Voor literatuurlijst klik hier.

Een vleugellame

theorie

 

Is het wonder van het vliegen begonnen met gerafelde, losjes bevestigde VISSCHUBBEN? Zijn de ontelbare vogels GEËVOLUEERD uit lompe, logge kaaimannen en krokodillen? Evolutionisten beweren van wél. Redelijkheid, logica, gezond verstand, WARE wetenschap en de Eeuwige God zeggen van NIET! Hier is het BEWIJS!

 

Vogels stammen van reptielen af – volgens de evolutietheorie. De naaste levende verwanten van de vogels, zeggen de evolutionisten, zijn de krokodillen. Men zou geen schokkender uitlating kunnen maken dan te zeggen dat de naaste levende verwanten van de mens vliegen zijn, of dat de vlinder van de neushoorn afstamt!
Maar bestaat hier enig werkelijk bewijs voor?
Kunnen de aanhangers van de evolutie echt bewijzen dat vogels van reptielen afstammen?
Vogels zijn wonderbaarlijke wezens – fantastisch ontworpen – elk voor een verschillend en specifiek doel.

Kunnen straalvliegtuigen zich ontwikkelen?

Wat zou u ervan zeggen als we u vertelden dat onze moderne straalvliegtuigen zich ontwikkeld hebben? Zou u het voor mogelijk houden dat deze grote gierende metalen monsters, met hun ingewikkelde automatische stuurinrichting, hun hydraulische systemen, ingewikkelde elektronische navigatie-uitrusting, en duizelingwekkende reeks instrumenten zichzelf zomaar in elkaar gezet hebben?
Als u zou lezen hoe een 'vliegtuig-in-wording' in de loop van miljoenen jaren een cockpit, romp, vleugels, staartvin, rolroeren en navigatie-instrumenten had uitgesproten – dan zou u het gezond verstand van de schrijver in twijfel trekken, niet waar?
"Maar," werpt iemand wellicht tegen, "dat is een door mensenhanden gefabriceerd product, en wij hebben het over levende wezens."
Precies!
We hebben het over levende wezensvliegende wezens met een verbazingwekkend ingewikkelde structuur. Schepseltjes met tientallen verschillende soorten gespecialiseerde rompen, vleugelvormen, 'roeren, ailerons en stabilisators', en met zulk fantastisch navigatiegerei dat een modern straalvliegtuig niet aan hun opzienbarende accuratesse kan tippen. We hebben het over een fantastische verzameling van verschillende soorten 'landingsgestel', zee- en lucht- 'opsporingsapparatuur', en vogels die in de lucht hangen (als een helikopter), loodrecht opstijgen (als een VTOL-vliegtuig), die achteruit vliegen (zoals sommige helikopters bijna kunnen – maar lang niet zo nauwkeurig als een kolibrie), zweven (als zweefvliegtuigen), die in formaties vliegen (evenals bommenwerpers) en duizenden en nog eens duizenden kilometers langs mysterieuze routes trekken, om jaar na jaar op hetzelfde kleine nest neer te strijken!
En dit ontwikkelde zich allemaal?
Bespottelijk! En u zult precies zien hoe belachelijk het werkelijk is te geloven dat de adembenemende reeks wezens die u om u heen ziet, zich ontwikkeld zou kunnen hebben zonder de grenzeloze intelligentie van een Schepper-God, een Machtig ontwerper van al wat leeft!

Wat er aan vliegen te pas komt

Maar hoe staat het met de vogels zelf? Wat komt er aan te pas om te kunnen vliegen?
"Duizenden artikelen zijn geschreven over de aërodynamica van de vogelvlucht. Een vogelvleugel echter met zijn vele soepele, beweegbare delen, die draaien, en buigen onder de druk van de lucht – in het bijzonder bij het klapwieken – trotseert de nauwgezette ontleding waaraan wij een stijve vleugel van een vliegtuig kunnen onderwerpen. Windtunnels, rookgordijnen en wiskundige formules kunnen ons geen antwoord geven. Misschien dat elektronische computers eens in staat zullen zijn uit te maken welke krachten er werken op een vleugel van een vogel in de vlucht" (De vogels, Parool/Life Natuurserie, blz. 39).
De vleugel van een vogel dient zowel tot vleugel als propeller. Zowel vogel als vliegtuig zijn afhankelijk van dezelfde wetten van de fysica. Filmopnamen met een supersnelle camera hebben aangetoond dat de techniek van de vogelvlucht uiterst gecompliceerd is. En dat onze door mensen gemaakte, door machines aangedreven motor- en straalvliegtuigen in vergelijking hiermee vrij primitief zijn.
Laten we eens enkele delen van de anatomie van de vogels bekijken – hun vleugels, ademhaling, spijsvertering, skelet, zenuwstelsel – hun snavels en nestbouwtechnieken. Dit zijn slechts enkele wonderlijke aspecten van de biologie van een vogel.

De fantastische veer

Neem bv. de vleugel van een vogel. Is het complex? Is het geen wonder van constructie? We laten een ornitholoog (vogelkundige) aan het woord.
"De veer is een wonder van natuur-techniek. Hij is buitengewoon licht en sterk, veel veelzijdiger dan de gespannen huid, waarmee de vleermuis zich in de lucht houdt en de stijve vleugel van een vliegtuig – en hij kan gemakkelijker worden hersteld of vervangen bij beschadiging.
"De ingewikkeldheid van dit patroon laat zich beter begrijpen wanneer wij een veer onder een microscoop bekijken. U zult zien dat iedere baard, schuin aflopend van de schacht, niet de vorm van een haar heeft, maar bezet is met talloze zijtakjes, baardjes genaamd, die samenvallen met de baardjes van andere baarden; doordat de baardjes van haakjes zijn voorzien grijpen zij in elkaar en houden zij het geheel netjes op hun plaats. Een enkele duiveveer zal bij nauwkeurig onderzoek duizenden baarden en miljoenen baardjes en haakjes blijken te hebben.
"Hoe heeft dit wonder van constructie zich ontwikkeld? Het vereist niet veel fantasie de veer te zien als een ontwikkelde schub, in wezen gelijk aan die van een reptiel – een langwerpige schub, losjes bevestigd met gerafelde randen" (De vogels, Parool/Life Natuurserie, blz. 33, 34).
Het vereist niet veel fantasie? Te veel om ooit op te kunnen brengen!
Let op! Men begint met een adembenemende beschrijving van de veelzijdigheid en volmaaktheid van de veer van een vogel! Vervolgens verzekert men u dat zulke ingewikkelde wonderen zich ontwikkeld hebben uit een losjes bevestigde, gerafelde schub!
Maar van zulke 'schubben' getuigen fossiele vondsten ten enenmale niet! En mochten lompe beesten, terwijl ze geleidelijk gerafelde, losjes bevestigde deels-schubben, deels-veren aan het ontwikkelen waren, neerslachtig over de aardbodem rondgedoold hebben, dan zouden ze zeker in grote getale als fossielen teruggevonden zijn.
Ten eerste – losjes bevestigde, gerafelde schubben zouden betekend hebben dat ze niet meer 'uitgerust' waren voort te bestaan in hun natuurlijke omgeving. Ten tweede zouden ze hun dood tegemoet gesprongen zijn vanaf rotswanden, gladde takken, rotsen en struiken – zwakjes fladderend met hun losjes bevestigde, gerafelde 'schubben', die hun uiterste best deden 'veren' te worden.
Maar let ook hier op! Men legt eerst zorgvuldig uit dat een veer perfect is! Een ingewikkeld patroon! Dan vertelt men u dat dit allemaal het gevolg van een ongeluk is – het rafelen van een losse schub!
Wat is de oplossing? Waar kwam de veer vandaan?
Er is maar één logische oplossing. Het werd geschapen door een Meesterontwerper, een machtige God die de familie der vogels – en alles wat bestaat – schiep.
Let op hoe volmaakt veren geconstrueerd zijn, om precies die taak te vervullen die van hen verwacht wordt. Dit is geen blinde, doelloze, veronderstelde evolutie. Dit is fantastische bouwkunde, een meesterontwerp, waar een geleide bedoeling van een Schepper-God achter stond.

Een bouwkundig wonder

"Onder de vele technische prestaties die vogels geleverd hebben, wordt het ontwikkelen van de vleugels en het besturen ervan door spieren beschouwd als een der belangrijkste sleutels voor hun succes. Geen enkel ander dier bezit deze wonderlijke bouw. Veren zijn tegelijk licht en flexibel, en hun bewegingen kunnen snel en nauwkeurig beheerst worden.
"En toch bezit iedere veer de kracht die nodig is om de druk die door het vliegen ontstaat te weerstaan. Er komt in de natuur geen sterker voorwerp van dezelfde grootte en gewicht voor.
"Veren verschaffen gladde en gestroomlijnde lichaamscontouren die onontbeerlijk zijn voor het verminderen van wrijving en werveling. Wanneer ze op de juiste manier verzorgd worden, verschaffen ze een volkomen waterdichte bedekking. Ze vertegenwoordigen een der doeltreffendste soorten insulatie, door het grote aantal luchtzakken die er door omsloten worden en die daardoor tegelijkertijd bijdragen tot het in stand houden van de hoge lichaamstemperatuur van de vogel. Veren spelen ook een belangrijke rol bij de herkenning en het hof maken.
"Bij de meeste vogels worden deze vleugelveren op een bepaald moment vervangen, maar de volgorde waarin ze vervangen worden is zó dat deze het vliegvermogen niet schaadt" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz. 17, 18, 22).
Aan het begin stelden we de vraag: wat komt er zo al te pas aan vliegen? Kan de cockpit van een vliegtuig vliegen? Of de staart? Kan welk deel van een vliegtuig dan ook op zichzelf vliegen?
Natuurlijk niet!
Nee, elk deel moet op een bepaalde manier ontworpen en gebouwd worden om haar taak te vervullen in de grote machine die wij een vliegtuig noemen.
De zin van dit alles?
Eenvoudig dit.
Evolutionisten willen ons wijs maken dat vogels de onderdelen die ze nodig hebben om te vliegen stuk voor stuk ontwikkelden! Het is wel een beetje onzinnig deze gedachtegang bij een vliegtuig toe te passen. Geen enkel vliegtuig kan vliegen, mits elk onderdeel op de juiste manier vervaardigd is, zodat het geheel luchtwaardig is.
Maar sommigen hebben dit idee voor zoete koek aangenomen waar het vogels betreft.
Ziehier wat evolutionisten over de ontwikkeling van veren te zeggen hebben.
"Gedurende hun evolutie van reptielen tot hun huidige staat werden de vogels warmbloedig. Toen hadden ze voor bedekking iets anders dan schubben nodig. Met de ontwikkeling van veren hadden ze een bedekking die hen warmte verschafte, en hen in sommige gevallen droog hield. Deze bedekking was tevens zó licht van gewicht dat het geen last vormde terwijl ze hun vliegvermogen verbeterden. Hun oorspronkelijke schubben waren te zwaar om mee te kunnen vliegen" (Birds, Robert Allen, blz. 7).
Maar hoe wisten ze nu dat ze hoorden te vliegen? Hoe wisten ze dat ze een bedekking nodig hadden? Bedachten ze dit allemaal op hun eigen houtje? Hoe 'werden' ze warmbloedig? Wat houdt deze 'verandering' in?
We nemen nooit domweg aan dat een verbetering gemaakt wordt, tenzij een mens het proces beredeneert. Hij komt tot het inzicht dat er een probleem bestaat, en dan bedenkt of bewerkstelligt hij de oplossing ervoor.
Hebben vogels – of liever gezegd, hadden 'vogels-in-wording' denkvermogen?
En 'dwingen' extreme milieuveranderingen dieren, vissen of vogels te 'veranderen'? Of sterven ze er eenvoudig door?
We moeten onze ogen eens openen en eens stilstaan bij de verklaringen die we van anderen aannemen.
Maar veren zijn pas de eerste noodzakelijke stap. Als reptielen in vogels dienen te veranderen, dan is een verandering van het hele ademhalingssysteem noodzakelijk. Let eens op hoe ornithologen deze 'ontwikkeling' verklaren.

