Voor literatuurlijst klik hier.

Wat betekenen het Oude

en het Nieuwe Verbond?

 

Over het oude en het nieuwe verbond bestaan veel verkeerde opvattingen. In deze publicatie  worden de verschillende feiten ten aanzien van beide verbonden uiteengezet en wordt uitgelegd wat het belang ervan is voor ons vandaag.

 

In de de christelijke wereld denkt men veelal dat de Tien Geboden vůůr de tijd van Mozes niet bestonden en dat ze slechts tot de dood van Jezus Christus van kracht waren. Volgens deze opvatting is Jezus gekomen om een nieuw verbond in te stellen dat enkel genade en beloften bevat en geen wetten. In werkelijkheid echter werd de wet van God niet pas van kracht toen God op de berg SinaÔ het verbond met het oude IsraŽl sloot.
Teneinde het oude en het nieuwe verbond volledig te begrijpen moeten wij een zeer fundamenteel feit in het oog houden: Gods wet van liefde bestond reeds lang vůůr Adam en Eva.
Gods levenswijze wordt gekenmerkt door liefde. God heeft het Woord en het Woord heeft God altijd liefgehad. Zij hebben altijd in volmaakte harmonie geleefd.
Johannes 10:30  Ik en de Vader zijn ťťn.
De liefde die zij bezitten kenmerkt alles wat God doet.
Gods liefde richt zich op anderen. God bekommert zich om het welzijn van al Zijn schepsels. Gods liefde uit zich in een houding van samenwerking, dienstbaarheid en hulpvaardigheid. Het is de weg van geven in plaats van nemen.
God wil ons allen Zijn weg van liefde onderwijzen. Hoe nu laat Gods liefde zich omschrijven?
1 Johannes 5:3  Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar.
Jezus, het vleesgeworden Woord, zei tot een rijke jongeman: "Onderhoud de geboden" (Matth. 19:17). De jongeman vroeg welke geboden Jezus bedoelde. Jezus antwoordde: "Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en uw moeder, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (vers 18-19). Het is duidelijk dat Jezus sprak over de Tien Geboden.
De Tien Geboden vormen een eeuwige wet, een wet die liefde is en waarvan liefde de vervulling is.
Romeinen 13:10  De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.
Jezus heeft duidelijk laten zien dat de kern van Gods wet liefde jegens God en de naaste is.
Mattheus 22:36  Meester, wat is het grote gebod in de wet? 37  Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. 38  Dit is het grote en eerste gebod. 39  Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 40  Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.
Van de Tien Geboden leren de eerste vier ons hoe wij God moeten liefhebben en de laatste zes hoe wij onze naaste moeten liefhebben.
Aangezien Gods natuur liefde is (1 Joh. 4:16), is Zijn wet een weerspiegeling van Zijn natuur en een beschrijving van Zijn liefhebbend karakter. En aangezien Gods karakter nooit zal veranderen (Mal. 3:6; Hebr. 13:8), zal ook Zijn wet nooit veranderen of worden opgeheven.
Psalmen 111:7  De werken zijner handen zijn waarheid en recht, betrouwbaar zijn al zijn bevelen, 8  vastgesteld voor immer en altoos, volbracht in waarheid en oprechtheid.
De Wet – de Tien Geboden – is een geestelijke aangelegenheid en tijdloos. Overtreding ervan heeft automatisch negatieve gevolgen en het houden van de Tien Geboden leidt automatisch tot zegeningen.
Romeinen 7:14  Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.
Volgens 1 Joh. 5:3 en Rom. 13:10 (beide verzen hierboven gelezen) is het bewaren van de geboden (is de liefde Gods) de vervulling van de wet. Vanzelfsprekend zijn de Tien Geboden niet afgeschaft aan het kruis. We moeten ze bewaren, er naar leven.

De gevolgen van de zonde

Waarom is er geen universele vrede, harmonie en samenwerking in de wereld van vandaag? Door de overtreding van Gods wet van liefde. Ongehoorzaamheid aan Gods levenswijze, vastgelegd in de Tien Geboden, is de oorzaak van alle onenigheid, verdriet, lijden en dood, die de wereld sinds Adam ondervindt.
Een engelenleider van zeer hoge rang, Lucifer genaamd, kwam tegen God in opstand en zondigde. Eenderde van de engelen volgde hem in deze opstand. Lucifer werd Satan en de afvallige engelen werden demonen.
Jesaja 14:12  Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! 13  En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; 14  ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen.
Zonde is overtreding van Gods wet (1 Joh. 3:4). De apostel Paulus schreef evenwel dat zonde niet kan worden toegerekend als er geen wet is om te overtreden (Rom. 5:13). Aangezien van Lucifer en de engelen die hem volgden wordt gezegd dat zij zondigden, moet er een wet zijn geweest die door hen werd overtreden. Die wet was Gods wet van liefde. De trouw gebleven engelen zijn zich aan Gods geboden blijven houden.
Psalmen 103:20  Looft de Here, gij zijn engelen, gij krachtige helden die zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van zijn woord. 21  Looft de Here, al zijn heerscharen, gij zijn dienaren, die zijn wil volbrengt.
Toen God de eerste man en vrouw schiep, onderwees Hij hun Zijn levenswijze. Hij maakte hun bekend dat leven volgens Zijn wet van liefde zou leiden tot geluk en vrede. Anders gezegd, God bracht Adam en Eva de Tien Geboden bij.
Na de eerste man en vrouw in Zijn levenswijze te hebben geÔnstrueerd verlangde God van hen een keuze. Het droevige verhaal van die keuze is in de eerste hoofdstukken van Genesis opgetekend. Op dat moment had Lucifer al gezondigd, Gods geestelijke wet overtreden, want de voormalige Lucifer, nu Satan de duivel, bevond zich volgens het bijbelverslag in de Hof van Eden om de eerste mensen te verleiden.
Adam koos voor afwijzing van God. Dit noodlottige besluit nam hij niet alleen voor zichzelf, maar voor al zijn afstammelingen. Op grond hiervan verdreef God onze eerste voorouders uit de Hof van Eden. De afwijzing van God door Adam en Eva is het symbool geworden van de verwerping van God door de mensheid als geheel. Indien Adam en Eva in de Hof van Eden hadden besloten God te gehoorzamen, zouden zij in een speciale verbondsrelatie met Hem zijn gekomen.

