Voor literatuurlijst klik hier.

Laat God uw strijd voeren

 

De wereld waarin we leven, is een wereld vol problemen. We hebben niet alleen onze persoonlijke problemen, maar we hebben ook te lijden onder de tegenstand en vijandigheid van de wereld om ons heen.

Het is tijd, dat we erover nadenken hoe we deze problemen kunnen overwinnen – hoe we er vrij van kunnen zijn – hoe we God onze strijd kunnen laten voeren!

In de korte tijd die ons nog rest voor de terugkomst van Jezus Christus zullen de problemen zich opstapelen. Zo leert ons de Bijbel. De verkilling, de liefdeloosheid van de mens, is de basis van het snel in omvang en intensiteit toenemende lijden. In deze les wordt de enig effectieve bron van hulp aangeboden en de voorwaarde waarop wij daarop een beroep kunnen doen.

 

Een nog niet geleerde les

Als de mensheid van vandaag niet gelukkig is – de toestand in de wereld chaotisch, het leven leeg en zonder doel, de geest vol angst en zorgen, het lichaam geteisterd door ziekten en kwalen – dan is er een oorzaak! De omstandigheden zijn zoals wij (de mensheid) ze maken!

De sterfelijke mens, die in duisternis en verwarring rondtast, heeft de omstandigheden gemaakt zoals ze zijn. De mensheid oogst wat zij heeft gezaaid! Alleen het rechtstreekse en almachtige, bovennatuurlijke ingrijpen van de Almachtige God kan deze wereld van al haar problemen verlossen.

Door stelselmatige overtredingen van Gods onwrikbare wetten van liefde is het onmogelijk dat door de huidige verkeerde manier van leven een of ander menselijk utopia tot bestaan komt. Integendeel, de Eeuwige God zal weldra ingrijpen en de wereld gaan besturen – en zo de mensheid tot zijn levenswijze brengen, tot zijn rechtvaardige wetten, die alleen dit gelukkige morgen tot stand kunnen brengen!

Wij moeten een les leren. Zelfs al brengt een koppige en opstandige mensheid in de nabije toekomst nog duisterder dagen over de wereld, bedenk dan: het is het donkerst vlak voordat de zon opgaat. Put hoop uit de stellige wetenschap, dat de nieuwe wereld van Gods makelij – en onder zijn heerschappij thans zeer nabij is!

Maar hoe staat het met ons en onze eigen problemen? Wat voor de ťťn een klein probleem is, is voor de ander een groot probleem. De zorgen van anderen wordt vaak verkeerd beoordeeld of genegeerd. Maar wij moeten iets leren – en dat is goed nieuws. Mensen hebben veel zorgen en angsten, die ze niet hoeven te hebben!

Het leven is eenvoudig vol persoonlijke strijd. Wij moeten angsten en zorgen bestrijden. Soms lijkt het of we mensen moeten bestrijden, die vijanden lijken te zijn. Vaak is het een echtgenoot of echtgenote of een schoonmoeder, een collega of chef op het werk. En, we moeten ook strijd voeren met onszelf!

Het is net alsof er een horde vijanden bestreden moet worden – al die moeilijkheden, die omstandigheden, die dingen die tegenzitten, die verleidingen! Maar er is een manier om ons van deze moeilijkheden te bevrijden. Er is een uitweg! Wij kunnen verlost zijn van het bestrijden van al die vijanden op ťťn na – onszelf, en we kunnen hierbij veel steun, kennis en kracht krijgen!

Hier volgt waar wij die steun kunnen vinden!

 

Jezus Christus – de Bevrijder!

De Eeuwige Schepper en Heerser van het heelal – de God die ons de lucht schenkt, die we inademen – zond 2000 jaar geleden zijn eigen verwekte Zoon, Jezus Christus, in deze wereld om ons de levenswijze te brengen die ons bevrijdt van al onze zorgen en problemen of ons leert om te gaan met beproevingen. Waarom luisteren we dan niet naar de levenswijze, die Hij ons onderwees? En waarom denken zoveel mensen over Hem als een sekteleider die in zijn tijd voor veel oproer zorgde. Of als over een dode Christus, die aan een kruis hangt? De Almachtige God wekte Hem op vanuit de doden. Jezus Christus is onze levende Heiland en Hogepriester, evenzeer als de Schepper een levende Heerser is over het gehele universum!

Beseffen we, dat Jezus Christus, de levende, opgestane Christus, aan wie alle macht gegeven is, ook nu een opdracht te vervullen heeft? Dat het zijn huidige opdracht is zijn Gemeente te leiden, voor alle leden de strijd te voeren – ons te bevrijden – ons te verlossen van al onze angsten en moeilijkheden en zelfs van de omstandigheden, die ons in het nauw drijven?

