Het fysieke leven van Jezus, als God en onze Schepper, was daarom van groter waarde dan de som van alle mensen die ooit hebben geleefd! Derhalve was Jezus door te sterven in staat de doodstraf te ondergaan voor alle zonden van alle mensen! Christus "bevestigde" de beloften die God aan Abraham had gedaan door het Evangelie van het Koninkrijk te prediken en vervolgens voor onze zonden te sterven. Zijn dood voor onze zonden en de eropvolgende opstanding maken het voor ons mogelijk het eeuwige leven te ontvangen! (Johannes 3:16; Romeinen 5:10.)
Maar aan welke voorwaarden moeten wij voldoen, voordat het offer van Christus van toepassing kan zijn om de straf te delgen die onze zonden op ons hebben gebracht?
Handelingen 2:38  En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
Wat moeten wij worden?
Galaten 3:29  Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
Romeinen 8:9  Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.

Of wij nu directe afstammelingen van Abraham zijn of heidenen, wij moeten 'van Christus' – christen – worden om uiteindelijk de eeuwige erfenis te kunnen ontvangen!
Jezus is door Zijn lijden en Zijn dood en de eropvolgende opstanding tot heerlijkheid de "Leidsman" of voorloper – de leider – van ons behoud geworden (HebreeŽn 2:9-10; 1 Corinthe 15:22-23). Jezus is door de Vader tot 'erfgenaam' gesteld van alle dingen, zoals in HebreeŽn 1:2 staat. En wij zullen, als wij van Christus zijn en overwinnen, als mede-erfgenamen met Hem alle dingen erven. Lees ook Romeinen 8:16-17 en Openbaring 21:7.
Jezus Christus erfde bij Zijn opstanding alle beloften die aan Abraham waren gedaan! En door voor Zijn dood een leven zonder zonde te leiden maakte Hij het mogelijk voor iedereen die Zijn offer aanvaardt om met Hem mede-erfgenamen te worden van diezelfde beloften!
Christus liet een wilsbeschikking of testament na.
Hebreen 9:15  En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan, om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden. 16  Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van de erflater melding gemaakt worden; 17  een testament toch wordt alleen van kracht, indien er iemand gestorven is, daar het nog geen gevolg heeft, zolang de erflater leeft.
Christus liet een testament na. En door Zijn Woord leert Hij ons wat wij moeten doen om Zijn mede-erfgenamen te worden van de belofte van een eeuwige erfenis in het Koninkrijk van God.
Een testament of wilsbeschikking wordt evenwel pas van kracht nadat degene die het maakt is gestorven. Christus stierf dus opdat wij door Hem de beloften kunnen beŽrven. Maar nu leeft Hij, aan de rechterhand van de Vader, gereed om voor ons te pleiten (HebreeŽn 7:25), om ons te helpen en ons kracht te schenken, opdat wij de zonde kunnen overwinnen en bij de opstanding de schitterende beloften van God kunnen beŽrven! 

Is er iemand naar de hemel gegaan?

Er staat in de hele Bijbel absoluut geen enkele tekst die zegt dat christenen naar de hemel gaan wanneer zij sterven! Toch schijnen de meeste mensen de duidelijke leer van het Woord van God niet te kennen. Zij aanvaarden als vanzelfsprekend en zonder meer de valse gedachte van het 'naar de hemel gaan'. Laten wij nog enkele bijbelteksten bestuderen die over het hoofd gezien of verkeerd uitgelegd worden door degenen die deze valse leer aanhangen.
Johannes 13:33   Kinderkens, nog een korte tijd ben Ik bij u; gij zult Mij zoeken en, gelijk Ik de Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo spreek Ik thans ook tot u. 36   Simon Petrus zeide tot Hem: Here, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde: Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen.
Sommigen nemen aan dat Christus Zijn discipelen leerde dat zij Hem 'later' zouden volgen naar de hemel. Dat zou echter alle duidelijke teksten die wij al bestudeerd hebben tegenspreken.
Het zou kunnen zijn dat Christus aan Petrus te verstaan gaf dat ook hij – later – zou worden gedood. In deze zin zou Petrus Jezus 'later' volgen. (De overlevering zegt dat Petrus de kruisdood stierf.). Petrus ligt nog steeds dood in zijn graf. Maar bij de terugkeer van Christus zal hij worden opgewekt in de opstanding met de overige heiligen en een onsterfelijk lid van het Koninkrijk van God worden! Mogelijk bedoelde Christus dat Petrus later zou volgen om te veranderen in de staat van een geestelijk wezen zoals Jezus na Zijn opstanding werd.
De Bijbel vertelt duidelijk waar de opgewekte heiligen na Christus' terugkeer zullen zijn en wat zij zullen doen?
Openbaring 5:10  en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.
Johannes 14:2  In het huis mijns Vaders zijn vele woningen (anders zou Ik het u gezegd hebben) want Ik ga heen om u plaats te bereiden; 3  en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.