Gods verbonden met de mens

In de loop van de oudtestamentische geschiedenis sloot God volgens het bijbelverslag verschillende verbonden met mensen, zoals met Noach, Abraham en David. Ook met het oude volk IsraŽl sloot God een verbond. Dit verbond werd later 'het oude verbond' genoemd. Het belangrijkste verbond, 'het nieuwe verbond', werd veel later gesloten. Slechts weinigen hebben op dit moment 'ja' gezegd op dit verbond. Maar na de terugkomst van Christus zullen velen volgen. We spreken ook wel van het Oude en het Nieuwe Testament.
Wat zijn nu precies het oude en het nieuwe verbond? Wat ontbrak er volgens de Bijbel aan het oude verbond en waarom is er een nieuw verbond nodig? Hoe kunnen wij een nieuwe verbondsrelatie met God aangaan en wanneer zal het nieuwe verbond gesloten worden?
Laten wij dit boeiende onderwerp bestuderen in het Woord van God dat Hij aan ons wil openbaren.

Wat is een verbond?

Een van de belangrijkste leerstukken die wij moeten kennen is dat van het oude en het nieuwe verbond. Een verbond is volgens het woordenboek "een overeenkomst tussen twee of meer personen, een plechtige belofte bepaalde dingen wel of juist niet te verrichten; een document dat de voorwaarden van een overeenkomst bevat". In bijbels gebruik is een verbond een contract of overeenkomst waarin de ene partij specifieke beloningen of betalingen belooft voor specifieke handelingen die door de wederpartij worden verricht.
Laten wij nu eens kijken naar het verbond dat door God met een van de aartsvaders werd gesloten.
Wat was het verbond dat God met Abraham sloot?
Genesis 12:1  De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2  Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3   Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 4  Toen ging Abram, zoals de Here tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok. 5  Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het land Kanašn, en zij kwamen in het land Kanašn. 6   En Abram trok het land door tot de plek bij Sichem, tot de terebint More; en de Kanašnieten waren toen in het land. 7  Toen verscheen de Here aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de Here, die hem verschenen was.
Genesis 15:18  Te dien dage sloot de Here een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat.

Wat waren de voorwaarden waaraan Abraham moest voldoen om de beloften van Gods verbond met hem te ontvangen?
Genesis 12:1  De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal.
Genesis 17:1  Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk; 2  Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken. 3  Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem: 4  Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; 5  en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb. 6  Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. 7  Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. 8  Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanašn, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn. 9  Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. 10  Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde.

Merk op dat Abraham zijn land en familie moest verlaten om naar het land Kanašn te gaan. Verder moest hij voor Gods aangezicht "onberispelijk" of rechtvaardig leven. Zou Abraham daaraan voldoen, dan verplichtte God zich op Zijn beurt om de specifieke beloften van Zijn verbond met Abraham na te komen.
God sloot hetzelfde verbond met Abrahams zoon Izak.
Genesis 17:19  Maar God zeide: Neen, maar uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isašk noemen, en Ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht.
Op wie van Izaks zonen werd het verbond vervolgens overgedragen?
Genesis 27:27  En hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen hij de geur van zijn klederen rook, zegende hij hem en zeide: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de Here gezegend heeft. 28  God zal u geven van de dauw des hemels en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. 29  Volken zullen u dienen, en natiŽn zich voor u nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegend. 30  Toen Isašk geŽindigd had Jakob te zegenen en Jakob nog maar nauwelijks van zijn vader Isašk naar buiten was gegaan, kwam zijn broeder Esau van de jacht.
Gods verbond met Abraham werd bevestigd aan Izak en aan diens zoon Jakob, wiens naam werd veranderd in IsraŽl.
Vanwege een grote hongersnood in het land Kanašn, waar IsraŽl verbleef, verhuisde de aartsvader met zijn gezin naar Gosen in Egypte. Daar groeiden zijn nakomelingen uit tot een groot volk. Door omstandigheden waarover zij geen zeggenschap hadden werden zij uiteindelijk tot slaaf van de Egyptenaren gemaakt.
God bekommerde zich om de tot slaaf gemaakte IsraŽlieten en dacht aan Zijn verbond met hun voorvaderen.
Exodus 2:23  In die lange tijd stierf de koning van Egypte; en de IsraŽlieten zuchtten nog steeds onder de slavernij en schreeuwden het uit, zodat hun hulpgeroep over de slavernij omhoog steeg tot God. 24  En God hoorde hun klacht en God gedacht aan zijn verbond met Abraham, Isašk en Jakob. 25  Zo zag God de IsraŽlieten aan en God had bemoeienis met hen.