Velen zoeken hulp bij naasten, vertrouwenspersonen, en dat is goed. Het is goed als we die naasten hebben of zelf zo'n naaste voor een ander kunnen zijn en kunnen praten over huwelijksmoeilijkheden, narigheid als gevolg van sterfgevallen – allerlei problemen. We behoren als mens te doen wat in ons vermogen ligt. We gaan naar een medemens omdat hij of zij een mens is – iemand, die we kunnen zien – wiens stem we kunnen horen. Maar omdat die persoon maar een mens is, heeft hij of zij de capaciteit, noch de kracht om in alle situaties van dienst te kunnen zijn. We doen ons best, maar de mens is beperkt in zijn mogelijkheden.

Waarom voeren wij onze eigen strijd, als Jezus Christus – de levende Heiland – leeft en alle kracht bezit om die strijd voor ons te voeren?

Hij bestaat. Hij is goddelijk. Waarom gaan sommigen van ons door met tobben, als Hij er is met alle macht van de goddelijke Schepper om ons van al onze zorgen te bevrijden?

Waarom? Om ťťn van de twee volgende redenen! Of wij zijn niet volledig op de hoogte van deze grote, alles omvattende goddelijke krachtbron, die wij naar wens te hulp kunnen roepen – wij hebben niet beseft welk een alles-overwinnende steun wij kunnen krijgen – of wij hebben door een tekort aan geloof of door nalatigheid achterwege gelaten die bovennatuurlijke steun in te roepen, toen we die nodig hadden!

Begrijpen en geloven we dat God een God van liefde is – dat God in al zijn opperste macht boven alles wil, dat het ons goed gaat en dat wij gezond zijn en dat wij de weg vinden naar een gelukkig, vervuld en overvloedig leven? Dat Jezus Christus een levende Verlosser is, tot wie wij ons te allen tijde kunnen wenden – een Verlosser die ons van onze huidige, dagelijkse angst en zorg kan bevrijden, van moeilijkheden, ziekte en beproevingen, en tenslotte ons van de eeuwige dood kan redden?

HebreeŽn 4:16  Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

Weet ook dat ware gelovigen beproefd worden met een doel. In de loop van duizenden jaren komt menigeen in aanraking met ziekte. Ook Christus zelf werd er mee geconfronteerd. Tegenslagen, in welke vorm dan ook, vormen ons karakter. Christus kan alle problemen direct van ons wegnemen, maar ook besluiten ze (enige tijd) toe te laten. Maar het dragen van zorgen kan door Christus' ingrijpen een geheel andere dimensie krijgen.

Jakobus 1:2  Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, 3  want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. 4  Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet. 5  Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden. 6  Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. 7  Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen, 8  innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen. 9  Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid, 10  maar de rijke in zijn geringheid, want als een bloem in het gras zal hij vergaan. 11  Want de zon komt op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk verdwijnt; zo zal ook de rijke met zijn ondernemingen verwelken. 12  Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.

 

God is geÔnteresseerd in ons huidige leven

Het behoud dat God geeft is niet iets, dat we pas ontvangen, nadat we gestorven zijn – het is een praktisch, nuchter, nuttig behoud, dat nu, in ons leven van iedere dag, begint!

Wat een onnodige pijn hebben velen geleden. Met wat een nodeloze angst en zorg zijn wij misschien belast geweest. Van wat een prachtige momenten en geluk hebben wij onszelf misschien wel beroofd, alleen omdat we ons niet bewust zijn geweest van juist de aanwezige en almachtige steun van onze levende Verlosser!

Wat er eigenlijk gebeurt, is dat we het hoofd hebben moeten bieden aan vijanden, die veel krachtiger waren dan wij. Deze vijanden kunnen zich hebben voorgedaan in de vorm van onvoorziene omstandigheden, zorg, werk of zelfs andere mensen. Het is niet nodig, dat deze vijanden ons leven ongelukkig maken.

 

Voorbeeld uit het Oude Testament

Hebben we werkelijk ooit de volle betekenis van 1 Cor. 10:11 doordacht – dat de voorvallen in het leven van Gods volk in het Oude Testament opgetekend werden om ons tot lering en steun te dienen?

1 CorinthiŽrs 10:11  Dit is hun overkomen tot een voorbeeld [voor ons] en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.

Laten we de ervaring van een man, die in die tijd leefde als voorbeeld nemen. Deze man ontdekte, dat hij kon vertrouwen op de Almachtige God. Deze man moest, een veel afschrikwekkender probleem trotseren dan waardoor de meesten van ons ooit in het nauw gedreven zijn. Zijn ervaring zal ons laten zien wat wij, heden ten dage, kunnen doen!

Als wij dit eenmaal begrijpen, zullen we moeten leren God op zijn Woord te geloven – in gebed een beroep op God te doen – wij zullen God moeten vragen om wat wij nodig hebben, we zullen misschien wel moeten leren hoe wij moeten bidden.