Het ademhalingsysteem

"Vogels en zoogdieren hebben het vermogen om, ondanks zich sterk wijzigende inwendige en milieuveranderingen, een constante lichaamstemperatuur te handhaven.
"Vanwege de grotere zuurstofvoorraad en het grotere vermogen de temperatuur te regelen (wat door hun hoge lichaamstemperatuur vereist wordt), hebben vogels een ademhalingssysteem ontwikkeld dat wellicht meer verfijnd is dan in welke andere dierenfamilie" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz. 32).
Maar wat deden vogels dan voordat ze een hoogontwikkeld ademhalingssysteem "ontwikkeld" hadden? Bezweken ze tijdens het vliegen van koude? Of stierven ze aan zuurstofgebrek? Hoeveel honderden of duizenden generaties van 'vogels-in-wording' stierven, omdat ze het geheim, hun ademhalingssysteem te veranderen, nog niet 'ontdekt' hadden?
Begint u het te begrijpen?
Maar veren en een ademhalingssysteem zijn nog steeds maar een deel van het probleem. Om te kunnen vliegen en een vogel te zijn, moet men een skeletbouw bezitten die uniek is. Vergeet niet dat dit allemaal gelijktijdig 'ontwikkeld' moet worden, wil de 'vogel-in-wording' het er levend af brengen!
Vogelkundigen geven het volgende toe:
"Na de aftakking van de reptielenstamboom ging de verandering van het skelet in de richting van het leven in de lucht. De beenderen werden hol als droge macaroni en sommige van de grotere beenderen kregen inwendige versterkingen. Het vliegen vereist een stevig lichaam: het ribbenstel en de ruggengraat werden een star geheel, waarbij enkele beenderen vergroeiden" (De vogels, Parool / Life Natuurserie, blz. 35).
O, dus het gebeurde nadat de vogels al afgetakt waren. Men veronderstelt dus dat ze al vlogen, en al veren hadden. Maar ze hadden nog steeds geen overeenkomstig vogelskelet ontwikkeld.
Hoe moeten we ons voorstellen dat dát plaatsvond?
Evolutionisten vertellen het ons.
"Er volgde een verlies van bepaalde botten en een fusie van andere beenderen om maximale onbuigzaamheid en compactheid te verzekeren. Verhoogde poreusheid en penetratie der beenderen door luchtzakken heeft het skelet als een geheel nog lichter gemaakt.
"De evolutie van een vogelvleugel is gepaard gegaan met de uitgebreide samengroeiing van sommige beenderen, en het kwijtraken van andere, wat een bijzonder sterk, doch licht geheel tot resultaat had" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz. 24-25).
Kan uw verstand zich hier een voorstelling van maken?
Hier spreekt men over enkele wonderbaarlijke technische prestaties – die in enkele zinnen terloops ter sprake gebracht worden. Hoe verliest men beenderen? Via welk proces groeien ze samen? Hoe maken beenderen zichzelf poreus? Hoe ontstonden nieuwe methoden van voortbeweging?
Hoe kon harmonie resulteren uit twee systemen die bedoeld waren om aan spanningen weerstand te bieden? Vergeet niet dat evolutie doelloos is: het gaat niet noodzakelijkerwijze één bepaalde richting uit – zo zeggen de evolutionisten.
En weer is er slechts één antwoord mogelijk. Een Schepper-God schiep de vogels op dezelfde manier als een ingenieur een vliegtuig uitdenkt, op papier zet en daarna bouwt.
Maar veren, een ademhalingssysteem en een andere skeletbouw zijn nog steeds niet genoeg. Als een reptiel een vogel wil worden, moet zijn hele spijsverteringsstelsel een totale revisie ondergaan.
Opnieuw halen we een vermaarde vogelkundige aan.

Het spijsverteringsstelsel

"Een schijnbaar dilemma, waar de vereisten om te kunnen vliegen het spijsverteringsstelsel voor stellen, is aan de éne kant de behoefte aan grotere hoeveelheden brandstof, en aan de andere kant een zo gering mogelijk gewicht.
"Overbodige belasting van het lichaam wordt gedeeltelijk vermeden door een selectief dieet, bestaande uit een minimum aan onverteerbare stoffen. Verder worden voedingsstoffen die opgenomen worden, snél en efficiënt verteerd, waarna de afvalproducten onmiddellijk geëlimineerd worden" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz 34).
Grotere opslagruimte in de slokdarm, een unieke verdeling van de maag, geen blaas, en een cloaca voor een snelle eliminatie van afvalproducten! – hoe hebben al deze wonderen der spijsvertering zich geleidelijk en onafhankelijk van elkaar kunnen 'ontwikkelen'?
En hoe wisten de 'vogels-in-wording' dat ze voor een dilemma stonden? Beredeneerden ze het feit dat ze meer brandstof nodig hadden? Wie vertelde hen wat voor soort dieet te kiezen?
'Beslist' een vliegtuig wat voor brandstof het zal gaan gebruiken? Heeft een vliegtuig, raket of straalvliegtuig ooit besloten haar motor te reviseren om niet achter te blijven bij de laatste ontwikkelingen der technologie of milieuveranderingen? Bespottelijk!
Maar we zijn nog steeds niet aan het einde. Als een reptiel een vogel wil worden, heeft het een nieuwe bedrading nodig – een nieuw zenuwstelsel.

Het zenuwstelsel

"Onder de verschillende organenstelsels van vogels hebben de vliegeisen een niet te onderschatten invloed op het zenuwstelsel gehad. Deze invloed wordt rechtstreeks aangewend wanneer het nodig is het lichaam voor de vlucht in te stellen en te coördineren, en indirect met betrekking tot zintuiglijke waarnemingen in gedragspatronen die door het vliegen gewijzigd zijn" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz. 3).
Maar wat kwam het eerst?
Vergeet niet dat zonder veren, die zo perfect ontworpen en gebouwd zijn, aaneengegroeide en holle beenderen, en 'nieuwe' beenderen, vleugels volkomen nutteloos zijn. Zonder luchtzakken, een snelkloppend hart, een volkomen ander ademhalingssysteem, kunnen de vleugels niet zo snel op en neer bewogen worden – en zonder alle spieren van het lichaam volkomen opnieuw te ontwerpen, is er voor het beestje nog geen beginnen aan!
Maar zelfs mét nieuwe spieren, nieuwe beenderen, volmaakte veren, luchtzakken, een snelle hartslag, en een snellere stofwisseling, hebben vogels een navigatie-uitrusting nodig! Ze hebben grotere ogen nodig (die vrijwel de hele schedel opvullen) en een coördinatiesysteem om al deze ingewikkelde systemen te laten functioneren.
Laten we het toch begrijpen.
U kunt een volledig vliegtuig hebben – maar sloop de stuurinrichting en de instrumenten eruit en het vliegtuig is waardeloos. Maar als u alleen de stuurinrichting en het instrumentenbord hebt zonder een vliegtuig, dan krijgt u dat ook niet van de grond!
Het is alles of niets, zwart of wit, honderd procent of niets. Deze dingen evolueerden niet. Dat konden ze niet. Ze moesten allemaal tegelijkertijd geschapen worden!
Maar laten we verder gaan.
Hoe staat het met een 'eenvoudig' apparaat zoals de snavel of bek van een vogel?

Vogelsnavels

Waarom hebben vogels die hoofdzakelijk insecten eten, korte dunne snavels, die ze als een tang gebruiken om voedsel van planten te pikken? Waarom hebben spechten beitelvormige snavels waar ze hout mee verwijderen om bij hun maal te kunnen komen? Waarom is hun tong zó gemaakt dat ze diep in de schors door kan dringen om insecten op te scharrelen?
Waarom hebben visetende vogels slanke gezaagde snavels – net wat ze nodig hebben om hun voedsel goed vast te houden? Waarom hebben reigers en ijsvogels 'speren' om hun maaltje aan te rijgen?
Waarom is de snavel van de Amerikaanse schaarbek op zo'n manier geplaatst dat hij er vis mee kan vangen? De onderste bekhelft werkt als een ploegschaar waarmee hij, vlak boven het water scherend, de vis opschept.
Waarom hebben vleesetende vogels sterke snavels voor het afscheuren van vlees?
Let eens op wat een mechanisch wonder de snavel is:
"De snavel van een vogel dient als mes, vork en lepel, en bij vele soorten tevens als hamer en beitel. Haar belangrijkste functie staat in verband met het vergaren van voedsel, zodat we onder vogels in het algemeen een enorme verscheidenheid van snavels vinden, aangepast voor het verzamelen van verschillende soorten voedsel" (Birds and Their Attributes, Glover Allen, blz. 78).
Ontstond deze fantastische verscheidenheid 'geleidelijk'? Als evolutie blind toeval is, hoe komt het dan dat we deze hoogstontwikkelde gereedschappen om ons heen zien?
Neem bv. de roodsnaveltoekan. Hij is een van de 37 soorten die te vinden zijn van zuidelijk Mexico zuidwaarts naar Paraguay en Noord-Argentinië.
Geleerden staan voor een raadsel – en speculeren in het wild – over het vraagstuk waarom de vele toekans zulke grote, lastige en opzichtige snavels hebben.
Vele theorieën worden te berde gebracht.
Sommigen denken bv. dat ze misschien ontwikkeld werden om de één of ander bijzonder zacht fruitsoort (allang uitgestorven, natuurlijk!) te eten. Of misschien dienden ze om een vreemdsoortig insect te vangen.
Misschien werd het in het verre verleden voor een defensief doeleinde gebruikt, zeggen anderen. Toch haalt de snavel tegenwoordig erg weinig uit wat het afschrikken van wezels en havikken betreft – de belangrijkste natuurlijke vijanden van de toekans.
Weer een andere schrijver stelt het volgende voor: "Misschien heeft de snavel van een toekan geen specifieke aanpassingsfunctie!"
Toch geeft dezelfde schrijver toe dat "de snavel een efficient stuk gereedschap is om fruit mee te plukken en een wonderlijk voorbeeld van structurele bouwkunde is. Het is bijzonder licht, want het inwendige der hoornachtige buitenkant van de snavel wordt overdwars versterkt door een honingraatachtig weefsel van harde, celachtige vezels die het lichtheid gecombineerd met stevigte verschaffen" (Birds of the World, Oliver L. Austin, Jr, blz. 189).
Wonderbaarlijk!
De snavel van een toekan is uitnemend geschikt voor het eten van fruit – de hoofdschotel van zijn dieet!
Maar wat schijnt het voor sommige mensen toch moeilijk te zijn dit eenvoudige feit te erkennen.
God schiep de toekan met een snavel die volkomen geschikt is de gestelde taak te vervullen. En tegelijkertijd gaf Hij de toekan een bijzonder fraaie, maar vreemde aanblik om postulerende theoretici van hun stuk te brengen.
Maar nog overstelpender dan dit alles is de ongelooflijk variërende factor van nestbouw. Een oppervlakkige studie is al voldoende om ons te doen suizebollen.