Gods verbond met IsraŽl

Door een reeks wonderen bevrijdde God de IsraŽlieten uit hun slavernij en voerde hen weg uit Egypte. God voerde de IsraŽlieten op hun weg naar het Beloofde Land eerst naar de SinaÔ.
Exodus 19:1  In de derde maand na de uittocht der IsraŽlieten uit het land Egypte, op dezelfde dag, kwamen zij in de woestijn SinaÔ. 2  Nadat zij van Refidim opgebroken waren, kwamen zij in de woestijn SinaÔ en legerden zich in de woestijn; en IsraŽl legerde zich daar tegenover de berg.
Daar deed God het voorstel tot het sluiten van een verbond met de IsraŽlieten.
Vers 3  Toen klom Mozes op tot God, en de Here riep tot hem van de berg, en zeide: Zo zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de IsraŽlieten: 4  gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. 5  Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6  En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de IsraŽlieten spreken zult.
Het aandeel van het volk in de overeenkomst zou zijn: God gehoorzamen en Zijn verbond bewaren. Gods aandeel zou zijn dat IsraŽl uit alle volken apart werd gezet om Zijn eigendom te zijn, een koninkrijk van priesters en een heilig volk.
Via Mozes deed God de IsraŽlieten een voorstel voor een verbond, waarin Hij beloofde hen tot een groot volk te zullen maken, indien zij Hem zouden gehoorzamen. Let op het veelomvattende "indien" van deze verbondsovereenkomst.
Stemde het volk met Gods voorwaarde in?
Vers 7  Toen kwam Mozes en ontbood de oudsten van het volk en legde hun al deze woorden die de Here hem geboden had, voor. 8  En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden van het volk weder aan de Here over.
Nadat het volk "eenparig" gehoorzaamheid aan God beloofde, maakt God duidelijk dat dit een uiterst ernstig moment is. We zullen lezen hoe de Bijbel de ontzagwekkende gebeurtenis beschrijft.
Vers 10  En de Here zeide tot Mozes: Ga tot het volk; heilig hen heden en morgen, en laten zij hun klederen wassen. 11  En tegen de derde dag zullen zij gereed zijn, want op de derde dag zal de Here nederdalen voor de ogen van het gehele volk op de berg SinaÔ. Vers 16  En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er donderslagen en bliksemstralen en een zware wolk op de berg waren en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in de legerplaats was, beefde. 17  Toen leidde Mozes het volk uit de legerplaats God tegemoet en zij stelden zich op onder aan de berg. 18  En de berg SinaÔ stond geheel in rook, omdat de Here daarop nederdaalde in vuur; de rook daarvan steeg op als de rook van een oven, en de gehele berg beefde zeer. 19   Het geluid van de bazuin werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak, en God antwoordde hem in de donder. 20  Toen daalde de Here neder op de berg SinaÔ, op de bergtop, en de Here riep Mozes naar de bergtop, en Mozes klom naar boven.
Wat precies moesten de IsraŽlieten doen om Hem te gehoorzamen, teneinde in het verbond met God hun aandeel te leveren?
Exodus 20:1  Toen sprak God al deze woorden: 2  Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. 3  Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. 4  Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5  Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 6  en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. 7  Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt. 8  Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; 9  zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10  maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. 11  Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die. (Deut. 5:15  want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de Here, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de Here, uw God, geboden de sabbatdag te houden.) 12  Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal. 13  Gij zult niet doodslaan. 14  Gij zult niet echtbreken. 15  Gij zult niet stelen. 16  Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 17  Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.
Lees ook Deut. 5:6-21.
Op de derde dag na IsraŽls instemming met het verbond sprak God met groot vertoon van macht en met zeer krachtige stem de woorden van de grote wet die de grondslag van Zijn levenswijze is. Dit verbond, dat op de berg SinaÔ werd gesloten en dat nu 'het oude verbond' wordt genoemd, stelde bepaalde voorwaarden: de IsraŽlieten moesten de Tien Geboden in acht nemen.
Wat moest Mozes, na Gods presentatie van de Tien Geboden aan de IsraŽlieten, aan het volk voorleggen?
Deuteronomium 6:1  Dit nu is het gebod, dit zijn de inzettingen en verordeningen, die de Here, uw God, bevolen heeft u te leren om die na te komen in het land, waarheen gij zult trekken om het in bezit te nemen, 2  opdat gij de Here, uw God, vreest door al zijn inzettingen en geboden te onderhouden, die ik u opleg, gij en uw zoon en uw kleinzoon, al de dagen van uw leven, en opdat gij lang leven moogt. 3  Hoor dan, IsraŽl, en onderhoud ze naarstig, opdat het u wel ga, en opdat gij zeer talrijk wordt, zoals de Here, de God uwer vaderen, u heeft toegezegd, in een land, vloeiende van melk en honig. 4  Hoor, IsraŽl: de Here is onze God; de Here is een! 5  Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. 6  Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, 7  gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat. 8  Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn.
God maakte aanvullende voorschriften aan Mozes bekend, diverse toepassingen van de Tien Geboden in de vorm van "inzettingen en verordeningen" (gedetailleerd beschreven in Exodus 20:22 tot 23:33). God gaf Mozes opdracht deze voorschriften vast te leggen in een boek, genaamd het "Boek des Verbonds" (Ex. 24:4, 7). De aanvullende wetten maakten daardoor deel uit van Gods verbond met IsraŽl.
Exodus 24:3  Toen kwam Mozes en deelde het volk al de woorden des Heren en al de verordeningen mee, en het gehele volk antwoordde eenstemmig: Al de woorden, die de Here gesproken heeft, zullen wij doen. 4  En Mozes schreef al de woorden des Heren op. Vroeg in de morgen bouwde hij een altaar onder aan de berg, met twaalf opgerichte stenen overeenkomstig de twaalf stammen van IsraŽl. 5  Toen zond hij de jongelingen der IsraŽlieten heen, en zij brachten brandoffers en offerden stieren als vredeoffers voor de Here. 6  Daarop nam Mozes de helft van het bloed en deed het in bekkens, en de andere helft van het bloed sprengde hij op het altaar. 7  Hij nam het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen. 8  Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden.
De IsraŽlieten beloofden plechtig voor Gods aangezicht alle voorschriften van Zijn verbond in acht te zullen nemen. Het verbond werd daarna bezegeld – bindend gemaakt – met bloed.
Wanneer een verbond eenmaal getekend, bezegeld of geratificeerd – bevestigd – is, kan er niets meer aan worden toegevoegd (vgl. Gal. 3:15). Alles wat daarna komt, maakt geen wettig onderdeel van het verbond uit.
Galaten 3:15  Broeders, ik spreek op menselijke wijze: zelfs het testament van een mens, dat rechtskracht verkregen heeft, niemand kan het ongeldig maken of er iets aan toevoegen.

Een huwelijksverbond

Toen God de eerste man en vrouw schiep, stelde Hij de huwelijksrelatie in.
Genesis 2:21  Toen deed de Here God een diepe slaap op de mens vallen; en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn ribben en sloot haar plaats toe met vlees. 22  En de Here God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens. 23  Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal ‘mannin’ heten, omdat zij uit de man genomen is. 24  Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot een vlees zijn. 25  En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkander niet.
Eeuwen later ging God een 'huwelijksrelatie' met het volk IsraŽl aan.
EzechiŽl 16:8  Toen kwam Ik voorbij u en zag u, en zie, de tijd der liefde was voor u gekomen; Ik spreidde de slip van mijn kleed over u en bedekte uw naaktheid, Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van de Here Here; zo werdt gij de mijne.
God werd IsraŽls echtgenoot.
Let ook op het 'ja-woord' van de vrouw, IsraŽl, aan God, haar echtgenoot, in Exodus 19:8 en 24:7 (hierboven gelezen).
Het op de berg SinaÔ gesloten verbond had de kenmerken van een huwelijkscontract tussen man en vrouw. In symbolische zin was het een 'huwelijksovereenkomst' tussen God en het volk IsraŽl (vgl. Ex. 34:12-17).
Exodus 34:12  Neem u in acht, dat gij geen verbond sluit met de inwoners van het land, waarheen gij gaat, opdat zij niet tot een valstrik in uw midden worden. 13   Integendeel, hun altaren zult gij omverhalen, hun gewijde stenen verbrijzelen en hun gewijde palen omhouwen. 14  Want gij zult u niet nederbuigen voor een andere god, immers de Here, wiens naam Naijverige is, is een naijverig God. 15  Sluit toch geen verbond met de inwoners van het land; wanneer zij hun goden overspelig nalopen en aan hun goden offeren, dan zouden zij u uitnodigen en gij zoudt van hun slachtoffer eten. 16   Wanneer gij van hun dochters voor uw zonen neemt en zij haar goden overspelig nalopen, dan zouden zij tevens uw zonen tot overspelig nalopen van haar goden verleiden. 17  Gegoten goden zult gij u niet maken.
Toen IsraŽl later overspel pleegde zei haar Heer en Echtgenoot: "Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de Here, want Ik heb u getrouwd…" (Jeremia 3:14 Statenvert.).