De Almachtige God zal werkelijk in ons leven ingrijpen en ons helpen en onze strijd voeren. Wij moeten wel bedenken, dat God handelt zonder aanzien des persoons. Hij zal voor de ťťn niet meer doen dan voor de ander. Hij zal evenveel voor ons doen als voor ieder ander, die ooit geleefd heeft. Hij zal evenveel voor ons doen als we Hem gehoorzamen en op Hem vertrouwen – als voor elke willekeurige koning van IsraŽl of Juda uit de Oudheid! Maar de hulp kan wel anders zijn. Vaak blijkt dat ook, want Jezus Christus weet precies wat voor ieder van ons nuttig is.

Wij kunnen wel een probleem hebben, dat ons volledig overweldigt. Wij kunnen wel ten einde raad zijn – we weten niet wat te doen! Het kan een gezinsprobleem, een persoonlijk probleem, een probleem betreffende werk of een ziekte of kwaal zijn.

Maar lees eens over een man, die in een situatie belandde, die veel afschrikwekkender was dan de meesten van ons ooit gekend hebben – een situatie, die angst en verschrikking zou brengen in het stoutmoedigste hart. De oplossing, die deze man gebruikte, zal onze problemen oplossen, een eind maken aan onze moeilijkheden. Of in een geheel ander perspectief plaatsen. Dezelfde God, die naar hem luisterde en hem verloste, zal naar ons luisteren en ons verlossen – als wij Hem maar gehoorzamen en vertrouwen.

Het feit, dat deze man een koning uit de Oudheid was, maakt geen verschil. God handelt zonder aanzien des persoons – Hij zal hetzelfde voor ons doen. God is vandaag en morgen dezelfde als hij gisteren was. Deze man was koning Hizkia van het oude koninkrijk Juda. Hij was een gewoon, sterfelijk mens, zoals wij.

 

God grijpt in ten behoeve van de mens

De grote legers van AssyriŽ trokken naar het zuiden en westen om Juda binnen te dringen. De Joden waren verreweg in de minderheid. Ze hadden geen leger of macht om zich tegen zo'n machtige vijand te weren. Zij waren hulpeloos zoals wij ons hulpeloos kunnen voelen ten opzichte van de moeilijkheden, waarmee we momenteel geconfronteerd worden.

Als we proberen om eigen moeilijkheden op te lossen, slechte gewoonten te overwinnen, zonden te weerstaan, dan kunnen we met een juiste instelling soms redelijk succesvol zijn. Maar de werkelijke overwinning behalen op niets meer dan onze eigen kracht, is onmogelijk en vaak zullen we ons ook verre de mindere voelen, overweldigd en tot een nederlaag gedoemd! We moeten net als deze koning uit de Oudheid leren, dat God klaar staat en bereid is onze strijd te voeren. Lees over zijn ervaringen in 2 Kronieken 32:

2 Kronieken 32:1  Na deze gebeurtenissen, waarin [Jechizkia’s] trouw bleek, rukte Sanherib, de koning van Assur, op. Hij trok Juda binnen, belegerde de versterkte steden en dacht ze te veroveren. 2  Toen Jechizkia zag, dat Sanherib gekomen was met het plan tegen Jeruzalem te strijden, 3  overlegde hij met zijn oversten en zijn helden om de waterbronnen buiten de stad dicht te stoppen, en zij zegden hem hun hulp toe. 4  Er kwam veel volk samen, dat al de bronnen en de beek die midden door dat land stroomde, dichtstopte, en zeide: Waarom zouden de koningen van Assur bij hun komst zoveel water vinden? 5  Met man en macht herstelde hij de gehele afgebroken muur, bouwde daarop torens en daarbuiten een andere muur. Voorts versterkte hij de Millo van de stad Davids en maakte werpspiesen en schilden in menigte.

De koning deed wat in zijn vermogen lag.

Vers 6  Ook stelde hij krijgsoversten over het volk; hij verzamelde hen bij zich op het plein van de stadspoort en sprak hen bemoedigend toe: 7  Weest sterk en moedig, vreest niet en wordt niet verschrikt voor de koning van Assur en de gehele menigte die met hem is, want met ons is meer dan met hem. 8  Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is de HERE, onze God, die ons helpt en onze oorlogen voert. En het volk steunde op de woorden van Jechizkia, de koning van Juda. 9   Hierna zond Sanherib, de koning van Assur, die zelf met zijn gehele macht voor Lakis lag, zijn dienaren naar Jeruzalem, tot Jechizkia, de koning van Juda, en tot alle JudeeŽrs die zich in Jeruzalem bevonden, met de boodschap: 10  Zo zegt Sanherib, de koning van Assur: waarop vertrouwt gij, terwijl gij in Jeruzalem ingesloten zit? 11  Misleidt Jechizkia u niet, om u van honger en dorst te laten sterven, door te zeggen: de HERE, onze God, zal ons uit de macht van de koning van Assur redden? 12  Heeft niet deze zelfde Jechizkia zijn hoogten en altaren verwijderd en tot Juda en Jeruzalem gezegd: voor ťťn altaar zult gij u neerbuigen en daarop offers ontsteken? 13  Weet gij niet, wat ik en mijn vaderen gedaan hebben aan al de natiŽn der andere landen? Hebben soms de goden der volken van die landen hun land uit mijn macht kunnen redden? 14  Wie is er onder al de goden dezer volken, welke mijn vaderen met de ban getroffen hebben, die zijn volk uit mijn macht kon redden, dat uw God u uit mijn macht zou kunnen redden? 15  Nu dan, laat Hizkia op deze wijze u niet bedriegen noch u misleiden, en gelooft hem niet, want geen enkele god van enige natie of koninkrijk heeft zijn volk uit mijn macht en uit de macht mijner vaderen kunnen redden; hoeveel te min zal uw God u uit mijn macht kunnen redden! 16   En nog meer spraken zijn dienaren tegen de HERE God en tegen diens knecht Jechizkia. 17  Ook had hij een brief geschreven, waarin hij de HERE, de God van IsraŽl, hoonde en van Hem zeide: Evenmin als de goden van de volken der andere landen hun volk uit mijn macht gered hebben, zal de God van Jechizkia zijn volk redden uit mijn macht. 18  En zij riepen met luide stem in het Judees tot het volk van Jeruzalem op de muur, om hen bevreesd te maken en hen te verschrikken, opdat zij de stad zouden kunnen innemen. 19  Aldus spraken zij over de God van Jeruzalem als over de goden van de volken der aarde, het maaksel van mensenhanden.