Nestbouw

We halen weer een bekende vogelkundige aan. Let goed op zijn uitlatingen.
"Alhoewel de plaats waar het nest gebouwd wordt, haar vorm en de methodes en materialen die voor haar bouw vereist worden, sterk uiteenlopen onder de verschillende soorten, is het voltooide nest van een bepaald soort opmerkelijk uniform.
"Deze overeenkomst wordt nog wonderlijker als men er bij stil staat dat veel nesten gebouwd worden door jonge vogels, die geen eerdere ervaring of training in het bouwen van nesten hebben gehad" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz. 127, 128).
Aha, viel het u op?
Hoe kwam het dat vogels zonder vroegere ervaring hetzelfde nest bouwden als andere leden van hetzelfde soort?
Waarom lopen onder verschillende soorten de nesten zo sterk uiteen, maar vertonen aan de andere kant zoveel overeenkomst onder één bepaald soort? En weer is er eenvoudig geen ander antwoord op deze vragen, dan dat een machtige Schepper-God de 'geprogrammeerde' gegevens voor bepaalde vogels om op een bepaalde manier te handelen, bij hen heeft ingebouwd.
Het is de ware en enig werkelijk logische oplossing.
Onder de verschillende vogels bestaat een grote variatie met betrekking tot waar ze hun nest bouwen, hoe die nesten gebouwd worden en uit welke materialen ze samengesteld worden.
Sommige vogels bouwen geen nesten. De dwergplevier maakt eenvoudig een klein kuiltje in het zand, en omringt dit met stukjes schelp. Watervogels plukken de donsveren uit het wijfje en maken daar hun nest van. De witte sternen leggen en bebroeden eieren op kale takken. De gierzwaluw bouwt haar nest uit twijgjes. Ze gebruikt haar eigen kleverig speeksel als lijm.
De Zuid-Amerikaanse ovenvogel gebruikt modder. De gekuifde vliegenvanger gebruikt een gelegen gat in een boom.
De donzige specht hakt zijn eigen nest uit. De blauwgrijze muggenvanger gebruikt mos om zijn nest te camoufleren en te bedekken.
En nog steeds is dit alles nog maar het begin!
Het nauwkeurig bestuderen van de nestbouw van slechts één vogel zou ons voorstellingsvermogen te boven gaan.
Maar dat is niet alles.
De adembenemende wonderen van de eigenlijke vlucht, zoals die met uiterst gevoelige lenzen zijn vastgelegd, zijn prachtig en inspirerend om te zien! De onvoorstelbare reizen van de vele trekvogels – met veel accurater en betrouwbaarder 'navigatiegerei' in hun kleine hersens ingebouwd, dan ooit in een miljoenen kostend straalvliegtuig geplaatst zou kunnen worden – die wonderbaarlijke reizen zijn verbazend om te bestuderen!
Laten we ter illustratie van de wonderbaarlijke vogeltrek eens zien wat er met een mens gebeurt als hij verdwaalt.

Een geval uit de praktijk

"Bel de politie!" schreeuwde Jantjes moeder. De politie kwam. Onmiddellijk werd er een speurtocht ondernomen waar tientallen politieagenten te voet en in patrouillewagens aan deelnamen.
Jantje, 4 jaar oud, was van huis weggeraakt.
Een speelkameraadje, die aan de overkant van de straat woonde, zei dat hij hem omstreeks drie uur de straat had zien uitlopen. Geen van de buren had hem sinds die tijd gezien.Het was inmiddels half zes geworden.
Geheel van streek kwam Jantjes vader van kantoor thuis. Een uur eerder had zijn ongeruste vrouw hem opgebeld, en terwijl hij op weg naar huis tegen het drukke verkeer op de autosnelweg moest kampen, nam zijn angst steeds toe. Het was nu al kwart voor zes.
Toen stopte een patrouillewagen voor de deur.
Een grote politieagent stapte uit, met een klein snikkend jongetje in zijn armen.
Later kwamen zijn ouders erachter dat Jantje door steegjes geslenterd had en over een afstand van verschillende huizenblokken een klein geel hondje achternagezeten had. Terwijl hij op zijn gemak verder slenterde; tegen steentjes schopte, en stokken opraapte om hiermee langs afrasteringen en hekken te ratelen, was Jantje er zich niet van bewust dat hij steeds verder van huis afdwaalde.
Hij kwam tot de ontdekking dat hij de weg kwijt was, toen hij een drukke winkelstraat met verkeerslichten bereikte.
Hij begon te huilen.
Een pompbediende nam Jantje mee naar zijn kantoortje en belde de politie.
Verdwaald! En slechts zeven straten van huis verwijderd, in een vreemde richting.
Boven hun hoofden was zwak het klagende geluid van een gans in de koele herfstlucht hoorbaar. Een koppel ganzen vloog in uitgestrekte en volmaakte formatie majestueus naar het zuiden.
Binnen twee weken zou die grote zwerm ganzen zich gereed maken om tenslotte op hun winterkwartier nabij Port Arthur, Texas neer te strijken. Ze zouden dan zonder falen of haperen duizenden kilometers afgelegd hebben – helemaal van het noorden van Manitoba (Canada), langs de kust van de Hudsonbaai tot hun winterkwartier aan de Golf van Mexico.
Jantje was hopeloos verdwaald – slechts zeven straten van huis. En kinderen verdwalen dagelijks op de stranden slechts enkele tientallen meters van hun moeder.
Maar deze trekvogels spelen het telkens weer klaar, elke keer op precies dezelfde plaats aan te komen, het ene seizoen na het andere. En het volgende jaar zullen jonge ganzen – alhoewel ze de route nog nooit gezien of geleerd hebben – via dezelfde 'Mississippi-route' vliegen, en met dezelfde mysterieuze, feilloze stiptheid en accuratesse hun bestemming bereiken!
Waarom? Hoe komt dat?
Hoe komt het dat een mens volkomen zinloos in een stad rond kan dwalen – hopeloos in een bos kan verdwalen – dat hij vaak enkele straten van huis reeds alle besef van richting kwijt is – terwijl kleine vogels, bijen, vlinders, palingen, zalmen, en vele andere dieren die trekken, duizenden kilometers kunnen afleggen onder slechte weersomstandigheden, en altijd op precies dezelfde plaats terechtkomen?

Het wonder van de trek

Ter inleiding van het mysterie van de vogeltrek noemen we vier voorbeelden ter illustratie van het wonder van de vogeltrek. De goudplevier legt op eigen kracht een reis van zo'n 13 000 km af. De grote pijlstormvogel reist van het eilandje Tristan da Cunha naar het noordelijkste deel van de Atlantische Oceaan – en terug naar dat kleine stipje land. De rijsttroepaal, met zo'n gemiddelde van 11 000 km voor z'n uitstapjes van Canada naar Argentinië, is trekker nummer één onder de landvogels. De Noordse stern is de kampioen langeafstandstrekker – het is van hem bekend dat hij 22 000 km kan afleggen.
Dieren en hun trektochten vormen één van de grote wonderen op onze aarde. Geleerden weten dat palingen, olifanten, vleermuizen, schildpadden, plankton, walvissen – en nog vele andere dieren – op de één of andere manier trekken.
Om de zoveel jaar gaan de lemmingen op pad. Wolhandkrabben verhuizen periodiek naar het land. Zelfs lieveheersbeestjes trekken. De distelvlinder steekt zelfs de Middellandse Zee over. Volwassen palingen zwemmen stroomafwaarts. Zalm kan 1600 km de Colorado-rivier optrekken. Padden en kikkers leggen al springend overal ter wereld grote afstanden af. Zeeschildpadden trekken honderden kilometers door de oceanen. 
Maar de allerbekendste trekkers zijn de vogels. Ornithologen moeten nog steeds over 'het raadsel van de vogeltrek' spreken. Men heeft geschat dat ongeveer één derde van alle vogelsoorten trekt. Hieronder staan tien trekvogels.

Vogel Trekroute Afstand
in km
KIRTLANDS ZANGER
SNEEUWGANS
KLEINE GEELPOOTRUITER
STRANDLOPER

BLAUWYLEUGELTALING
NOORDSE PIJLSTORMVOGEL
ALASKAWULP
OOIEVAAR
BOERENZWALUW
WILSONS STORMVOGELTJE
MICHIGAN, VS – BAHAMA EILANDEN
N.O. CANADA – LOUISIANA, VS
MASSACHUSETTS, VS – MARTINIQUE, W.I.
MASSACHUSETTS, VS – VENEZUELA

QUEBEC, CANADA – GUYANA
VENETIË; ITALIË – WALES (OVER WATER)
TAHITI – CENTRAAL-ALASKA
N.W. EUROPA – ZUID-AFRIKA
SCHOTLAND – ZUID-AFRIKA
ANTARCTICA – NOORDATLANTISCHE OCEAAN
1 900
2 700
3 000
3 800
5 300
6 000
8 800
12 800
13 500

14 000

Het mysterie van de vogeltrek

Het trekken van vogels is een van de grote, onverklaarbare mysteries van wat de mens graag de 'natuur' noemt. Vogelkundigen hebben het voortdurend over de grote onopgeloste mysteries van trekvogels – over het mysterie van hun ingewikkelde navigatiemethoden.
Zoals een autoriteit zei: "Er is geen boeiender manier om belangstelling voor het vliegen op te wekken dan uw kind trekvogels te laten zien – zoals bijvoorbeeld een vlucht ganzen in militaire formatie, of een dichte zwerm spreeuwen die als een door de wind gedreven donkere wolk voorbijsnellen. Zelfs na jaren onderzoek en experimenteren, spreken geleerden over het 'mysterie' van de vogeltrek, want ze begrijpen het nog steeds niet helemaal" (Illustrated Encyclopedia of Animal Life, Deel 1, blz. 17).
Een andere deskundige gaf het volgende toe:
"Eeuwenlang heeft de mens zich verwonderd over het wonder van de vogeltrek, en alhoewel er de laatste jaren veel bekend geworden is, is het ware probleem nog steeds niet opgelost.
"Het meest raadselachtige van de vogeltrek is dat vele vogels in staat zijn jaar in jaar uit dezelfde route te volgen, ieder voorjaar in hetzelfde broedgebied aan te komen, en elke winter op dezelfde plek door te brengen" (Birds, Robert Porter Allen, blz. 9).
Maar waarom trekken de vogels?
Welke eigenaardige drang brengt hun kleine hersentjes ertoe te 'besluiten' dat de tijd aangebroken is een lange en moeizame tocht over onmetelijke oceanen en de uitgestrektheden van hele continenten te ondernemen?
Welk vreemd, mysterieus 'zesde zintuig' laat de vogels weten dat het tijd is te vertrekken? Hoe komen ze jaar in jaar uit op precies dezelfde van te voren vast te stellen tijd aan? Hoe keren kleine vogels (vele, vele verschillende soorten trekken!) jaar in jaar uit naar hetzelfde broedgebied terug – na een vlucht van duizenden kilometers onder allerlei weersomstandigheden afgelegd te hebben?
Hoe navigeren ze? Hoe vinden ze hun weg?
Deze vragen stellen de evolutietheorie voor enorm grote moeilijkheden. Sommige pogingen ze weg te redeneren doen haast komisch aan.
Een autoriteit op het gebied van de evolutie zegt over trekvogels: "Een van de vragen die een vogelkundige het meest gesteld wordt is: "Waarom trekken vogels"... We kunnen slechts speculeren welke factoren [die de trek veroorzaakt hebben] het geweest zijn, want het is onmogelijk deze theorieën door experimenten te bewijzen" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz. 68, 69).
Waarom trekken vogels? Wanneer begonnen vogels te trekken? Hoe begon de vogeltrek? De evolutionisten antwoorden: "We weten het niet! We kunnen slechts speculeren!"
Geen wonder dat ze het een mysterie noemen!