Gebaseerd op Gods eeuwige wet

Gods eeuwige wet bestond reeds voor de schepping van Adam en Eva. Immers, God onderwees hun Zijn geboden direct na hun schepping. Onze eerste voorouders waren echter ongehoorzaam aan hun Schepper en werden daardoor afgesneden van de toegang tot Hem.
Uit het bijbelverslag blijkt dat Gods wet voor de openbaring bij de SinaÔ slechts bekend was bij enkele mensen die persoonlijk door God waren geroepen om een speciale opdracht in Zijn dienst te verrichten, zoals de aartsvaders. Zij kenden en onderhielden Gods Tien Geboden. Het is belangrijk dat wij dit feit terdege begrijpen, wanneer wij voortgaan met onze bestudering van het oude en het nieuwe verbond.
De aartsvader Abraham werd door God met een speciaal doel geroepen. God sloot met hem een verbond en gaf hem speciaal inzicht in Zijn wet. Er staat ondubbelzinnig dat Abraham Gods geboden en wetten in acht nam.
Genesis 26:5  omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten.
Andere voorbeelden illustreren duidelijk dat God aan het volk IsraŽl wetten bekendmaakte die reeds van kracht waren.
Op de laatste en zevende dag van de scheppingsweek werd de sabbat gemaakt (Gen. 2:2-3). Het sabbatgebod bestond dus al voordat IsraŽl bij de berg SinaÔ was aangekomen waar God hun de Tien Geboden bekend maakte. Lees ook het verslag in Exodus 16. Mozes was met het volk IsraŽl op weg naar de berg SinaÔ in de woestijn Sin aangekomen, die tussen Elim en de SinaÔ ligt. Lees het geheel van vers 1 tot vers 30 en merk op dat God hen op de proef stelde of ze naar Zijn wet wandelden.
Exodus 16:4  Toen zeide de Here tot Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen; dan zal het volk uitgaan en verzamelen zoveel als voor elke dag nodig is, opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet. 5  En als zij op de zesde dag bereiden wat zij hebben binnengebracht, dan zal dit dubbel zoveel zijn als wat zij op de andere dagen verzamelen.
Vers 23  Toen zeide hij tot hen: Dit is wat de Here gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Here; bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt; laat al wat overblijft liggen om het tot de volgende morgen te bewaren.
Vers 25  Voorts zeide Mozes: Eet dit vandaag, want heden is het sabbat voor de Here, vandaag zult gij het niet vinden op het veld. 26  Zes dagen zult gij het verzamelen, maar op de zevende dag is het sabbat; dan is het er niet. 27  Toen er dan ook van het volk op de zevende dag heengingen om wat te verzamelen, vonden zij het niet. 28   Daarom zeide de Here tot Mozes: Hoelang weigert gij mijn geboden en wetten te onderhouden?
[Dit zegt God voordat het oude verbond bestond!] 29  Bedenkt, dat de Here u de sabbat gegeven heeft; daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven; niemand mag zijn plaats op de zevende dag verlaten. 30  Toen rustte het volk op de zevende dag.
Korte tijd daarna nog een voorbeeld van wetten die al van kracht waren en uitgelegd moesten worden.
Exodus 18:14  Toen de schoonvader van Mozes zag al wat hij te doen had met het volk, zeide hij: Wat hebt gij toch met het volk te doen! Waarom houdt gij alleen zitting, terwijl het gehele volk voor u staat van de morgen tot de avond? 15  En Mozes zeide tot zijn schoonvader: Omdat het volk tot mij komt om God te vragen. 16  Wanneer zij een zaak hebben, komt deze tot mij en spreek ik recht tussen de een en de ander; bovendien maak ik de inzettingen en wetten Gods bekend.
IsraŽl kon niet weigeren wetten te gehoorzamen die niet bestonden. Deze beide voorbeelden vonden plaats voordat het volk de berg SinaÔ bereikte, d.w.z. voordat het verbond door bemiddeling van Mozes werd gesloten. De Bijbel bewijst dus dat de geboden, inzettingen en verordeningen – alle gebaseerd op het principe van liefde jegens God en de medemens – reeds van kracht waren voordat Gods verbond met het volk IsraŽl tot stand kwam.
Waarom moest God Zijn wet dan nog bekendmaken aan de IsraŽlieten toen Hij Zijn verbond met hen sloot? Omdat het oude IsraŽl tijdens de slavernij in Egypte een groot deel, zo niet het merendeel, van de kennis van Gods levenswijze was kwijtgeraakt.
Een belangrijk punt om te onthouden in wat wij zojuist hebben bestudeerd is het volgende: aangezien Gods Tien Geboden reeds bestonden voordat het verbond met IsraŽl werd gesloten, werden ze bij de kruisiging van Jezus Christus niet opgeheven. De beŽindiging van de noodzaak van een verbond dat op dat moment het oude verbond werd, ontkrachtte niet wat het verbond niet in werking had gesteld. Verwar de Tien Geboden niet met het Oude Testament. Het is niet hetzelfde! Gods geboden zijn eeuwig.
Psalmen 111:7  De werken zijner handen zijn waarheid en recht, betrouwbaar zijn al zijn bevelen, 8  vastgesteld voor immer en altoos, volbracht in waarheid en oprechtheid.