Kijk nu eens wat de koning van Juda deed:

Vers 20  Maar koning Jechizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden deswege en riepen naar de hemel.

Ze baden om hulp. Ze wisten niet hoe God tussenbeide zou komen. Maar ze wisten, dat God het zou doen!

Vers 21  Toen zond de HERE een engel, die alle krijgshelden, vorsten en oversten in de legerplaats van de koning van Assur verdelgde, zodat hij met beschaamd gelaat naar zijn land terugkeerde. Eens, toen hij het huis van zijn god was binnengegaan, hebben zijn eigen zonen hem daar met het zwaard geveld. 22  Aldus verloste de HERE Jechizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de macht van Sanherib, de koning van Assur, en uit de macht van alle anderen, en Hij gaf hun rust aan alle zijden.

Deze ervaring werd neergeschreven in Gods eigen Woord om ons te onderrichten en de juiste weg te wijzen!

Misschien worden we geconfronteerd met een vijand, die sterker is dan wij. Het kan de een of andere verleiding zijn. Het kan de een of andere omstandigheid, situatie of moeilijkheid zijn. Een of ander ernstig probleem. We moeten ons zelf dan de vraag stellen: ”Waarop steun ik om de belegering door dit probleem te weerstaan – om mij ervan te verlossen?”

 

Vertrouw op God en op zijn macht

Wat doen velen als zich de een of andere angst, zorg of moeilijkheid voordoet? Worden we niet eerst angstig en maken we ons niet eerst zorgen en proberen we dan niet ofwel ons voor die moeilijkheid te verschuilen, ofwel die op eigen kracht het hoofd te bieden – volgens onze eigen redenering, planning en daden? Natuurlijk moet ook een ware christen reageren op problemen, maar laat God er niet buiten. Raadpleeg eerst Hem.

Hebben we ooit in ons eigen hart en leven nagespeurd of het onze eigen schuld was? Bij een probleem met de familie, in het huwelijk of op het werk, heeft natuurlijk niet altijd de ander schuld. Hebben we misschien zelf fouten gemaakt?

Realiseren we ons wel terdege, dat juist de Schepper – die de mens heeft gemaakt, die ons het leven schenkt, die ons in zijn Gemeente roept – in staat is alle vormen van strijd voor ons te voeren en dat graag doet, net zoals Hij dat voor Hizkia deed,     als wij met de juiste houding zijn hulp inroepen en Hem om wijsheid en leiding vragen, op Hem vertrouwen en ook de uitkomst aan Hem overlaten?

Vaak zien we dat alleen maar de fysieke kant van een probleem in ogenschouw wordt genomen. Geduld speelt ook dikwijls een rol. Neem het besluit God te gehoorzamen en niet uitsluitend – en soms helemaal niet – naar materiŽle omstandigheden te kijken en menselijke rede te gebruiken om God ongehoorzaam te zijn. God weet beter wat in ons belang is dan wij zelf. Doe wat God in de Bijbel leert, en laat de oplossing aan Hem over.

Maar te veel mensen vertrouwen niet op God – ze vertrouwen op hun eigen menselijke rede. Ze geven gevolg aan een impuls en de verleiding. Het leven kan daardoor ellendig en diep ongelukkig worden.

Weersta de verleiding als het niet in overeenstemming is met Gods wil en gehoorzaam God en vertrouw op de Eeuwige om de omstandigheden te beÔnvloeden. Ons geloof wordt beproefd en getest. God antwoordt niet altijd onmiddellijk – maar, te gelegener tijd, komt de juiste oplossing. Misschien heel anders dan wij verwachten.