'Plaatstrouw'

Het wonderbaarlijke vermogen van vogels, insecten, vissen en vele soorten dieren om naar een bepaald broedgebied of paringsgebied terug te keren, is een adembenemend verhaal.
Voor de vogels is de grote vraag hoever ze moeten gaan. Wanneer weet een vogel dat het tijd is te stoppen? Men ontdekte bijvoorbeeld door zwaluwen op grote schaal van ringen te voorzien, dat jonge vogels van het Europese vasteland, even ten zuiden van de breedtegraad van Londen, hun winterkwartier in het noordelijke deel van Afrika en de Azoren hadden. In tegenstelling vlogen zwaluwen van hetzelfde soort, die in Engeland uitgebroed waren – iets meer noordelijk wat broedgebied betreft – helemaal naar Zuid-Afrika, een afstand die twee keer zo groot is als die van de zwaluwen van het continent.
Dezelfde plaats waar een vogel uitgebroed werd, wordt meestal weer na de terugreis opgezocht. Een zwaluw in de Amerikaanse staat Pennsylvania keerde bijvoorbeeld drie opeenvolgende jaren naar dezelfde balk in een schuur terug.
Duizenden en nog eens duizenden dergelijke gevallen worden door grote delen van de mensheid haast nonchalant geobserveerd. Toch gaan deze wonderlijke en onpeilbare getuigen van het machtige verstand van God meestal onopgemerkt aan de mensen voorbij.
Heeft u ooit het verhaal gehoord van de eerste drie kolibries die geringd werden? Het waren bijzonder kleine vogeltjes toen de ringetjes aan hun pootjes geschoven werden. En ja hoor, men ontdekte dat ze dezelfde broedplaats gebruikten die hun ouders vóór hen hadden gebruikt – en dit na een vlucht van minstens achtduizend kilometer helemaal naar de tropen en terug. Hier waren ze dan – ze hadden hun nest gemaakt op minder dan tien meter afstand van het nest waar zij uitgebroed waren!
Kan de wetenschap dit verklaren?
Heeft evolutionisme hier oplossingen voor? Zouden deze mysterieuze trekwegen geleidelijk kunnen zijn 'ontstaan'?
Denk eens na – denk eens diep en logisch na over de adembenemende wonderen die u overal om u heen ziet. Denk eens aan de ontelbare wonderen die u elke dag bevoorrecht bent te zien – overweeg ze – laat ze u verbazen, en dank God ervoor!
Denk eens aan de goudplevier. Deze ene vogel stelt de evolutionisten voor onoverkomelijke problemen, omdat zijn trekwegen zo 'onlogisch' en schijnbaar nutteloos zijn!
De goudplevieren broeden langs de kust van de Noordelijke IJszee – nog noordelijker dan de uitgestrekte toendragebieden van Canada, in het land van de eeuwige sneeuw en mos, van kariboe (rendier) en muskusdier. Als de goudplevieren hun kroost grootgebracht hebben, beginnen ze aan een van de meest adembenemende trektochten die men zich maar kan indenken. Op hun vlucht naar het zuiden leggen ze een elliptische route van ongeveer vijfentwintigduizend kilometer af.
Eerst ziet men ze over Labrador vliegen, helemaal naar de punt van Nova-Scotia. Dan steken ze de Atlantische oceaan over, waarbij ze de VS volkomen 'rechts' laten liggen, en vliegen rechtstreeks door naar hun winterkwartier tussen Rio de Janeiro in Brazilië en Buenos Aires in Argentinië! Wanneer ze naar het Noorden trekken, steken ze het Andesgebergte over, vliegen daarna over Panama en Centraal-Amerika, volgen de Mississippi-vallei en bereiken uiteindelijk hun broedplaats aan de uitgestrekte, afgelegen Noordelijke IJszee!
Maar waarom? Hoe? Wat veroorzaakt zo'n enorme trektocht?
Dat weet niemand. Denk eens na over de problemen die hieraan verbonden zijn. Ten eerste verlaten de plevieren hun broedgebieden juist wanneer het beschikbare voedsel haar hoogtepunt bereikt. De insectenbevolking, de minieme schaaldiertjes, de verschillende plantensoorten in het Noordpoolgebied zijn juist dan het meest overvloedig. En toch vertrekken de vogels juist dán naar hun winterkwartier!
Vliegen ze naar een warmer klimaat? Maar waarom? De meest aangename tijd van het hele jaar is juist wanneer ze vertrekken.
De aanhangers van de evolutietheorie veronderstellen dat er verschillende redenen zijn waarom vogels trekken. Maar geen van hun veronderstellingen houdt water.
Sommigen veronderstellen bijvoorbeeld dat de oorzaak van de vogeltrek een tekort aan voedsel in hun nest- en broedgebieden tijdens de winter is. Maar de vele verschillende soorten vogels vertrekken lang voordat de voedselvoorraad schaars begint te worden – in sommige gevallen vertrekken ze juist wanneer de voedselvoorraad het overvloedigst is!
Sommigen veronderstellen dat het koude weer hun trektochten veroorzaakt. Maar ook dat is niet waar. We kunnen in juli of begin augustus de ene soort na de andere de noordelijke streken van de VS zien verlaten – juist tijdens de heetste tijd van het jaar, lang voordat de zomerhitte voorbij is. Er zijn ook vele gevallen van vogeltrek tussen de keerkringen, die dus niets te maken hebben met koud weer.
Weer anderen veronderstellen dat de vogels in het verleden begonnen te trekken in verband met naderende gletsjers tijdens de 'ijstijd' van het Pleistoceen.
Dit is wellicht de grappigste van al die veronderstellingen, mogelijkheden, waarschijnlijkheden, postulaten en "het zou best mogelijk kunnen zijn" die u over de vogeltrek zult lezen.
En bovendien verplaatsen gletsjers zich doorgaans nogal langzaam. Elke vogel die aan de rand van een naderende gletsjer leefde en voortdurend blootgesteld werd aan verblindende sneeuwstormen, had eenvoudig kunnen veranderen in een poolkonijn, of misschien een ijsworm. Of misschien had het een zeehond kunnen worden, waarna het naar de zee had kunnen terugkeren. Per slot van rekening – daar evolutionisten ons vertellen dat krokodillen de "naaste levende verwanten" van de vogels zijn – zouden deze veranderingen toch zeker net zo uitvoerbaar zijn als de ingewikkelde trekwegen van de vogels.
Sommige evolutionisten hebben voorgesteld dat de vogels eigenlijk naar hun "voorouderlijk woongebied" in de tropen terugkeren. Maar ook die vlieger gaat niet op, want op geen stukken na keren alle vogels naar de tropen 'terug' – vele trektochten vinden van het ene gebied in de tropen naar het andere plaats, en sommige vogels vliegen helemaal óver de tropen heen naar een ander koud gebied.

De kampioen-wereidreiziger

De Noordse stern, die verwant is aan de zeemeeuw, verbijstert ornithologen volkomen.
Het broedgebied van deze sternen strekt zich uit van het noorden van Alaska tot het noorden van Groenland – en vele broeden zo ver naar het zuiden als de staat Massachusetts. Maar ook van Noord-Europa tot Azië, en van de Aleoeten tot de Hudsonbaai en de kust van de Atlantische Oceaan, hebben waarnemers de broedende sternen gezien en gehoord.
Hun jaarlijkse trektochten zijn zo uitgestrekt, zo ingewikkeld en zo onwaarschijnlijk dat ze een groot mysterie vormen voor vogelkenners.
Ter illustratie – de sternen die op Cape Cod broeden (wat veel zuidelijker is dan gebruikelijk), steken de Atlantische Oceaan over naar de kust van Spanje, vliegen langs de westkust van Afrika, steken de Atlantische Oceaan weer over naar de meest oostelijke punt van Zuid Amerika, en vliegen vervolgens langs de Zuid-Amerikaanse kust naar Antarctica! Sommige vogels leggen tijdens deze rondreis een afstand van zo'n 35 000 kilometer af! En na deze elliptische reis keren ze rechtstreeks terug naar hetzelfde kiezelbed, dezelfde beek, oever of rotskust waarvan ze vertrokken waren.
Het National Geographic School Bulletin van 6 maart 1967 verklaart: "Hoe vogels over zulke afstanden kunnen navigeren is een raadsel. Geleerden geloven dat ze op de één of andere manier hun koers aan de hand van de zon en de sterren bepalen."
En dat doen ze ook – proefnemingen wijzen tenminste in deze richting.
Maar hoe? De sterren blijken elke avond in de hemel te 'draaien' – de aarde draait constant om haar as, en de maan draait om de aarde heen. Het Zuiderkruis is alleen ten zuiden van de evenaar zichtbaar, en de hemel ziet er voor de sternen volkomen anders uit in het zuidelijk halfrond dan wanneer ze zich in het noordelijke deel van de aarde bevinden.
De geleerden zijn nog steeds verbijsterd. Ze hebben geen definitieve oplossingen.
Talingen worden onder de snelste langeafstandsvliegers ter wereld gerekend. Eén vogel, die in de nabijheid van Quebec geringd werd, vloog helemaal naar Guyana, waarbij hij een afstand van 5300 km aflegde met een dagelijkse minimum etappe van bijna 200 km. Eenden stoppen echter dikwijls om te rusten en te eten – en de talingen worden beschouwd als de snelste onder de eenden.
Maar het lijkt wel dat hoe kleiner de vogel is, des te sneller hij z'n trektochten aflegt! De strandloper, die slechts 15 gram weegt, heeft de 3800 kilometer van Massachusetts (VS) naar Venezuela in zesentwintig dagen, met een gemiddelde snelheid van bijna 150 kilometer per dag, gevlogen!
De verhalen over de vogeltrek zijn zo ontzagwekkend, zo ongelofelijk, dat het geen wonder is dat evolutionisten alleen maar het woord 'mysterie' kunnen gebruiken wanneer ze proberen te verklaren hoe zulke wonderlijke dingen 'zomaar gebeurd konden zijn'.
Toch willen geleerden ons wijsmaken dat veel hiervan door toeval plaatsvond – als het gevolg van natuurlijke teeltkeus en mutaties!