De offerwetten later toegevoegd

Toen God de IsraŽlieten naar de berg SinaÔ had gebracht, gaf Hij hun de Tien Geboden. Hij liet de inzettingen en verordeningen, die een toelichting op de Tien Geboden vormen, door Mozes aan de IsraŽlieten bekendmaken, aangezien het volk ze uit vrees niet van God zelf wilde horen (Ex. 20 tot 24).
Maar wanneer werden nu de fysieke offers en ceremonies ingesteld? Wanneer verloren deze hun geldigheid? En hoe kunnen wij ze onderscheiden van de fundamentele vereisten van het oude verbond?
Merk op dat er in het 'Boek des Verbonds' van slechts ťťn slachtoffer sprake is. Welk is dat?
Exodus 23:18  Gij zult het bloed van mijn slachtoffer niet met iets gezuurds offeren, noch zal het vet van mijn feestoffer de nacht overblijven tot de morgen.
God spreekt in dit verband van "mijn slachtoffer". Het Pascha werd ingesteld in Egypte (Ex. 12:1-14), weken vůůr hetgeen zich bij de berg SinaÔ afspeelde. Het werd herhaald in het verbond dat bij de SinaÔ gesloten werd, maar het werd er niet mee ingesteld. (Bedenk dat bij een verbondsovereenkomst sprake kan zijn van tevoren reeds bestaande zaken.)
Gaf God, toen Hij aan de IsraŽlieten na de uittocht uit Egypte de voorwaarden van Zijn verbond bekendmaakte, tevens instructies voor een systeem van offerwetten?
Jeremia 7:22  want Ik heb tot uw vaderen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken noch hun een gebod gegeven ter zake van brandoffer en slachtoffer, 23   maar dit gebod heb Ik hun gegeven: Hoort naar mijn stem, dan zal Ik u tot een God en zult gij Mij tot een volk zijn, en wandelt op de ganse weg die Ik u gebied, opdat het u welga.
Aanvankelijk gebood God geen fysieke offers. Dit verklaart waarom de offers die na de sluiting en ratificering van het eerste verbond werden ingesteld, in de nieuwtestamentische Gemeente niet zijn voortgezet. Dieroffers werden dagelijks gebracht tot verzoening, maar bevrijdde de mens niet van de doodstraf. Toen het volmaakte en kostbare offer van Christus gebracht werd, waardoor de mens verlost wordt van de zonde en de doodstraf, zijn de dieroffers overbodig en nutteloos geworden.
Toen God Zijn verbond met IsraŽl sloot, schreef Hij de Tien Geboden op twee stenen tafels. In diezelfde tijd liet Hij Mozes ook Zijn civiele inzettingen en verordeningen optekenen, terwijl daar later ook de offerwetten aan toe werden gevoegd. Na het sluiten van het verbond beklom Mozes de berg SinaÔ om van God de twee tafelen waarop de tien woorden, in ontvangst zou nemen. Gedurende de veertig dagen die hij daar verbleef, kreeg hij o.a. instructies over de bouw van de tabernakel en de offerwetten. Er werd bijna een jaar gebouwd aan de tabernakel en alles wat er in en er omheen zou komen te staan. Toen pas konden brand- en slachtoffers worden gebracht.
Waarom heeft God aanvankelijk, toen Hij hen uit het land Egypte leidde, "niet gesproken noch hun een gebod gegeven ter zake van brandoffer en slachtoffer"?   Waarom heeft God later fysieke rituele wetten toegevoegd en geboden slachtoffers te brengen?
Galaten 3:19   Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg, en zij is op last van [God] door engelen in de hand van een middelaar gegeven.
Paulus legt uit dat die tijdelijke rituelen en offers later "erbij werden gevoegd om de overtredingen te doen blijken" – omdat Gods geestelijke wet door de IsraŽlieten was overtreden.
Merk op dat die tijdelijke rituele wetten de zonde niet beschrijven, maar eraan herinneren. Gods geestelijke wetten beschrijven de zonde. De wetten die uitleggen wat zonde is, zijn de wetten die wij ook nu in acht moeten nemen.
Het principe van het vrijwillig offeren van slachtoffers bestond uiteraard al vůůr Mozes. Reeds in het begin had Christus zich vrijwillig aangeboden als offer voor de zonden van de mensheid. Abel bracht God vrijwillig een offer (Gen. 4:4). In de periode van Mozes tot Christus evenwel werd de offerpraktijk voorgeschreven, tot een rite gemaakt en tot in details geregeld.
Waarom? Omdat de IsraŽlieten – zoals overigens alle mensen – een op het fysieke gericht volk waren, een volk dat Gods heilige geest niet bezat. Zij waren niet in staat zichzelf in gehoorzaamheid aan God te presenteren en daarom schreef God hun rituele wassingen voor en liet Hij hen vervangende dieroffers brengen. De IsraŽlieten moesten voortdurend worden gewezen op het toekomstige offer van Christus en op de heilige geest, waarvan de werkzaamheid door de verschillende wassingen werd uitgebeeld.
Deze wetten verloren hun betekenis, toen het Lam van God voor de zonden van de wereld stierf en de heilige geest ter beschikking werd gesteld aan de mensen die God roept. Merk op dat de rituele voorschriften niet werden opgeheven omdat ze deel uitmaakten van het oude verbond; ze werden immers pas toegevoegd en uitgevoerd nadat de verbonds- of huwelijksovereenkomst tussen Christus en IsraŽl al was geratificeerd (Ex. 24). Ze verloren hun betekenis uitsluitend doordat het werkelijke slachtoffer voor de zonde, Christus, was geofferd.

IsraŽl schendt de overeenkomst

Bedenk dat het op de SinaÔ gesloten verbond een huwelijksovereenkomst was tussen het oude IsraŽl en God. IsraŽl schond dat huwelijkscontract.
Jeremia 3:6  De Here zeide tot mij ten tijde van koning Josia: Hebt gij gezien, wat Afkerigheid, IsraŽl, gedaan heeft? Zij placht heen te gaan op elke hoge berg en onder elke groene boom om daar ontucht te plegen. 7  En Ik zeide, nadat zij dit alles gedaan had: Keer weder tot Mij; maar zij keerde niet weder; en dit zag haar zuster, Trouweloze, Juda.
Jeremia 11:10  Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die weigerden naar mijn woorden te horen, en zij zijn andere goden achternagelopen om die te dienen; het huis van IsraŽl en het huis van Juda hebben het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten had, verbroken.

IsraŽl kwam zijn aandeel in het huwelijkscontract niet na. Het volk wendde zich af van de verering van God en volgde de gewoonten van de heidenen door hun afgoden te dienen. IsraŽl pleegde geestelijk 'overspel'.
Daar God heilig is, heeft Hij geen gemeenschap met de zonde. Hij was daardoor genoodzaakt van Zijn vrouw te scheiden.
Jesaja 59:1  Zie, de hand des Heren is niet te kort om te verlossen, en zijn oor niet te onmachtig om te horen; 2  maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort.
'Scheidde' Hij inderdaad van IsraŽl?
Jeremia 3:8  Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, IsraŽl, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde.
Jesaja 50:1  Zo zegt de Here: Waar toch is de scheidbrief uwer moeder, waarmede Ik haar verstoten heb? Of wie van mijn schuldeisers is het, aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht en om uw overtredingen is uw moeder verstoten.

De relatie werd zo slecht dat God zich uiteindelijk gedwongen zag van IsraŽl te scheiden. IsraŽls ernstige zonden waren oorzaak van de verwijdering.
Later kwam met de dood van Jezus Christus de laatste rest van het op de berg SinaÔ gesloten huwelijk ten einde. Door Zijn dood werd God van Zijn huwelijkscontract ontslagen. God is nu vrij een nieuwe huwelijksovereenkomst aan te gaan met een berouwvol, geestelijk IsraŽl, dat vergeving heeft ontvangen, de nieuwtestamentische Gemeente.
Laten wij, alvorens we hier nader op in gaan, eerst trachten te begrijpen waarom een nieuw verbond noodzakelijk is.