 

De ervaring van koning Josafat

We nemen nog een voorbeeld – een opmerkelijke ervaring, die ons de uitweg zal tonen uit al onze moeilijkheden en problemen.

Als wij God zijn gang laten gaan in ons leven, zijn wij begonnen te leren Hem onze strijd te laten voeren, onze problemen op te laten lossen en ons te bevrijden van de vele moeilijkheden, waaronder we lijden. Nogmaals, als wij God zijn gang laten gaan, want dat doen we niet als we onze eigen principes volgen.

Let nu eens op de ervaring, die opgeschreven is om ons nu te onderrichten en te helpen:

2 Kronieken 20:1  Daarna geschiedde het, dat de Moabieten, de Ammonieten en met hen een deel van de MeŁnieten tegen Josafat ten strijde trokken. 2  Men kwam Josafat melden: Een grote menigte is tegen u opgetrokken van de overkant der zee, uit Aram; zie, zij zijn in Chaseson-tamar (dat is Engedi). 3  Toen werd Josafat bevreesd…

In die omstandigheid is vrees een menselijke reactie. Maar kijk eens wat de koning van Juda deed.

Vers 3 (vervolg)  … en besloot de HERE te raadplegen; hij riep voor geheel Juda een vasten uit, 4  en Juda kwam bijeen om hulp te zoeken bij de HERE; ja, men kwam uit al de steden van Juda om de HERE te zoeken.

Josafat deed precies wat God wil, wat wij heden ten dage zouden moeten doen, als wij voor de een of andere verleiding of moeilijkheid komen te staan: hij legde het God voor in gebed en met vasten! Maar het is beter eerst Gods wil te doen, voordat wij Hem nodig hebben voor een probleem.

En terwijl hij God om hulp bleef vragen, zei hij:

Vers 6  … HERE, God onzer vaderen, zijt Gij niet God in de hemel, heerst Gij niet over al de koninkrijken der volken? In uw hand is kracht en sterkte, niemand kan standhouden tegen U. 7  Zijt Gij niet onze God, die voor het aangezicht van uw volk IsraŽl verdreven hebt de inwoners van dit land en dit voor altijd hebt gegeven aan het nakroost van Abraham, uw vriend? 8  Zij woonden daarin, bouwden U daarin voor uw naam een heiligdom en zeiden: 9  Indien ons een onheil overkomt: zwaard, gericht, pest of honger, dan zullen wij ons voor dit huis en voor uw aangezicht stellen, want uw naam is in dit huis; wanneer wij in onze benauwdheid tot U roepen, zult Gij horen en helpen. 10  Nu dan, zie, de Ammonieten, de Moabieten en de lieden van het gebergte SeÔr, tegen wie Gij IsraŽl niet toestondt op te rukken, toen het uit het land Egypte kwam (want het trok langs hen heen en verdelgde hen niet).

Er was geen aanleiding voor deze buren om vijandig te zijn. Toch is het zo, dat soms ook uw eigen buren of kennissen uw vijanden worden.

Maar lees eens wat de koning tegen God zei:

Vers 11  zie toch, zij vergelden het ons door op te trekken om ons uit uw bezitting die Gij ons ten erve hebt gegeven, te verdrijven. 12  Onze God, zult Gij over hen niet gericht houden? Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt, en wij weten niet, wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd.

 

God verhoort gebed

Josafat riep God aan om hen te hulp te komen. Hier volgt Gods antwoord.

Vers 14  Toen kwam in het midden der gemeente de Geest des HEREN op de Leviet Jachazie… en hij zeide: Luistert, geheel Juda en inwoners van Jeruzalem en koning Josafat! Zo zegt de HERE tot u: weest niet bevreesd en wordt niet verschrikt voor deze grote menigte, want het is geen strijd van u, maar van God. 16  Morgen moet gij tegen hen oprukken; wanneer zij de helling van Sis bestegen hebben, zult gij hen aantreffen aan het einde van het beekdal voor de woestijn van JeruŽl. 17  Niet gij zult hierbij behoeven te strijden: stelt u op, blijft staan, dan zult gij zien, dat de HERE u de overwinning geeft. Juda en Jeruzalem, weest niet bevreesd en wordt niet verschrikt; morgen moet gij tegen hen uittrekken, de HERE is met u.

En zie nu hoe Josafat God gehoorzaamde, nadat God hem geÔnstrueerd had.

Vers 20  De volgende morgen vroeg trokken zij uit naar de woestijn van Tekoa. En terwijl zij uittrokken, trad Josafat naar voren en zeide: Luistert naar mij Juda en inwoners van Jeruzalem, gelooft in de HERE, uw God, en gij zult bevestigd worden, gelooft in zijn profeten en gij zult voorspoedig zijn. 21  Na het volk te hebben geraadpleegd, stelde hij mannen op, die de HERE een lied zongen en Hem loofden in heilige feestdos, terwijl zij voor de gewapenden uittrokken en zeiden: Looft de HERE, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 22  Op het ogenblik, dat zij de jubel en de lof aanhieven, liet de HERE de Ammonieten, de Moabieten en de lieden van het gebergte SeÔr, die tegen Juda waren opgerukt, uit hinderlagen overvallen, en zij werden verslagen. 23  Daarop keerden de Ammonieten en de Moabieten zich tegen de bewoners van het gebergte SeÔr, om hen met de ban te slaan en te verdelgen.