"Woningen" verwijst naar de vertrekken of kamers in het 'huis van de Vader' of Gods Tempel, die werden betrokken door Gods priesters. Deze vertrekken vertegenwoordigen posities van gezag en verantwoordelijkheid – posities die de heiligen bij Christus' terugkeer zullen ontvangen in Gods regerende Koninkrijk.
Deze posities zullen niet in de hemel zijn. Christus zei duidelijk dat Hij naar de hemel ging om voor iedere christen een plaats van gezag te 'bereiden'. Wanneer Hij weer op aarde komt, zullen die plaatsen worden toegekend. In vers 3 staat: kom Ik weder [terug naar de aarde] en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben [in het hoofdkwartier in de Tempel van God op aarde].
Wanneer Jezus als 'Koning der koningen' op aarde terugkeert, zal Hij tot de heiligen zeggen:
Mattheus 25:34  Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beŽrft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af.
En de Bijbel verklaart dat zij zullen heersen over alle volken hier op aarde en gezaghebbende functies in Gods Koninkrijk zullen bekleden!
De Bijbel verklaart dogmatisch dat niemand behalve Jezus zelf ooit naar de hemel is gegaan.
Johannes 3:13  En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen.
Kan er iets duidelijker zijn?
Maar hoe zit het dan met de 'misdadiger aan het kruis'? Ging die niet met Jezus nog op de dag van Zijn kruisiging naar de hemel?
Lukas 23:43  En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
Het antwoord is duidelijk en eenvoudig nee! Laten wij begrijpen waarom.
Ten eerste ging Christus zelf die dag niet naar de hemel. In plaats daarvan legde men Hem in een graf waar Hij drie dagen en drie nachten dood bleef. Ten tweede moeten wij op de context van dit vers letten. De dief had zojuist gevraagd, in vers 42: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt. Het ware feit is dat Jezus nog niet in Zijn Koninkrijk gekomen is, zoals voorgaande studies hebben aangetoond.
Ten derde moeten wij letten op wat de Bijbel zegt over het "paradijs" en waar dat zich bevindt.
Openbaring 2:7  Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is.
Openbaring 2:7  toont aan dat zich in het paradijs van God de boom des levens bevindt. En in Openbaring 22:1-2 (Statenvertaling), dat betrekking heeft op "de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God" (Openbaring 21:10), zien wij dat de boom des levens zich in het nieuwe Jeruzalem bevindt. Het paradijs van God bevindt zich dus in het nieuwe Jeruzalem.
Jezus zei dat de berouwvolle misdadiger met Hem in dit paradijs zou zijn. Het nieuwe Jeruzalem is evenwel nog niet voltooid. Jezus is nog steeds bezig er voor ware christenen een plaats te bereiden. In het begin van het Millennium zal het op aarde neerdalen. Pas na het Millennium en het Oordeel van de Grote Witte Troon (Openbaring 20:1-5, 11-12) zal de berouwvolle dief het paradijs binnengaan!
En ten vierde is dit vers in veel bijbelvertalingen op onjuiste wijze van leestekens voorzien. Er waren in het Grieks geen komma's toen het Nieuwe Testament werd geschreven. Toen de vertalers komma's invoegden, werden die dus geplaatst waar de vertalers meenden dat ze thuishoorden. In de meeste gevallen is de interpunctie correct, maar in dit speciale geval niet. Christus zei niet: "Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.", maar: "Ik zeg u heden, gij zult met Mij in het Paradijs zijn."
Het woord 'heden' benadrukt het tijdstip van Zijn belofte – niet het tijdstip waarop Jezus in het paradijs zou zijn. Jezus merkte de berouwvolle houding van de man op en kon hem daarom vertellen dat hij uiteindelijk opnieuw zou leven, met Christus, in het paradijs. Dat paradijs is echter nog niet op deze aarde gekomen en de berouwvolle zondaar is nog steeds dood!
Wie de Here verwachten, de gezegenden, de rechtvaardigen, die Zijn weg houden zullen de aarde erven en daarop in eeuwigheid wonen leert ons Psalmen 37:9, 22, 29 en 34 (Statenvertaling).
Psalmen 37:9  Want boosdoeners worden uitgeroeid, maar wie de Here verwachten, zij zullen het land beŽrven. [Statenvertaling: die zullen de aarde erfelijk bezitten].
Mankeert er iets aan het bezit van de aarde als eeuwig erfgoed? Neemt u 'genoegen' met de aarde?
De aarde zou nu een bijzonder mooie plaats zijn om te leven als de zonde er niet zou zijn, de opstandigheid jegens God en Zijn geestelijke Wet, die, wanneer ze in acht genomen zou worden, tot vrede, geluk en vreugde leidt! Geluk en vreugde zijn niet afhankelijk van een geografische plaats. Ze zijn een toestand van de geest!
Er zal geen zonde zijn onder de onsterfelijke leden van het Koninkrijk van God. Geen leugenaars, geen moordenaars, geen dieven of rovers. Er zullen geen oorlogen zijn, geen ziekten of kwalen; geen honger of gebrek!
Wat een schitterende erfenis!
Na het bestuderen van de betreffende bijbelteksten wordt het helder als kristal dat de bestemming van Gods heiligen niet is het tot in alle eeuwigheid hoog in de hemel op harpen tokkelen. Die bestemming is oneindig veel glorieuzer en spannender! 