Belofte van een nieuw verbond

God beloofde een nieuw huwelijksverbond te zullen sluiten met de IsraŽlieten.
Jeremia 31:31  Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van IsraŽl en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. 32  Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. 33  Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van IsraŽl sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Paulus verklaarde, sprekend over onze "hogepriester... die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen", dat Jezus Christus "de middelaar is van een beter verbond".
HebreeŽn 8:1  De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, 2   de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens. 3  Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren. 4  Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er hier reeds zijn om volgens de wet de gaven te offeren. 5  Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg. 6  Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust.
Is de reden dat er een nieuw verbond moet worden gesloten gelegen in het feit dat er iets schortte aan het oude verbond?
Vers 7  Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede.
Lag dat aan de wet?
Psalmen 19:7  De wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de ziel; de getuigenis des Heren is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de onverstandige. 8  De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des Heren is louter, het verlicht de ogen.
Romeinen 7:12  Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

Aangezien het niet lag aan de wet, die volmaakt is, en evenmin aan God, is de vraag: waaraan en/of aan wie lag het dan wel?
HebreeŽn 8:8  Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis IsraŽls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, 9  niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here.
Wat was die specifieke fout?
Deuteronomium 5:29  Och, hadden zij steeds zulk een hart om Mij te vrezen en om al mijn geboden te onderhouden, opdat het hun en hun kinderen voor altoos wel mocht gaan!
De zwakte van het oude verbond school niet in de wetten, maar in de mensen met wie het gesloten werd. Waarom? Zij waren niet in staat zich te houden aan de rechtvaardige voorwaarden die God in Zijn verbond stelde, omdat hun niet de heilige geest was gegeven, die hen in staat had kunnen stellen te gehoorzamen.
Wat is ťťn van de verschillen tussen het oude en het nieuwe verbond?
HebreeŽn 8:9  niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here. 10   Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis IsraŽls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Jeremia 31:33  Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van IsraŽl sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.

Door welke macht worden die wetten geschreven?
2 Corinthe 3:3  daar gij toont een brief van Christus te zijn, door onze dienst opgesteld, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten.
Onder het eerste huwelijksverbond schreef God de Tien Geboden op twee stenen tafels. De wet werd echter niet in het hart en verstand van de IsraŽlieten geschreven. De wet maakte geen deel van hen uit. Het nieuwe verbond echter zal een huwelijksovereenkomst zijn met degenen in wier hart en verstand de beginselen van Gods wet onuitwisbaar geschreven zijn door de heilige geest. Het zal niet worden gesloten met mensen die de zonde niet haten, maar met mensen aan wie een onderpand van onsterfelijkheid is gegeven en die zich zozeer aan Jezus Christus hebben overgegeven dat Gods wetten in hun verstand en hun hart geschreven staan, zodat zij niet meer wensen te zondigen en het verbond niet meer willen verbreken. Na de huwelijksvoltrekking, wanneer zij veranderd zijn in geest, kķnnen zij zelfs niet meer zondigen en kķnnen zij het verbond niet meer verbreken.
Hoewel Gods wet pas volmaakt in ons verstand en ons hart zal zijn wanneer wij onsterfelijk worden, kunnen wij als christenen door bekering toch een nieuwe verbondsrelatie met Jezus Christus aangaan. Een bekeerde christen heeft "deel aan de goddelijke natuur" (2 Petr. 1:4) door middel van de heilige geest. Bekering maakt christenen nu echter nog niet onsterfelijk.
Mensen van alle rassen en nationaliteiten kunnen door en met Christus een nieuwe verbondsrelatie aangaan en 'geestelijke IsraŽlieten' worden.
Ieder mens heeft gezondigd zegt de Bijbel en het 'loon' van de zonde is de dood. De mens zou daarom totaal verloren zijn, ware het niet dat God, die de zwakte van de menselijke natuur kent, reeds lang een reddingsplan had klaar liggen. Jezus Christus was het Woord, de woordvoerder van het gezin van God. Hij was bij God en Hij was God. De Bijbel zegt dat Hij zich "ontledigd" heeft, in een menselijke vrouw verwekt is en aan de mens gelijk geworden is. Hij heeft toen de basis gelegd voor Zijn nieuwtestamentische Gemeente en haar opdracht en vrijwillig Zijn leven gegeven voor de hele mensheid. Eenieder die een beroep doet op dat offer, oprecht berouw heeft en zich bekeert, wordt eeuwig leven aangeboden.
Met het laatste Pascha dat Hij samen met Zijn discipelen hield, biedt Christus de mensheid het nieuwe verbond aan.
Mattheus 26:26  En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. 27  En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. 28  Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.
Het nieuwe verbond – het Nieuwe Testament – werd met het bloed van Jezus Christus bindend gemaakt.
Elk jaar op de 14e van de eerste maand (van Gods kalender) wordt dit verbond met de volgelingen van Christus met Pascha vernieuwd en gevierd als een herinnering aan Zijn dood. Jaren later corrigeert Paulus de gemeente te Corinthe ten aanzien van het Paschagebruik en herinnert die gemeente aan de zuivere instelling.
1 Corinthe 11:23   Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, 24  de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. 25  Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. 26  Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
2 Corinthe 3:1  Gaan wij weder onszelf aanprijzen? Of hebben wij soms, gelijk sommigen, aanbevelingsbrieven bij u of van u nodig? 2  Onze brief zijt gij, geschreven in onze harten, kenbaar en leesbaar voor alle mensen, 3  daar gij toont een brief van Christus te zijn, door onze dienst opgesteld, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten. 4  Zulk een vertrouwen hebben wij door Christus op God. 5  Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als ons werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk, 6  die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 7  Indien nu de bediening des doods, met letters op stenen gegrift, gepaard ging met zulk een heerlijkheid, dat de kinderen IsraŽls de blik niet op het aangezicht van Mozes konden vestigen om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die toch verdwijnen moest, 8  hoe zal niet nog meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?
HebreeŽn 8:13  Als Hij spreekt van een nieuw [verbond], heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.

Let op dat het oude verbond niet hetzelfde is als de Tien geboden. Als het oude verbond verdwijnt, verdwijnt daarmee niet de geestelijke wet – de Tien Geboden.
Vůůr de komst van Christus worden de eerstelingen geroepen. Deze weinigen onderwerpen zich met volle overtuiging aan het nieuwe verbond. Zij zijn:
1 Petrus 1:2  de uitverkorenen naar de voorkennis van God, de Vader, in heiliging door de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging met het bloed van Jezus Christus: genade en vrede worde u vermenigvuldigd.
Pas in het komende Millennium en het 'oordeel' daarna zullen massa's mensen wederom eenparig antwoorden: "Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen." En dit keer zullen ze dat ook inderdaad doen.