Zij keerden zich tegen elkaar! Zo beantwoordde God Josafat.

Vers 23 (vervolg)  Zodra zij met de bewoners van SeÔr hadden afgerekend, hielpen zij elkander in het verderf. 24  Toen Juda gekomen was bij de wachttoren in de woestijn keerden zij zich naar het krijgsvolk, en zie, het waren slechts lijken, ter aarde nedergevallen: niemand was ontkomen.

Josafat liet niet zijn moeilijkheden aan God over om er dan zelf niets meer aan te doen. Allereerst bad hij en vroeg hij om wijsheid, leiding en hulp. Toen deed hij wat God zei. Hij moest zijn aandeel verrichten – maar het gevecht was Gods strijd en Josafat probeerde niet Gods strijd te voeren. Hij verrichtte alleen zijn aandeel. Maar hij geloofde God en vertrouwde op God.

Het punt dat wij in gedachten moeten houden, is dat onze strijd niet werkelijk van ons is, maar God toekomt. Als wij naar Hem kijken, maakt Hij het tot zijn strijd en voert die voor ons. Hoe zinloos is het als wij proberen Gods strijd voor Hem te voeren.

God zegt:

Psalmen 34:20  Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige, maar uit die alle redt hem de HERE.

God laat beproevingen toe. Het is noodzakelijk voor het ontwikkelen van goddelijk karakter.

1 Petrus 4:12  Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. 13  Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring zijner heerlijkheid. 14  Indien gij door de naam van Christus smaad lijdt, zijt gij zalig, daar de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u rust. 15  Laat dus niemand uwer moeten lijden als moordenaar, of dief, of boosdoener, of als een bemoeial. 16  Indien hij echter als Christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam. 17  Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?

God weet wat we nodig hebben, wat goed voor ons is. Paulus bad God om een lichamelijk probleem weg te nemen.

2 CorinthiŽrs 12:7  … Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. 8  Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten. 9  En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome.

Paulus heeft verdrukking gekend en is gemarteld evenals de twaalf apostelen.

MattheŁs 10:38  en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig.

Die kant van het leven van een christen moeten we ook begrijpen. Maar blijf de wil van God doen, dan kunnen we de beproevingen aan, omdat God onze strijd voert.

1 CorinthiŽrs 10:13  Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

 

Onder of zonder leiding van God

Voeren we strijd onder leiding van God of zonder leiding van God? Bestudeer de voorbeelden die de Bijbel ons geeft. Ook koning David van IsraŽl heeft Gods lessen moeten leren. God noemde hem een man naar zijn hart (Hand. 13:22).

De Filistijnen hadden een groot leger tegen IsraŽl op de been gebracht in de jaren dat Saul koning over IsraŽl was. De Filistijnen stonden aan de ene zijde op een berghelling, en IsraŽl aan de andere zijde op een berghelling, met het dal tussen hen in. Al veertig dagen trad elke morgen en avond een Filistijnse reus naar voren. Het was de ongeveer drie meter grote krijger Goliath, die in een harnas en zwaar bewapend IsraŽl tartte en vernederde.

1 SamuŽl 17:8  Hij stond daar en riep de slagorden van IsraŽl toe: Waarom trekt gij uit om u in slagorde te scharen? Ben ik geen Filistijn, en zijt gij geen knechten van Saul? Kiest u een man, en laat hij naar mij toe komen. 9   Indien hij met mij vermag te strijden en mij verslaat, dan zullen wij u tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en versla, dan zult gij ons tot knechten zijn en ons dienen. 10  Ook zeide de Filistijn: Ik tart heden de slagorden van IsraŽl: geeft mij een man, dat wij samen strijden. 11  Toen Saul en geheel IsraŽl deze woorden van de Filistijn hoorden, werden zij verschrikt en vreesden zeer.

De nog jonge schaapherder David, wiens broers dienst deden in het leger van Saul, kwam op zekere dag hen en legercommandanten voedsel brengen. Op dat moment stond Goliath weer op de berghelling en riep dezelfde dreigende woorden zoals hij dagelijks deed.