Het verhaal van de verschrikte stern

Laten we eens naar het verre, verre verleden terugkeren. Terugkeren naar de allereerste vogeltrek!
Vogels trekken per slot van rekening! Dat weten we zeker. En eens hebben ze hiermee moeten beginnen – dat weten we ook.
Dus moet er een allereerste trektocht zijn geweest.
Laten we eens een kleine Noordse stern in gedachten nemen. Daar zit hij dan – helemaal ineengedoken op zijn nest, in het noordelijkste deel van Canada. Het is zomer. Hij heeft een overvloed aan voedsel tot zijn beschikking. Hij is gelukkig. Hij spreidt zijn veren uit, geeuwt weelderig, en slaapt lekker door.
Augustus en september gaan voorbij. Het koude weer begint in te zetten. Onze stern wordt rusteloos. Hij heeft het koud. Hij lijdt ook honger – want de insecten schijnen allemaal verdwenen te zijn, en de vissen en kleine schaaldiertjes waar hij van leeft zitten allemaal diepbevroren onder het ijs, of hebben allang warmere wateren opgezocht.
Hij neemt het besluit te vertrekken. Maar lieve help! Hij heeft voor de reis geen voorraad lichaamsvet aangelegd! Hij wist niet dat hij dit moest doen! Hij heeft tenslotte nog nooit eerder een trektocht gemaakt!
Hij begint dus in zuidelijke richting te vliegen – op zoek naar een warmer klimaat. Maar hij heeft dit nog nooit eerder gedaan – hij is een totaal groentje. Dus, nadat hij halverwege de Atlantische Oceaan overgestoken is, raakt hij zonder 'benzine' (lichaamsvet), stort in de oceaan en verdrinkt.
Of, als evolutionisten mochten zeggen dat dit onmogelijk is omdat we vandaag nog steeds sternen om ons heen zien, en ze ondanks hun trektochten het toch op de één of andere manier overleefd hebben, laten we aannemen dat ze niet verdronken zijn.
Laten we aannemen dat hij gewoon hopeloos verdwaalde, en de bijnaam kreeg van 'grootcirkel'-vogel, een vreemd wezen dat voortdurend in 'grote cirkels' rond het middelpunt van de Atlantische Oceaan blijft vliegen.
Maar dat is onzin, zou een evolutionist vermoedelijk zeggen – geen enkele vogel zou zoiets doms doen! Maar waarom stopten de sternen dan niet zodra ze een warmer klimaat gevonden hadden? Waarom vlogen ze rechtstreeks door naar de koude kusten van Antarctica om dáár de 'winter door te brengen'?
Sommige ornithologen hebben gespeculeerd dat ze dat doen omdat ze van zonlicht houden. Maar waarom veranderde de stern zich niet in een ptarmigan (zulke vogels bestaan wérkelijk in het Noordpoolgebied!), zodat hij kon blijven waar hij was?
Maar laten we eens aannemen dat de eerste stern deze problemen allemaal heeft kunnen oplossen.
Toen hij in Antarctica aankwam (een prestatie waar een modern straalvliegtuig, met haar imposante reeks elektronische instrumenten, een hele kluif aan heeft) – hoe wist hij op welk tijdstip hij weer naar het noorden terug moest keren?
En als de eerste vogels het Noordpoolgebied nu eens te laat hadden verlaten? En bevroren waren vóórdat ze vertrokken?
Als ze nu eens hopeloos verward geraakt waren, en naar Hawaï gevlogen waren?
En waarom kon de stern eigenlijk niet terugkeren voordat het in Antarctica aankwam?
Dertienduizend kilometer vliegen, enkel en alleen om aan het eind daarvan om te keren? Dat is te gek om los te lopen!
Het is duidelijk: het trekken van vogels kan niet het resultaat zijn van 'natuurlijke selectie'.
Op de eerste plaats, als de vogels geen trektochten maakten totdat ze wel moesten, dan maakten ze alleen trektochten als omstandigheden zoals wind, weer, voedsel en milieu hen daartoe dwongen. En als dit waar is (wat het niet is), dan hadden ze lang niet zo ver langs zulke moeilijke routes hoeven te trekken en ze hadden ook nooit meer terug hoeven keren.
Als alle vogels slechts een prettiger omgeving zoeken – dan zouden alle vogels enkel en alleen in de gematigde zones leven, en nergens anders! Maar dat is ook weer niet waar.
Waarom zouden ze eigenlijk trektochten maken? Waarom niet in een pinguïn veranderen, en het vliegen voorgoed opgeven?

Waar is de natuurlijke selectie?

Wanneer men het over de vogeltrek heeft, gebruiken evolutionisten termen als: een "mysterie", "niet door het menselijk verstand te bevatten", "er wordt beweerd", "ornithologen zijn van mening", "volgens de theorie", "andere ornithologen zijn van mening", "geen eenvoudige oplossing", "andere voorgestelde theorieën", "geen afdoende oplossing".
Eén buitengewone aanhaling geeft toe dat "alle theorieën schieten tekort wanneer ze voorgesteld worden als de éne oplossing voor alle aspecten van de vogeltrek" (Science News Letter, blz. 191, 22 september 1962). Maar we zagen ook dat elke theorie op zich onmogelijk een oplossing kon geven.
Als vogels trekken omdat de voedselvoorraad ontoereikend is, waarom vertrekken ze dan voordat het voedsel opraakt? Als ze trekken vanwege winters weer, waarom vertrekken ze dan voordat het kouder begint te worden?
Het zou één van deze twee redenen moeten zijn als – wat evolutionisten beweren – de vogels door noodzaak 'geleerd' hadden, trektochten te maken.
Dus is er geen duidelijke behoefte – om te trekken – althans was er geen in het 'verstand' van de vogel. Waarom 'leerden' ze anders te vertrekken vóórdat voedsel en onderdak ontoereikend raakten?
Waar ziet men hier natuurlijke selectie? Toch moet dat er zijn om aan de eisen van de evolutietheorie te voldoen.
Eén schrijver geeft openlijk toe:
"Als de natuurlijke selectie de oorzaak is geweest van de evolutie van het aangepaste gedrag van dieren, dan moet het gedrag van nu ook aangepast zijn, d.w.z. bijdragen aan hun succes. Daarom is het onderzoek naar de waarde van het gedrag van het voortbestaan van de soort niet alleen al op zichzelf belangrijk, maar ook nodig om het evolutieproces te begrijpen" (De dieren en hun gedrag, door N. Tinbergen, Parool/Life Natuurserie, blz. 174).

Waarom trekken de vogels?

Een andere aanhaling laat zien dat ornithologen, ondanks de duidelijke tegenstrijdigheden, nog steeds geloven dat evolutie verantwoordelijk is voor de vogeltrek.
"Wat was de oorzaak van de trek?... Het staat vast dat het een kwestie van evolutie geweest is" (De Vogels, door Roger Tory Peterson, Parool/Life Natuurserie, blz. 105, 106).
Maar de theorieën verschaffen geen antwoord op de vraag waarom vogels trekken.
We hebben reeds gezien dat vogels vertrekken voordat de voedselvoorraad uitgeput raakte. Ze vertrekken voordat het koud begint te worden.
Indien vele van die vogels (hoeveel wel?) stierven tijdens hun pogingen om te trekken, wanneer begonnen ze het dan te overleven? Kwamen alle vogels met "voor de trek gemuteerde genen" om? Na hoeveel generaties slaagden ze erin het 'te halen'?
En waarom zouden ze eigenlijk gaan trekken? In vele gevallen zou het veel gemakkelijker, veiliger en verstandiger geweest zijn – vooropgesteld dat ze het vermogen te trekken op eigen houtje ontwikkeld hadden – te blijven waar ze waren.
Ja, waarom zouden ze de risico's  nemen die aan het maken van trektochten verbonden zijn? En hoe hebben de eerste trekvogels het ooit kunnen halen? Hoe konden vogels hun vertrek- en aankomsttijden zó uitkienen dat het zo prachtig uitkwam met de voedselvoorraad en het klimaat aan het eindpunt van de reis?
Als de vogeltrek begon als een reactie op het milieu, waarom trekken vogels die het niet hoeven, óók? Waarom hebben zowel trekvogels als vogels die niet trekken, het overleefd? En de trekkers schijnen er wél bij te varen!
Maar de verbazende factoren die met het trekken van vogels samenhangen zijn nog lang niet uitgeput!

Verscheidenheid in trekroutes

Verschillende vogelsoorten hebben verschillende trekwegen. Hoe verklaart men dit verschil aan de hand van evolutie? Hier volgt één poging.
"De trekwegen van een vogel zijn evenzozeer een aanpassing aan het milieu... ze ontstonden waarschijnlijk onafhankelijk van elkaar tijdens verschillende evolutieperioden, als reacties op een aantal verschillende selectieve processen. Het resultaat is dat we vandaag onder de vogels een aantal verschillende trekwegen zien, waarvan elk een aanpassing voorstelt aan een andere combinatie van milieuomstandigheden" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz. 67).
O, we worden nu dus gevraagd te geloven dat het wiskundig onmogelijke honderden keren heeft plaatsgevonden – want elke vogelsoort heeft zijn eigen trekwegen.
Het is duidelijk dat het idee dat "natuurlijke selectie vogeltrek veroorzaakt" een zeer incomplete, onlogische en onware verklaring voor de vogeltrek is.
Geleerden geven toe dat de factoren die met de vogeltrek samenhangen zó ingewikkeld zijn, dat ze de waarnemers doen suizebollen. Vogels die over lange afstanden trekken moeten een gestel hebben dat voedsel op kan slaan. De hele stofwisseling van de vogel staat hiermee in verband. Men heeft ook bewezen dat er zelfs verband bestaat tussen de vorm van de vleugel en trekgewoonten.
En verder, wanneer we praten over de evolutie van de vogeltrek, praten we tevens over de evolutie van het skelet, het ademhalings-, zenuw- en spijsverteringsstelsel en andere stelsels van de vogel, alsmede een evolutie van het gedrag.
Dan moeten we het feit in aanmerking nemen dat verschillende vogels op verschillende wijzen trekken en dat elke vogel op andere prikkelingen schijnt  te reageren. Dit zou dus allemaal tegelijkertijd geëvolueerd moeten zijn! We hebben het hier over wiskundige waarschijnlijjkheden die onmogelijk zijn.
En hoe kunnen vogels, zonder hulp van vaste, bekende punten, onmetelijke oceanen oversteken zonder de weg kwijt te raken? Hoe kunnen vogels, na een vlucht van ettelijke duizenden kilometers, naar dezelfde paar hectaren land terugkeren?
Het zwakke antwoord hierop?
"Misschien" hebben ze in de loop der generaties zichtbare, bekende punten onthouden. De schrijver beweert zwakjes: "Hoe zouden we anders de reizen kunnen verklaren?" (De Vogels, Roger T. Peterson, Parool/Life Natuurserie, blz. 106, 107.)
Ze zouden op zeer eenvoudige wijze verklaard kunnen worden – en er is maar één uitleg mogelijk: het bestaan van een machtige God en Schepper, die elke trekvogel ontwierp om precies dat te doen wat hij doet. Een ander antwoord is er niet.