De voorwaarden van het nieuwe verbond

Wat was de boodschap die Christus begon te prediken?
Markus 1:14  En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken.
Het evangelie van het Koninkrijk van God bevatten de voorwaarden van het nieuwe verbond.
Zoals Mozes de middelaar was van het oude verbond, zo is Christus de middelaar van het nieuwe verbond. En zoals Zijn huwelijk met IsraŽl het fysieke koninkrijk IsraŽl vestigde, zo zal het huwelijk van de Gemeente met Christus het geestelijke Koninkrijk van God vestigen. Het goede nieuws van dit komende huwelijk is dus in feite het evangelie dat Christus verkondigde: het komende Koninkrijk van God.
Bekering en geloof maken deel uit van het evangelie en dus van het nieuwe verbond.
Markus 1:14   En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken…
Wat was dat voor een evangelie?
Vers 15  en Hij zeide: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.
Christus gaf Zijn discipelen later de opdracht deze voorwaarden aan de hele wereld bekend te maken.
Mattheus 28:19  Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.
Mattheus 24:14  En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.

Het evangelie van het Koninkrijk van God bevat tevens de voorwaarden van de nieuwe verbondsovereenkomst met Jezus Christus. In Jezus' instructies aan Zijn discipelen worden deze voorwaarden uiteengezet. Maar wat zijn nu precies de voorwaarden waaraan wij ons moeten houden om het nieuwe huwelijksverbond met Jezus Christus te kunnen sluiten? Is gehoorzaamheid aan de Tien Geboden noodzakelijk?
Mattheus 19:17  Hij zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden. 18  Hij zeide tot Hem: Welke? Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, 19  eer uw vader en uw moeder, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Sommigen menen dat Jezus alle wetten en voorwaarden van het oude verbond heeft ontbonden. Maar wat leerde Jezus?
Mattheus 5:17  Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. 18  Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet ťťn jota of ťťn tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. 19  Wie dan ťťn van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen. 20   Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en FarizeeŽn, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan.
In de dagen van Jezus sprak men over de geschriften die wij nu 'het Oude Testament' noemen, als 'de Wet en de Profeten en de Schriften'. Jezus zei dat Hij niet was gekomen om de daarin opgetekende wetten van God te ontbinden of af te schaffen, maar om ze te "vervullen", d.w.z. volledig te gehoorzamen.
Opmerking vers 19: "zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen" betekent niet dat deze mensen als geringe, onbeduidende personen in het Koninkrijk zullen zijn. Mensen die zich niet willen houden aan de Grondwet – de Tien Geboden – zijn ongeschikt voor het Koninkrijk. In het Koninkrijk zullen zij (die dus niet in het Koninkrijk zijn) aangeduid worden als "zeer klein".
Gods gemeente, zegt Paulus, is gebouwd op het fundament van zowel de apostelen als de profeten, met Jezus Christus zelf als hoeksteen.
Efeze 2:19  Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, 20  gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.
Veel van de leerstellingen en het onderricht van het Nieuwe Testament is afkomstig van de profeten van wie de geschriften vastgelegd zijn in wat wij de boeken van het Oude Testament noemen.
Christus maakte duidelijk dat het niet voldoende is Gods wet naar de letter in acht te nemen, maar dat zij ook overeenkomstig de volledige, geestelijke bedoeling ervan gehoorzaamd moet worden.
Mattheus 5:21  Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht. 22  Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.
Vers 27  Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. 28  Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.

Volgens de voorwaarden van het nieuwe verbond moeten wij niet alleen afzien van het bedrijven van fysieke daden als overspel en moord (de letter van de wet), maar wij moeten ook vermijden ze in onze gedachten te bedrijven.
Zoals wij eerder in deze publicatie hebben geleerd, duidden de offerwetten van het oude IsraŽl op het grote offer van Christus. Moeten er, nu Christus' offer heeft plaatsgehad, nog steeds 'offers' gebracht worden?
1 Petrus 2:5  en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.
Romeinen 12:1  Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst.

Het offeren van dieren ter herinnering aan zonden die reeds zijn ingelost door Christus – die Zijn leven gaf als losprijs voor alle zonden die de mensheid ooit zou bedrijven – is na Zijn dood zinloos geworden. Christenen van nu moeten echter wel geestelijke offers brengen. Een geestelijk beginsel is zichzelf 'te offeren' in een leven van dienstbaarheid aan God en de naaste. Wat voor de ťťn een groot offer is, kan voor de ander een gering offer zijn en andersom. Christenen moeten sommige dingen nalaten, prijsgeven of opofferen en andere dingen actief doen. Christenen moeten hun leven afstemmen op God, dienstbaar zijn ten aanzien van het fysieke en geestelijke welzijn van de naaste, de belangen van de Gemeente dienen. Christenen dienen daarvoor hun persoonlijkheid met Gods geest te ontwikkelen. Dit vereist een totale ommekeer, want de natuur van de mens, waarmee iedereen geboren wordt, staat lijnrecht tegenover Gods natuur, die Hij in de christen zaait en tot groei en bloei wil brengen opdat de vruchten van de heilige geest afgeworpen zullen worden.
Galaten 5:13  Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; [gebruikt] echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkander door de liefde. 14  Want de gehele wet is in ťťn woord vervuld, in dit: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 15  Indien gij echter elkander bijt en vereet, ziet dan toe, dat gij niet door elkander verslonden wordt. 16  Dit bedoel ik: wandelt door de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees. 17  Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees (want deze staan tegenover elkander) zodat gij niet doet wat gij maar wenst. 18  Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet. 19  Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, 20  afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, 21  nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beŽrven. 22   Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. 23  Tegen zodanige mensen is de wet niet. 24  Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. 25  Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden. 26  Wij moeten niet praalziek zijn, elkander tartend, elkander benijdend. Galaten 6:1  Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. 2   Verdraagt elkanders moeilijkheden; zo zult gij de wet van Christus vervullen. 3   Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet is, dan vergist hij zich zeer. 4  Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander. 5  Want ieder zal zijn eigen last dragen. [Romeinen 14:12  Zo zal [dan] een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven aan God.] 6  En hij, die onderricht wordt in het woord, dele van alle goed mede aan wie dat onderricht geeft. 7  Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. 8  Want wie op de akker van zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op de akker van de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. 9  Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. 10  Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.