Vers 24  Toen alle mannen van IsraŽl de man zagen, sloegen zij voor hem op de vlucht en vreesden zeer. Vers 26  Toen zeide David tot de mannen die bij hem stonden: Wat zal men de man doen die de Filistijn daar verslaat en de smaad van IsraŽl afwentelt? Wie toch is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God tart? Vers 28  Toen Eliab, zijn oudste broeder, David met de mannen hoorde spreken, werd hij toornig op hem en hij zeide: Waarom zijt gij eigenlijk gekomen? En bij wie hebt gij die paar schapen daarginds in de woestijn achtergelaten? Ik ken uw overmoed en de boosheid van uw hart: gij zijt gekomen om de strijd te zien. 29  Maar David zeide: Wat heb ik nu misdaan? Het was maar een vraag. Vers 31  De woorden die David gesproken had, werden opgemerkt en men bracht ze aan Saul over. Deze liet hem halen. 32   En David zeide tot Saul: Laat niemand om hem de moed verliezen; uw knecht zal gaan en met deze Filistijn strijden. 33  Maar Saul zeide tot David: Gij zult met deze Filistijn de strijd niet kunnen aanbinden, want gij zijt nog jong en hij is een krijgsman van zijn jeugd aan. 34  David echter zeide tot Saul: Uw knecht was gewoon voor zijn vader de schapen te hoeden. Kwam er een leeuw of een beer, die een schaap uit de kudde wegroofde, 35  dan liep ik hem na, sloeg hem en redde het uit zijn muil. Als hij zich dan tegen mij keerde, greep ik hem bij zijn baard en sloeg hem dood. 36  Zowel leeuw als beer heeft uw knecht verslagen. En deze onbesneden Filistijn zal het vergaan als een van dezen, omdat hij de slagorden van de levende God getart heeft [dat zijn nu de ware christenen]. 37  Ook zeide David: De HERE, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuw en beer, Hij zal mij ook redden uit de hand van deze Filistijn. En Saul zeide tot David: Ga, en de HERE zal met u zijn.

David werd in een harnas geholpen, een helm opgezet en een zwaard gegeven. Maar...

Vers 39 …hij deed moeite om te lopen, want hij had het nog nooit beproefd. Toen zeide David tot Saul: Ik kan hierin niet lopen, want ik heb het nog nooit beproefd. Daarop ontdeed David zich ervan, 40  nam zijn staf in de hand, zocht zich vijf gladde stenen uit de beekbedding en deed ze in de herderstas, die hij bij zich had, in de tas voor de slingerstenen, maar zijn slinger hield hij in de hand. Zo naderde hij de Filistijn. 41  De Filistijn kwam al dichter bij David; voor hem uit ging de schilddrager. 42  Toen de Filistijn David in het oog kreeg en hem bezag, verachtte hij hem, omdat hij nog jong was; rossig, schoon van gestalte. 43  De Filistijn zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij met een stok op mij afkomt? En de Filistijn vervloekte David bij zijn goden. 44  Ook zeide de Filistijn tot David: Kom maar eens hier, dan zal ik uw vlees aan het gevogelte des hemels en aan het gedierte des velds geven. 45   Maar David zeide tot de Filistijn: Gij treedt mij tegemoet met zwaard en speer en werpspies, maar ik treed u tegemoet in de naam van de HERE der heerscharen, de God der slagorden van IsraŽl, die gij getart hebt. 46  Deze dag zal de HERE u in mijn macht overleveren … Vers 47  en deze gehele menigte wete, dat de HERE niet verlost door zwaard en speer. Want de strijd is des HEREN en Hij geeft u in onze macht. 48  Toen de Filistijn tot de aanval overging en al nader kwam, David tegemoet, haastte David zich en snelde op de slagorde toe, de Filistijn tegemoet, 49   stak zijn hand in de tas, nam er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn tegen zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong, en hij voorover ter aarde viel [in zijn overmoed had Goliath waarschijnlijk een gedeelte van zijn helm open gelaten, met open vizier]. Vers 51  David snelde toe, bleef bij de Filistijn staan, greep diens zwaard, trok het uit de schede en doodde hem. Hij hieuw hem het hoofd ermee af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun held dood was, sloegen zij op de vlucht. 52  De mannen van IsraŽl en Juda sprongen op, hieven een krijgsgeschreeuw aan en vervolgden de Filistijnen in de richting van Gat en tot aan de poorten van Ekron. En de verslagenen der Filistijnen lagen op de weg naar SaaraÔm, tot Gat en tot Ekron. 53   Daarna keerden de IsraŽlieten terug van de heftige achtervolging van de Filistijnen en plunderden hun legerplaats.

Het verslag toont duidelijk dat David streed onder Gods leiding, het was de strijd van God (vs. 47). David leverde wel zijn aandeel. Hij was een kundig krijgsman.

Toen hij later koning werd en oorlogen won, werd hij onder invloed van Satan geleid tot ijdelheid en meende de eer van de overwinningen naar zich zelf toe te kunnen trekken. Hij gaf daarom uit hoogmoed en eerzucht opdracht tot een telling van de strijdbare manschappen van IsraŽl, om te weten hoe groot en machtig het leger was. Hij meende op eigen kracht zijn macht uit te kunnen breiden.