De hemel op aarde

De regering van Christus zal in het Millennium volkomen anders zijn dan de huidige wereld. De hele aarde zal dan een utopisch paradijs worden, schitterend als de Hof van Eden!
Maar hoe zal de aarde eruitzien wanneer het Millennium voorbij is en Gods Meesterplan voor de mensheid voltooid is – wanneer alle rechtvaardigen een verheerlijkt, onsterfelijk, uit geest bestaand lichaam zullen hebben ontvangen en alle onverbeterlijke zondaars tot as zullen zijn verbrand?
2 Petrus 3:12  vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten. 13  Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.
Openbaring 21:1  En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.

Wie zullen er op de nieuwe aarde wonen?
Vers 24  En de volken zullen bij haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar; 25  en haar poorten zullen nooit gesloten worden des daags, want daar zal geen nacht zijn; 26  en de heerlijkheid en de eer der volken zullen in haar gebracht worden. 27   En in haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam.
Deze 'volken' zullen bestaan uit de onsterfelijke Zonen van God. Hun namen staan in het boek des levens.
Wat zal de hoofdstad van de nieuwe aarde zijn?
Openbaring 21:2  En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is.
Vers 10  En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God.

Vers 14  En de muur der stad had twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams.
Het zal een schitterende, luisterrijke stad zijn met straten van goud.
Vers 18  En de bouwstof van haar muur was diamant; en de stad was zuiver goud, gelijk zuiver glas.
Vers 21  En de twaalf poorten waren twaalf paarlen: iedere poort afzonderlijk was uit een parel; en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas.

In de verzen 2 en 10 van dit hoofdstuk staat dat deze stad uit de hemel zal komen.
Hoe duidelijk is het dus dat christenen niet naar de hemel gaan wanneer zij sterven of wanneer zij worden opgewekt, maar dat juist het 'hemelse Jeruzalem' naar de aarde komt!
God de Vader zal dan persoonlijk op aarde komen wonen om het nieuwe Jeruzalem tot de plaats van Zijn troon te maken?
Vers 3  En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn.
Vers 22  En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. 23   En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam.
Openbaring 22:3  En niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren. 4  en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn.

Het nieuwe Jeruzalem zal op deze aarde neerdalen en voor alle eeuwigheid Gods hoofdkwartier worden! De aarde is bestemd om het centrum van alle activiteit in het universum te worden!
Waarom zou iemand die inzicht heeft in de grote toekomstplannen die God met de aarde heeft en begrijpt dat de Vader zelf Zijn hoofdkwartier naar deze aarde wil verplaatsen, nog 'naar de hemel' willen gaan?
Na de Bijbel te hebben bestudeerd, moet het duidelijk zijn dat de hemel niet het 'loon' is van hen die behouden zijn. Christenen gaan niet naar de hemel wanneer zij sterven of opgewekt worden. De waarheid is dat de hemel naar de aarde zal komen. De aarde zal het hoofdkwartier worden van waaruit de Vader Zijn onmetelijke schepping zal besturen!
Zult u op die nieuwe aarde wonen? Zult u deel uitmaken van die schitterende wereld?
Wanneer Jezus Christus terugkeert zal Hij zeggen: "Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beŽrft het Koninkrijk, dat u bereid is …" (Mattheus 25:34).
Moge God u helpen te behoren tot degenen die tezamen met Abraham, Izak en Jakob het Koninkrijk van God beŽrven!

 

<><><>

 

 

Terug naar de Home Page

click tracking