Voorbereiding van de bruid

Het oude verbond werd gesloten met een volk dat beloofde te gehoorzamen, maar het niet deed. Het nieuwe verbond wordt gesloten met een uit de geest verwekte Gemeente. De heilige geest van God geeft de leden van de Gemeente de natuur van God en de visie, de kracht en het geloof om bij de komst van Jezus Christus in Zijn Koninkrijk geboren te worden. Zij hebben dan geleerd om God wťl gehoorzaam te zijn. Het is zelfs hun diepste verlangen.
Christenen wordt gezegd dat zij Jezus Christus toebehoren.
Romeinen 7:4  Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen.
Ware christenen zijn nu met Christus 'verloofd'.
2 Corinthe 11:2  Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan een man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen.
Petrus Canisius Bijbelvertaling: … Want aan ťťn man heb ik u verloofd, om u als reine maagd aan Christus’ zijde te stellen.
Leidse vertaling: … want ik heb u aan een man verloofd om u als een reine bruid tot Christus te brengen.
Wat zal Christus met Zijn Gemeente doen alvorens haar te huwen? Lees Efeze 5:22-32 en let daarbij speciaal op vers 26-27.
Efeze 5:22  Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente; Hij is het, die zijn lichaam in stand houdt. 24  Welnu, gelijk de gemeente onderdanig is aan Christus, zo ook de vrouw aan haar man, in alles. 25  Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, 26   om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, 27  en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet. 28  Zo zijn ook de mannen verplicht hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief; 29  want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het zoals Christus de gemeente, 30  omdat wij leden zijn van zijn lichaam. 31  Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn. 32  Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente.
De Gemeente van God is op dit moment de Verloofde van Christus. Jezus Christus en de Gemeente zullen overeenkomstig de voorwaarden van het nieuwe verbond voor eeuwig met elkaar in het huwelijk worden verbonden. Maar alvorens met de Gemeente in het huwelijk te treden wil Christus haar 'reinigen' van de zonde. Bij de opstanding zal zij ten slotte werkelijk 'vlekkeloos' zijn, bevrijd van haar zondige natuur en in het bezit van de volheid van Gods heilige natuur. Pas dan zal Christus met Zijn Gemeente trouwen.
2 Petrus 1:4  door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.
Die goddelijke natuur wordt door het ontvangen van de heilige geest mogelijk gemaakt.
HebreeŽn 8:10  Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis IsraŽls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Efeze 1:13  In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, 14  die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.

De heilige geest is ook een onderpand voor eeuwig behoud, waardoor het nieuwe verbond betere beloften heeft.
HebreeŽn 8:6  Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust.
Wat zijn die "betere beloften"?
HebreeŽn 9:15  En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan, om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.
De belofte betreft een eeuwige erfenis.
Romeinen 6:23  Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.
Romeinen 8:17  Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.

Wat is dan Christus' erfenis, waarin Zijn volgelingen mede-erfgenamen zijn?
HebreeŽn 1:1  Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, 2  die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.
"Alle dingen" gaat verder dan het deel van het universum dat wij kunnen zien.
Jakobus 2:5  Hoort, mijn geliefde broeders! Heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben?
HebreeŽn 2:5  Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen. 6  Maar, iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet? 7  Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, 8  alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen hem onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen zou zijn.

Wat een ongelooflijk potentieel van de mens.
Het naleven van het oude verbond zou IsraŽl grote nationale zegeningen brengen, een goede relatie met de Schepper van hemel en aarde, met elkaar en met andere volken, maar er was geen belofte van eeuwig leven. De christenen onder het nieuwe verbond hebben Gods geest ontvangen als een onderpand van eeuwig behoud en beloften van mede-erfgenamen met Christus.
Bedenk dat het oude verbond was gebaseerd op de belofte die God aan Abraham had gedaan. Het oude verbond werd gesloten met slechts ťťn volk: IsraŽl. De IsraŽlieten hadden destijds niet de belofte gekregen de heilige geest te ontvangen, die Gods wetten in hun hart en verstand kon schrijven. Voor ware christenen van deze tijd geldt echter de belofte dat Jezus Christus door Gods geest in hen zal leven.
Galaten 2:20  Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dat is], niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu [nog] in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.
Degenen die God roept hebben het voorrecht dat Gods wet reeds door de heilige geest in hun hart geschreven wordt. Zij kunnen nu reeds de hulp ontvangen van Gods geest die in hen woont om hun verstand te openen voor geestelijk inzicht en hen in het beoefenen van Gods levenswijze te leiden.
Wanneer ontvangt men de heilige geest?
Handelingen 2:37  Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? 38   En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. 39  Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal.
Men wordt daardoor lid van het lichaam, de Gemeente, van Christus.
1 Corinthe 12:12  Want gelijk het lichaam ťťn is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, ťťn lichaam vormen, zo ook Christus; 13  want door een Geest zijn wij allen tot ťťn lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met een Geest gedrenkt.
Wat moeten bekeerde christenen, wandelend in de "nieuwheid des levens" (Rom. 6:4), doen wanneer zij eenmaal lid zijn van Gods Gemeente, de toekomstige echtgenote van Christus? 2 Petr. 3:18; Openb. 21:7; Matth. 24:13.
Romeinen 6:4  Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.
2 Petrus 3:18  maar wast op in de genade en in de kennis van onze Here en Heiland, Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag der eeuwigheid.
Openbaring 21:7  Wie overwint, zal deze dingen beŽrven, en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.
Mattheus 24:13  Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.

Het feit dat Gods geest in ons woont is op zich niet voldoende, want die kan weer weggenomen worden als wij hem niet gebruiken. Wij moeten hem gebruiken om te groeien in kennis en in geestelijk begrip van Gods Woord en daarbij in toenemende mate de kenmerken van Gods karakter aannemen. Groeien in genade (2 Petrus 3:18) kan alleen maar als we onze fouten herkennen en toegeven.
Galaten 5:22  Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.
Bij de opstanding zal het geestelijke nageslacht van Abraham – door Christus erfgenaam geworden – alle andere schitterende zaken beŽrven die in het nieuwe verbond zijn beloofd: het eeuwige leven, een regeringsfunctie onder Christus, en de aarde als eeuwigdurend bezit.
In Openbaring wordt de bruiloft van Christus, het "Lam", beschreven.
Openbaring 19:6  En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. 7  Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt.
Christus' gemeente zal bij Zijn wederkomst gereed zijn om met Hem te trouwen. Zij zal dan inderdaad gereinigd en vrij van zonde zijn.
Vers 8  en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden…

Het zijn duidelijk de opgestane heiligen die met Christus zullen trouwen.
… want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen.

Dan vindt er een bruiloftsmaal plaats.
Vers 9  En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams. En hij zeide tot mij: Dit zijn de waarachtige woorden van God.
Ten tijde van de opstanding, wanneer Christus in al Zijn glorie terugkeert, zal Hij huwen met een bekeerd 'geestelijk IsraŽl', dat vergeving heeft ontvangen: de nieuwtestamentische gemeente, waarmee het nieuwe verbond zal worden vervuld [het ultieme doel van het nieuwe verbond].
Het is zoals Johannes schrijft: "Zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams".

 

Terug naar de Home Page

web statistics