Ongewone trekwegen

Hier zijn nog een paar tegenstrijdigheden in verband met de vogeltrek. Als vogels moeten trekken om in leven te kunnen blijven, waarom trekken sommige soorten niet, maar blijken kennelijk even goed te gedijen?
Eén bepaalde vogel heeft een verbluffend aanpassingsvermogen. We laten een bekende ornitholoog het ongewone verhaal vertellen.
"In het noorden van de VS varieert de temperatuur van seizoen tot seizoen vaak met meer dan 400C; toch leven enkele vogels, zoals het gekraagde sneeuwhoen, daar het hele jaar door. Hierbij moeten ze zich op verschillende manieren aanpassen aan een zomertemperatuur van omstreeks 330C en een kou van 400C onder nul tijdens de winter. Dit hoen past zich bijvoorbeeld aan de zeer lage temperaturen aan door de nacht en ochtend onder de sneeuw door te brengen, en enkele uren in de middag naar buiten te komen om voedsel te vinden" (Fundamentals of Ornithology, J. van Tyne, blz. 183).
Als de vogeltrek de oplossing is, dan loopt dit arme hoen toch wel een beetje op z'n tijd ten achter!
Waarom bestaan andere vogelsoorten slechts gedeeltelijk uit trekvogels? Als ze moesten trekken om in leven te blijven, hoe komt het dan dat niet-trekkers van hetzelfde soort vandaag de dag nog steeds te vinden zijn?
Eens te meer kan men dit niet verklaren aan de hand van een evolutie. Vervolgens moeten de aanhangers van de evolutietheorie het probleem van "individuele trekkers" oplossen.
"Onder vele vogels vinden we wat Thomson 'individuele trekkers' noemt; ... In het kort houdt dit in dat sommige vogels van een bepaald soort de winter in hun broedgebieden doorbrengen, terwijl andere vogels van hetzelfde soort trekken – in sommige gevallen naar verafgelegen landen.
"Thomson, die jan-van-genten bestudeerde, ontdekte dat vogels van een jaar oud een lange trektocht maakten, twee jaar oude vogels een kortere trektocht, en drie of meer jaar oude vogels blijkbaar helemaal geen trektocht maakten" (id. blz. 196).
Een andere merkwaardige factor is dat vogels van verschillende leeftijden niet altijd samen trekken. Feitelijk is het zo dat in vele gevallen de jongste vogels het eerst vertrekken.
Hier is een paradox – de oudere vogels volgen de jongere. De vogels met de minste – of waarschijnlijk helemáál geen ervaring, vertrekken het eerst.
"Nog een opmerkelijk punt wat het trekken van vogels betreft, is het feit dat vogels van verschillende leeftijdsgroepen separaat trekken. Bij verschillende soorten mussen, vinken en tjiftjaffen beginnen de jonge vogels de tocht naar het zuiden voor de volwassenen, en bij deze en andere soorten schijnen de jongeren een sterkere neiging tot trekken te vertonen" (Bird Migration, Donald Griffin, blz. 44).

Andere raadsels

De grootste paradox van allemaal is de 'plaatstrouw'. Hierdoor kan een vogel zonder voorafgaande ervaring regelrecht van een vreemde plaats, over onbekend terrein, op een tijd dat hij geen neiging tot trekken heeft, z'n huis terugvinden!
Hoe kan men dit verklaren op grondslag van een aanpassen aan een omgeving in de loop van miljoenen jaren?
Er zijn andere vogels die niet trekken, behalve dan omhoog en omlaag langs berghellingen. Deze schijnen de weg van de minste weerstand gekozen te hebben!
"Vele soorten die in bergachtige streken leven, passen zich aan de verschillende seizoenen aan met een minimum aan vliegen, door zich enkel naar een andere hoogte te verplaatsen. Meestal trekken de vogels naar lagere, en dus warmere niveaus tijdens de winter, terwijl ze tijdens de lente weer naar de hongergeleden broedgebieden trekken" (Fundamentals of Ornithology, J. van Tyne blz. 195).
Laten we nu eens van de vogeltrek afstappen, en onze aandacht op een ander verbazingwekkend feit vestigen – een feit dat evolutionisten onbarmhartig achtervolgt en eenvoudig niet loslaat.

Vogels en insecten

Evolutionisten vertellen ons dat er een tijd was dat vogels niet bestonden – behalve dan als ontevreden reptielen.
Laten we dus eens aannemen dat er géén vogels waren. Zou deze aarde kunnen voortbestaan? Laten we een geleerde het woord geven.
"Een landschap zonder vogels zou tegenwoordig onvoorstelbaar zijn. En zo hoort het ook, want zonder vogels zou het er voor de mensheid rampzalig uitzien.
"We hoeven er slechts op te letten hoeveel verschillende soorten schadelijke insecten voortdurend en onophoudelijk door vogels verdelgd worden, om te zien welke rol de vogels in het behoud van onze velden en boomgaarden spelen, aangezien zoveel vogelsoorten uitsluitend van insecten leven.
"Even doeltreffend is de hulp die de vogels de mens verlenen in zijn strijd tegen mollen, muizen, ratten en andere knaagdieren die niet alleen de oogst op het veld vernietigen, maar ook omdat ze besmettelijke ziekten verspreiden. Dit zijn slechts enkele aspecten van het hulpzame aandeel die de vogels verschaffen om het evenwicht in de natuur te behouden" (Strange and Beautiful Birds, Josef Seget, blz. 5).
Maar laten we eens zien wat de geleerden te zeggen hebben over de tijd waarop vogels en insecten op deze aarde verschenen.
"Vlîegende insecten werden een realiteit ongeveer 50 miljoen jaar voordat de vogels en reptielen het luchtruim kozen, en tijdens die 50 miljoen jaar waren insecten de enige vliegende wezens" (Insects, Ross Hutchins, blz. 3 en 4).
Maar had de aarde toen kunnen blijven voortbestaan?
Laten we eens aannemen dat er slechts 50 miljoen jaar, of 25 miljoen, of misschien maar 5 miljoen jaar verschil geweest is. Of wat denkt u van duizend jaar? Wat denkt u van 100 jaar?
Laten we eens zien wat er met een 'vogelloze' aarde zou gebeuren!
"De nakomelingen van twee vliegen, als ze allemaal van april tot augustus in leven bleven en gezond waren, zouden 190 000 000 000 000 000 000 individuen bedragen. Gelukkig limiteert het evenwicht der natuur, door middel van natuurlijke beperkingen, zulke enorme bevolkingsexplosies onder de insecten, evenals dat het geval is onder andere dieren en planten" (id. blz. 9).
We geven toe dat insecten andere insecten opeten. Misschien zou de aarde na één jaar nog niet met een twaalf meter dikke laag insecten bedekt zijn.
Maar u kunt ervan verzekerd zijn dat de aarde niet had kunnen blijven voortbestaan tenzij vogels en insecten gelijktijdig geschapen waren om dat fantastische evenwicht in de natuur te vormen, waar de mens nu pas achter begint te komen.
Waarom denken evolutionisten voor de verandering niet eens aan de ecologische implicaties van hun theorieën?
Nee, evolutie kan het verschijnsel van de vogeltrek niet verklaren, noch kan het verklaren hoe vogels zulke adembenemende schepsels kunnen zijn, evenals ze geen verklaring hebben voor het ontstaan van materie, leven, of het doel en de betekenis van het leven!
Het wordt tijd dat u de werkelijke drogredenen van de evolutie inzag – tijd dat u het enige alternatief onder ogen zag – dat God bestaat en dat u dat kunt bewijzen!

Evolutionisten geven toe hoe onwaarschijnlijk hun theorie is

De beroemde evolutionist, Julian Huxley, scheen te geloven dat hoe onwaarschijnlijker iets was – hoe meer een 'toevallige' gebeurtenis als iets volkomen ongelofelijks voorkwam – des te logischer was het dat het zich "mogelijk voorgedaan had".
Huxley legde uit dat "natuurlijke selectie" een camouflagekleur op peil kan houden, zoals bijvoorbeeld het zwart worden van motten in industriegebieden, en hoe het in bacteriën en insecten weerstand tegen chemicaliën en verdelgingsmiddelen kan opbouwen; maar, vraagt hij zich af: "Hoe staat het met werkelijk ingewikkelde verbeteringen? Kan het [natuurlijke selectie] de poot van een reptiel veranderen in de vleugel van een vogel, of een aap tot mens veranderen? Hoe kan een doelloos en automatisch ziftingsproces zoals een selectie, dat werkt volgens een blind en ongeleid proces zoals mutaties, organen zoals het oog of de hersenen met hun haast ongelooflijke veelzijdigheid en verfijnd aanpassingsvermogen voortbrengen?"
Deze beroemde evolutionist brengt heel duidelijk enkele van de grote onzekerheden met betrekking tot de evolutietheorie naar voren. Hij vraagt zich af hoe evolutieprocessen de ingewikkelde en wonderlijke mechanismen kunnen produceren die wij overal om ons heen zien – en waarmee we kunnen zien en denken.
Zijn antwoord? Let goed op! "Hoe kan toeval ingewikkeld ontwerp voortbrengen? In het kort, vraagt u ons niet een beetje te veel te geloven? Het antwoord luidt nee: dit alles is niet te veel gevraagd, zodra men eenmaal bevat heeft hoe het proces in zijn werk gaat."
Is dit niet merkwaardig?
Evolutionisten geven keer op keer toe dat "hoe het proces in zijn werk gaat" en het "hoe" van de evolutiegedachte een groot mysterie is!
En toch, na uitgelegd te hebben hoe onwaarschijnlijk het is dat zo'n wonderlijk mechanisme als de vleugel van een vogel, het brein of het oog van de mens ooit evolueerden – wordt ons zonder meer gezegd het toch maar te geloven. D.w.z., als wij "eenmaal bevat hebben hoe het proces in zijn werk gaat."
Maar evolutionisten 'bevatten' niet hoe het proces in zijn werk gaat – helemaal niet!
Let op de volgende uitlating over hoe totaal onwaarschijnlijk het is dat enig werkelijk evolutieproces zou kunnen plaatsvinden.
De evolutionisten geven zelf de wiskundige onmogelijkheid toe van zo'n gebeuren bij 'toeval'. Men zegt bijvoorbeeld dat de mogelijkheid dat dergelijke "evolutiestadia" werkelijk plaatsgevonden hebben, geschat worden op één op de duizend tot de miljoenste macht! Maar zelfs dit is maar een willekeurig getal, dat zomaar uit de lucht gegrepen en gebruikt werd, en niet werkelijk bewezen werd. Eén kans op de duizend tot de miljoenste macht? De betekenis hiervan is overweldigend.
"Duizend tot de miljoenste macht wordt opgeschreven als een één gevolgd door drie miljoen nullen: en dit zou drie grote boekdelen van ongeveer vijfhonderd bladzijden vergen om te drukken! Eigelijk is dit grote getal zinloos, maar het toont de graad van onwaarschijnlijkheid aan die natuurlijke selectie moet overwinnen, en kan ontduiken [!!]. Een één gevolgd door drie miljoen nullen is de graad van onwaarschijnlijkheid van het ontstaan van een paard!", aldus Huxley zelf.
Hoe zou U het vinden tegen zulke 'kansen' te 'wedden'?
"Niemand zou wedden dat zoiets onwaarschijnlijks zou gebeuren," zei de evolutionist, "En toch heeft het plaatsgevonden." Dat vertelt men ons althans!
Maar wat veroorzaakte zo'n fenomenale gebeurtenis als een paard? Schiep de almachtige God het? Néé zeggen de evolutionisten: "Het is, dankzij de werking van natuurlijke selectie en de eigenschappen van levende materie die natuurlijke selectie onvermijdelijk maken, tot stand gekomen!" (Evolution in Action, Julian Huxley, blz. 42.)