2 SamuŽl 24:2  Toen zeide de koning tot de legeroverste Joab, die bij hem was: Doorkruis al de stammen van IsraŽl van Dan af tot Berseba toe; telt het volk, opdat ik het getal van het volk wete. 3  Toen zeide Joab tot de koning: De HERE, uw God, moge aan het volk honderdmaal zoveel toevoegen als er zijn, en mogen de ogen van mijn heer de koning het zien; waarom echter wenst mijn heer de koning dit? 4  Maar het bevel van de koning was sterker dan het verzet van Joab en de legeroversten; dus gingen Joab en de legeroversten heen in opdracht van de koning om het volk IsraŽl te tellen. Vers 8  Nadat zij het gehele land doorkruist hadden, kwamen zij na verloop van negen maanden en twintig dagen weer te Jeruzalem. 9  En Joab meldde de koning de uitkomst van de volkstelling: IsraŽl telde achthonderdduizend krijgslieden die het zwaard konden voeren; en de mannen van Juda waren vijfhonderdduizend. 10  Maar David had wroeging, nadat hij het volk geteld had, en David zeide tot de HERE: Ik heb zwaar gezondigd, doordat ik dit gedaan heb; nu dan, HERE, doe toch de ongerechtigheid van uw knecht weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld.

Dit is een voorbeeld van strijd willen voeren zonder de leiding van God. Het berouw toont ook de ware aard van David, maar hij ontliep de straf van God niet.

 

Zorg er voor dat God ons kŠn helpen

Roep altijd de hulp van God in, maar laten we ons niet schuldig voelen als God niet direct ingrijpt of denk niet dat God niet luistert. God luistert altijd mits we zijn wil doen. Het is een voorwaarde dat we God gehoorzaam zijn.

Jeremia 5:23  Maar dit volk heeft een weerbarstig en weerspannig hart, zij zijn afgeweken en heengegaan, 24  zij hebben niet bij zichzelf gezegd: Laat ons toch de HERE, onze God, vrezen, die regen geeft, de vroege en late regen, op zijn tijd, die de vaste oogstweken ons bewaart. 25  Uw ongerechtigheden weren deze dingen en uw zonden houden het goede van u terug.

Jesaja 59:1  Zie, de hand des HEREN is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; 2  maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort.

Dit is helaas de situatie waarin de mens zichzelf heeft gebracht – afgescheiden van God. En toch mopperen de mensen en lasteren God omdat Hij hun gebeden niet verhoort. Maar Hij zal antwoorden na oprecht berouw en bekering.

In het Nieuwe Testament lezen wij:

EfeziŽrs 2:8  Want door genade zijt gij behouden, door het geloof.

Ja, maar het soort geloof, dat ons redt is een levend geloof, dat praktisch is – het werkt – het verlaat zich werkelijk op God! Breng het in praktijk!

Jakobus 2:14  Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? 15   Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, 16  en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit? 17  Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. 18  Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ik heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken. 19  Gij gelooft, dat God ťťn is? Daaraan doet gij wel, maar dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen. 20  Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt? 21  Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isašk op het altaar legde? 22  Daaruit kunt gij zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat dit geloof pas volkomen werd uit de werken; 23   en het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd. 24  Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof [het valse christendom vertelt ons een ander evangelie]. 25  En is niet evenzo Rachab, de hoer, uit werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers in huis nam en langs een andere weg liet heengaan? 26  Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.

In de jaren voor de terugkomst van Jezus Christus zullen de problemen in hevigheid en omvang drastisch toenemen vanwege de verkilling en ongehoorzaamheid aan God onder de mensen. Laten we deze les gebruiken om aan de voorwaarden voor de juiste hulp te voldoen en laten we ons wapenen met het wapenschild van de Almachtige God en Hij zal onze problemen oplossen.

Sommige conflicten kunnen leiden tot een neiging tot het nemen van wraak.

Romeinen 12:19  Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn [van God], want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here.

HebreeŽn 10:30  Want wij weten, wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden! En wederom: De Here zal zijn volk oordelen. 31   Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God!

God belooft ons geen gemakkelijke tijd gedurende ons leven. Maar Hij belooft wel voor ons onze strijd te voeren – en ons te bevrijden van elk probleem en elke bezoeking. Als een jong onschuldig kind wordt geplaagd door een paar oudere blagen, zal pa of ma duidelijk laten merken: als je aan mijn kind komt, kom je aan mij! Bedenk dat wij kinderen zijn van de Almachtige God die graag de strijd voor ons wil voeren. Willen we Hem dat laten doen en leren hoe gelukkig ons leven kan worden?

Zelfs verdrukking kan ons het ware geluk niet afnemen.

Vers 32  Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt, 33  hetzij zelf een schouwspel van smaad en verdrukking, hetzij deelnemende aan het lot van hen, die in zulk een toestand verkeerden. 34  Want gij hebt met de gevangenen mede geleden en de roof van uw bezit blijmoedig aanvaard, want gij wist, dat gijzelf een beter en blijvend bezit hebt. 35   Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. 36  Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van Gods doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. 37  Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten.

God moge u helpen dit te begrijpen.

 

Terug naar de Home Page

web analytics