Een gecompliceerde Schepping

Zo ingewikkeld, zo gecompliceerd, zo feilloos, zo georganiseerd zijn de gedragingen in de dierenwereld – waarvan de vogeltrek één der voornaamste voorbeelden is, dat zelfs vooraanstaande evolutionisten, zoals George Gaylord Simpson, moeten uitroepen:
"We voelen, haast instinctief, dat er een patroon bestaat.
"Er is – of er schijnt althans – ondanks hun verscheidenheid, een wezenlijke volgorde of plan onder de verschillende levensvormen te bestaan. En bovendien schijnt dit plan een doel te hebben. De verschillen en overeenkomsten tussen een vis, een vogel en een mens zijn vol betekenis.
"We zijn gewend te denken en te zeggen dat vissen kieuwen hebben om in het water te kunnen ademen, dat vogels vleugels hebben om te kunnen vliegen, en dat mensen hersenen hebben om te kunnen denken.
"Een telescoop, een telefoon, of een schrijfmachine is een ingewikkeld apparaat dat een bepaalde taak vervult. De producent had uiteraard een bedoeling voor ogen, en de machine werd ontworpen en gebouwd om die taak te vervullen. Een oog, een oor, of een hand is evenzo een ingewikkeld mechanisme dat een bepaald doel vervult.
"Het ziet er naar uit dat ook dit met een doel voor ogen gemaakt werd" (This View of Life, George Gaylord Simpson, blz. 190, 191).
De evolutionist wordt dus gedwongen toe te geven dat er in de bouw en de gedragingen van alle levensvormen een doel en ontwerp zit, en dat het een bepaald patroon volgt.
Maar dan – ondanks het voor de hand liggende – moet degene die in de evolutietheorie gelooft, doorgaan met het bestrijden van hen die deze bezwaren tegen de theorie naar voren brengen.
"Maar nu we weten dat evolutie een feit is, kunnen we zijn [Sir Charles Bell, anti-evolutionist] eenvoudige oplossing voor het aanpassingsprobleem als zijnde het doel wat een schepper voor ogen stond, niet meer accepteren.
"Of we al dan niet de evolutie van aanpassing kunnen verklaren, hoeft dit noodzakelijkerwijs geen betrekking op de waarheid der evolutie te hebben" (This View of Life, George Gaylord Simpson, blz. 193).
Dit is nu een klassiek voorbeeld van hoe men het kardinale punt ontwijkt.
Hoe 'weet' de schrijver dat evolutie een 'feit' is? Dat weet hij niet, zoals het geval van de vogeltrek aantoonde.
Voor het feit dat we op aarde zo'n enorme reeks verschillende constructies en gedragspatronen zien, wordt geen verklaring gegeven. Het vraagstuk wordt omzeild door te zeggen dat dit "aanpassingsprobleem" geen betrekking op het vraagstuk heeft – terwijl het in werkelijkheid een kardinaal punt is, dat verklaard moet worden.

Het 'GELOOF' in niets

Zo'n geloof in 'natuurlijke selectie', dat haast een goddelijke plaats in de evolutiegedachte inneemt, vindt men herhaaldelijk in boeken over evolutie terug.
Eerst wordt uw aandacht gevestigd op de onvoorstelbare, onbevattelijke, onbegrijpelijke, ongelofelijke, onmogelijke kleine kans dat zoiets ten ene male zou kunnen plaatsvinden, en dan wordt u in dezelfde ademtocht verteld dat u het moet geloven, of u bent "onwetend"!
Hier is nog een uitstekend citaat dat u een goed idee geeft van de 'intellectuele druk' waar de leek aan bloot staat. "Niemand die er iets van afweet, twijfelt er meer aan dat de vele diersoorten die vandaag de wereld bevolken, de voortbrengselen zijn van een lang evolutieproces" (De dieren en hun gedrag, Parool 1 Life Natuurserie, N. Tinbergen, blz. 171, 172).
Hoe kunnen evolutionisten zo positief zijn?
Luister! "Dat evolutieproces te begrijpen is een van de belangrijkste taken van de biologie. Het verloop dat de evolutie genomen moet hebben wordt grotendeels afgeleid uit de bestudering van fossielen" (id.).
Maar hoeveel zijn evolutionisten door het bestuderen van fossielen over deze ongelooflijke processen werkelijk te weten gekomen? Lees verder. "Over lichamelijke structuur verschaffen fossielen een directe, zij het fragmentarische, historische documentatie."
"Maar ongelukkigerwijs doen fossielen niets, zodat we geen directe gegevens hebben over het verloop van de evolutie van gedrag" (id.).
Wat zegt u daarvan?
De loop die de evolutie gevolgd moet hebben (alhoewel die zo onwaarschijnlijk is als één op een 1 gevolgd door drie miljoen nullen) wordt 'afgeleid' uit het bestuderen van fossielen.
Maar fossielen verschaffen slechts zeer "fragmentarisch" bewijsmateriaal. Daarom geven evolutionisten toe, geen rechtstreekse kennis te hebben over de loop die evolutie gevolgd heeft.
En wanneer u de 'geschiedenis' van een bepaald dier aan de hand van fossielen bestudeert, vindt u niets wat op evolutie in de algemeen geaccepteerde vorm lijkt.
U zult dat hierna bewezen zien, waar u kunt lezen over Archaeopteryx – de naar men veronderstelt, 'eerste' vogel.
Toch blijven evolutionisten ervan overtuigd dat evolutie wel plaatsvond!
Dat is nog eens geloof! Geloof in fragmentarisch, ontbrekend 'bewijsmateriaal'. Geloof in niets.
Maar niet alle biologen hebben zo'n hol geloof. Edwin Conklin, een van hen, zei: "De waarschijnlijkheid dat leven per ongeluk ontstond valt te vergelijken met de waarschijnlijkheid dat een Groot Woordenboek zou ontstaan ten gevolge van een explosie in een drukkerij!"
Maar GOD zegt dat u geloof kunt hebben in wat u kunt zien! Hij zegt: Kijk naar de fysieke schepping om je heen, en begrijp daardoor wat van Hem "niet gezien" kan worden!

Het geloof in MILJARDEN TONNEN BEWIJSMATERIAAL

God zegt dat alleen de dwaas in zijn hart zegt dat er geen God bestaat! Geloof, in evolutie is niet te verontschuldigen – en er bestaat geen bewijs voor dat het gebeurde!
Romeinen 1:18 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, 19  daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20  Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden [de onzichtbare macht van God, zijn wetten, zijn doel dat hier op aarde verwezenlijkt wordt], zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld [met het oog op de fysieke schepping] uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.
De Schepping is bewezen! De warmte, humor, vriendelijkheid en liefde van God zijn overal om ons heen te zien, als we maar oplettend zijn en de ontelbare wezens die Hij zo zorgvuldig ontworpen heeft, observeren. We kunnen het weten door de adembenemende wonderen van zijn machtige Schepping te bestuderen – er eerbied voor te hebben, en met diepe bewondering te kijken naar de gewoonten van die kleine wezentjes om ons heen, die we zo gauw geneigd zijn als de gewoonste zaak van de wereld aan te nemen.
De evolutietheorie heeft miljoenen mensen oogkleppen voorgedaan en hen slechts blind, doelloos, zinloos, onbestuurd toeval en ongeluk laten zien in de fantastische wereld waarin we leven, en zelfs in het bestaan van de individuele mens!
Evolutionisten beweren dat ze zich met 'kennis' bezighouden. Ze beweren alleen dát voor te staan wat ze kunnen bewijzen. Ze zeggen dat ze de 'werktuigen' der wetenschap gebruiken, namelijk observatie, registratie en het experiment. Maar in werkelijkheid verlangen ze dat de leek alle vragen aan hen overlaat. Ze zeggen als het ware: "U hoeft zich over de evolutietheorie geen kopzorgen te maken – wij beschikken over alle feiten: wij weten dat het zo is!"
Maar als het erop aan komt geven ze toe dat ze het niet weten! Maar dan nog zeggen ze dat u onwetend bent, als u niet hetzelfde blinde geloof in gebrek aan bewijs dat ZIJ hebben, kunt opbrengen!
Evolutie kan de proef der waarheid niet doorstaan. Er zijn miljoenen tonnen positief, ontegenzeggelijk, onbetwistbaar bewijsmateriaal dat uw God bestaat – en dáár kunt u geloof in hebben!

Een fabelachtige 'schakel' met de reptielen

Eén dier dat universeel wordt uitgebazuind als zijnde de grote 'schakel' tussen alle vogels en reptielen, is Archaeopteryx. De uitgestorven subclassis bestaat uit enkele fossielen van vogelachtige wezens, die in sedimentair gesteente in Beieren gevonden werden. Archaeopteryx betekent eenvoudig 'oude vleugel'.
Wat is er zo bijzonder aan Archaeopteryx?
Wel, zeggen de aanhangers van de evolutieleer, dit schepsel bezit kenmerken die een ongewone overeenkomst met die van reptielen vertonen – hoewel het aan de andere kant het uiterlijk van een vogel heeft.
Ziehier hoe evolutionisten zich voorgesteld hebben hoe Archaeopteryx vermoedelijk als fossiel bewaard is gebleven.
Stelt u zich eens "een zonderling vogelachtig wezen ter grootte van een kraai" voor, dat boven een voorhistorisch Beiers meer zweeft, zegt een ornitholoog.
"Of had het meer van een reptiel weg? Daar kunnen we niet zeker van zijn" gaat het verhaal verder – want "het scheen sommige kenmerken van zowel reptielen als vogels te vertonen."
"Plotseling", zo gaat dit dramatisch verhaal verder, "kon ons vogelachtig beestje, dat maar over een heel bescheiden gave van vliegen beschikte, het tegen een sterke rukwind niet halen en viel in het ondiepe water, waar het verdronk" (Biology of Birds, Wesley Lanyon, blz. 1).
Dit is de inleiding voor de leek, die vogelkunde gaat studeren – het denkbeeldig verhaal van een vermoedelijke toedracht, waardoor enkele fossiele overblijfselen van Archaeopteryx in Beieren bewaard gebleven zijn; fossielen waarvan men beweert dat die de schakel tussen vogels en reptielen vormen.
Wat een tragisch einde van een korte vlucht!
Als de vogel tenminste ooit gevlogen heeft!

Het ontbrekende bewijs

Evolutionisten geven grif toe dat het aantal fossielen weliswaar aan de krappe kant is om een dergelijke theorie te staven – maar houden toch vol dat hun theorieën "duidelijk" zijn, "niettegenstaande het schaarse bewijsmateriaal".
U staat nu op het punt met eigen ogen nóg een voorbeeld van het klassieke 'geloof' der evolutie te zien!
Want evolutie is per slot van rekening een geloof! Het is een dogmatische bewering dat bepaalde veranderingen werkelijk plaatsgevonden hebben, en een haast religieus zich vastklampen aan dat denkbeeld – alle logische, tegenstrijdige bewijzen of redelijke overwegingen ten spijt!
Let eens op wat een ongewoon vertrouwen ornithologen in hun theorieën hebben.
"Het schaarse bewijsmateriaal niettegenstaande is het duidelijk dat vogels nauw aan reptielen verwant zijn. De oudere vogelsoorten vertonen in hun geraamten vele kenmerken die suggereren dat ze van reptielen afstammen" (Fossil Birds, W. E. Swinton, blz. 2).

Beschouwingen zijn noodzakelijk

Evolutionisten geven toe dat ze wat de oorsprong van vogels betreft, gedwongen zijn te speculeren. Maar ze houden tevens vol dat de leek de deugdelijkheid van hun theorieën zelfs niet in twijfel hoeft te trekken!
Kijk maar! "Bij onze pogingen tot reconstructie der vroegste geschiedenis in de ontwikkeling van vele diersoorten, kan een zekere mate van oordeelkundige speculatie... een waardevolle hulp zijn" (Evolution, onder redactie van Sir Gavin de Beer, blz. 321).
Toegegeven, evolutionisten zeggen dat dergelijke conclusies "voortdurend gecontroleerd en getoetst moeten worden aan de hand van die fossiele soorten die bekend zijn en zulke types van huidige levensvormen die op de onderhavige zaak betrekking kunnen hebben." Maar als er van een bepaald fossielsoort slechts enkele exemplaren bestaan, en geheel en al ontwikkeld, geen ander bekend fossiel of huidige tegenhanger te vinden is, hoe kan dan, zouden we ons mogen afvragen, "voortdurende controle" en "toetsing" ooit plaatsvinden?
In de meeste boeken over dit onderwerp geven de schrijvers eerst toe, dat ze "weloverwogen gissingen" maken, en gaan dan verder met een brede, alles omvattende generaliserende bewering dat zo en zo stellig gebeurd is!
Ze hebben reeds, uit louter geloof, vastgesteld dat vogels zich uit reptielen ontwikkeld hebben!
Dezelfde auteur schrijft verder: "Dat de voorouders van vogels reptielen waren, is zo vanzelfsprekend en wordt zo universeel door zoölogen aanvaard, dat men dit als een axioma voor alle discussies beschouwen mag!" (id., blz. 322.)
Die mensen schijnen indirect te kennen willen geven: "Alhoewel ik gissen en speculeren moet, en me voortdurend een voorstelling van zaken moet maken, moet U aannemen dat mijn theorie zo juist is, dat u zich het hoofd er verder niet meer over hoeft te breken!"

Er werden geen tussenvormen gevonden

Maar mochten onze ontelbare vogels zich uit glibberige reptielen ontwikkeld hebben, beschikken wij dan over enig echt fossiel bewijsmateriaal voor een deels vogel, deels reptiel? Heeft men zoiets als een deels schub, deels veer gevonden?
Bekijk het eens zó. Als onze ogen op het filmdoek een man van de ene kant van de kamer naar de andere kant zien lopen, dan zijn daar vele afzonderlijke beelden voor nodig. Elk beeld dat u ziet is feitelijk een 'momentopname', die in een fractie van een seconde genomen werd. Twee van deze beelden zouden voor u voldoende zijn om de persoon eerst aan de éne kant van de kamer te zien en daarna aan de andere kant. Maar wilt u 'zien' hoe hij de overtocht maakt, dan moet u alle beelden die er tussenin komen, zien!
Het 'getuigenverslag' van fossielen voor de vage hypothese die veronderstelt dat vogels van reptielen afstammen, heeft veel weg van meters en meters ontbrekende film! Waar zijn de vele honderden verschillende schepsels, die de overgangsvormen  van de ontwikkeling voorgesteld zouden hebben?
En vergeet niet dat, mochten deze ideeën van een evolutie mogelijk waar zijn – deze 'overgangsvormen' zouden bij lange na niet zo goed toegerust zijn om te overleven als de volledig 'ontwikkelde' dieren. Dit betekent dat, als een 'sterke rukwind' voldoende was om Archaeopteryx te laten neerstorten, zijn denkbeeldige voorouders als bakstenen uit de lucht gevallen zouden zijn! Dientengevolge zouden er veel meer fossielen van de 'overgangsvormen' zijn dan van de soorten die zogenaamd "beter toegerust" waren om te overleven!
Maar er zijn geen 'tussen'-vormen!

Een eenvoudige gevolgtrekking?

Ziehier wat wetenschapsmensen toegeven. "De oorsprong van vogels is grotendeels een kwestie van deductie. Er is geen fossiel bewijsmateriaal van overgangsvormen, waarlangs de merkwaardige verandering van reptiel naar vogel heeft plaatsgehad" (Biology and Comparative Physio­logy of Birds, onder redactie van A. J. Marshall, blz. 1).
Hier volgt nog een soortgelijke erkenning:
"We zullen straks zien hoe de eerste vogels uit reptiel-voorouders blijken voortgekomen te zijn, maar de overgang van de schub van een reptiel naar de geheel verschillend samengestelde en ingeplante veer van een vogel blijft een mysterie!" (Fossil Birds, door W. E. Swinton, blz. 4.)
Aha!
Geen tastbaar bewijs – maar we nemen toch maar aan dat het zo gebeurd is.
De geleerden zijn in verwarring over Archaeopteryx. Ze beweren dat dit schepsel deels 'reptiel' en deels 'vogel' is. Toch zouden evolutionisten, teneinde deze bewering te staven, positieve bewijzen voor het bestaan van tussenvormen moeten voorleggen!
Maar dergelijke tussenvormen bestaan echter niet.
Luister eens naar deze treffende erkentenis:
"Een zekere hoeveelheid van verstandig gegis is noodzakelijk geweest om te reconstrueren hoe deze oervogel er uit moet hebben gezien en zich gedragen moet hebben" (Biology of Birds, Wesley E. Lanyon, blz. 2-3).
Ziet u wel! Niet alleen is raden noodzakelijk om het uiterlijk van deze vogel te reconstrueren, maar er wordt ook grif toegegeven dat men omtrent zijn gedragingen eveneens in het duister tast.
Doch ondanks alle moeilijkheden blijken de ornithologen tot het uiterste voet bij stuk te houden dat Archaeopteryx de 'schakel' tussen vogels en reptielen is! Dat is hun geloof. In ieder recent boek over dit onderwerp zult u waarschijnlijk reconstructies van Archaeopteryx vinden, die door een tekenaar gemaakt werden. Deze worden dan gevolgd door uitvoerige beschouwingen over de manier waarop dit en dat "mogelijkerwijze gebeurd zou kunnen zijn", en dat deze en gene verandering "langzamerhand" plaatsvond.
Om Archaeopteryx eenvoudig als één der vele ongewone wezens te beschouwen en hem in een speciale classificatie in te delen, is waarschijnlijk nooit bij evolutionisten opgekomen. Hij wordt eerder aangegrepen als een verbindingsschakel tussen vogels en reptielen.

Is het werkelijk een 'schakel'?

Eén theorie volgt de bespiegeling dat reptielen uit het grijze verleden eerst in bomen klommen, en door hun sprongen steeds groter te maken, van tak tot tak begonnen te zweven (met behulp van geschramde, gebroken, 'halfgevormde' 'veren').
Een andere theorie (keuze genoeg!) veronderstelt dat ze eerst over de grond begonnen te rennen en uiteindelijk ópvlogen.
De wetenschap beweert niet dat alle vogels Archaeopteryx tot gemeenschappelijke voorvader hebben. Ze gelooft wél dat sommige van de tegenwoordige vogels die niet kunnen vliegen mogelijkerwijze uit een nog oudere "voorouder" van Archaeopteryx kunnen zijn ontstaan.
Maar nu deze erkenning! "... het zou naïef van ons zijn te veronderstellen dat de toevallige verdrinkingsdood van Archaeopteryx... het begin van de evolutie der vogels zou aangeven. Het lijkt waarschijnlijk dat soortgelijke en mogelijk ook andere soorten primitieve reptielachtige vogels gedurende enige miljoenen jaren reeds op aarde bestaan hadden" (Biology of Birds, Lanyon, blz. 9).
Maar ofschoon de wetenschap zelf toegeeft, dat Archaeopteryx niet het beginpunt van de ingebeelde 'evolutie' der vogels kan hebben gevormd – de evolutie der vogels is niettemin op archaeopteryx gebaseerd!

Het meest waardevolle bewijsstuk

Ga de artikelen en boeken van ornithologen op dit gebied maar na en u zult ontdekken, dat zij Archaeopteryx herhaaldelijk als hun meest waardevolle 'bewijs'-stuk aanhalen.
Wat een zonderlinge theorie! Te veronderstellen dat de verbazingwekkende, ingewikkelde en wonderbaarlijk geconstrueerde vliegende wezens afstammen van lompe en onbevallige kruipende schepselen – is nogal vreemd!
Zoals de evolutieleer zelf toegeeft: "Vreemd genoeg zouden maar weinig mensen vermoeden dat van alle levende wezens de krokodillen het nauwst aan de vogels verwant zijn"! (id., blz. 8.)
Inderdaad! Weinig mensen zouden ooit zoiets eigenaardigs vermoeden, omdat de gecombineerde gaven van waarneming, vergelijking, deductie, rede en logica plus het échte bewijsmateriaal, het tegendeel bewijzen!
Archaeopteryx was een zonderling schepsel.
Maar bij lange niet zo zonderling als de theorieën die over zijn plaats in de rangorde der fossielen in omloop zijn.
De geleerden weten echt niet wat Archaeopteryx was.
Hij past niet in de starre classificaties van bekende wezens – maar dat geldt ook voor vele hedendaagse schepselen. Neem bijvoorbeeld het vogelbekdier eens. Dit eigenaardig wezen ziet er uit als deels eend, deels otter en deels bever. Het legt eieren, maar daarna zoogt het zijn jongen evenals zoogdieren dat doen! Wat voor een bespottelijke afbeelding zou een kunstenaar hiervan gemaakt hebben, als het vogelbekdier als een fossiele vorm van leven ontdekt was!
Het vogelbekdier is echter geen fossiel. Het is slechts een uiterst ongewoon schepsel – en daarom 'moeilijk' te 'classificeren' voor evolutionisten. Maar het is volledig ontwikkeld, volmaakt gevormd en geheel aan zijn omgeving 'aangepast' omdat het zo gemaakt werd.
Luister eens naar deze erkenning!

Archaeopteryx was 'onstabiel'

"Het is niet gerechtvaardigd Archaeopteryx de voorvader van alle later komende vogels te maken", zegt een geleerde, "want het zou wel buitengewoon toevallig zijn als de alleroudste vogel, die zo ontoereikend in de geologische tijdschaal vertegenwoordigd is, zo'n gunstige plaats in het schema der evolutie zou innemen. Het zorgvuldig bewaren van Archaeopteryx is bijna zeker te danken aan zijn onstabiliteit," zo gaat de verbazingwekkende erkenning verder – en let wel op dat feit – "aan het feit dat hij, na de bescherming van de bomen tijdens een sterke wind verlaten te hebben, over het Solnhofermeer meegevoerd werd en in het betrekkelijk rustige water aan de oever verdronk" (Biology and Comparative Physology of Birds, onder redactie van A. J. Marshall, blz. 11-13).
Maar let hier eens goed op! Als Archaeopteryx, een "volkomen ontwikkelde" soort met duidelijk gedefinieerde veren, zoals men toegeeft door een "sterke rukwind" neergehaald werd en zodoende als fossiel bewaard gebleven is, wat moet men dan van de tientallen en tientallen tussensoorten zeggen, die nog veel minder dan Archaeopteryx voor 'vliegen waren toegerust'?
Laten we, om de zaak te vereenvoudigen, onze verbeeldingskracht nog eens laten werken (aangezien alles aan de evolutietheorie tenslotte zuiver denkbeeldig is) en een verhaal over de eerste 'aspirant' Archaeopteryx verzinnen. Ons beestje – laten we hem 'Archie' noemen – heeft zich nog niet volledig tot een echte Archaeopteryx, compleet met veren, ontwikkeld. Archie is het zat, op zijn zwaaiende tak te zitten waarnaar hij zich zo moeizaam met bek en klauwen heeft opgewerkt.
Tot op dat ogenblik had noch Archie, noch één van zijn bloedverwanten succes gehad met vliegen. Archie herinnert zich zijn beste brave oom Wim, en al zijn broers en zusters en zoveel anderen van zijn bloedverwanten die vanaf klippen, bergtoppen, hoge rotsen, bomen en struiken hun dood tegemoet gesprongen waren. En dan was er ook nog die lieve tante Martha-opteryx (of 'gevleugelde Martha'), die, toen ze tussen de ineengestrengelde takken van een doornboom trachtte te fladderen, al haar veren verloor, en sedertdien een oude afgedankte slangenhuid gedragen heeft. (Dat is maar een grapje van ons!)
Maar Archie is onverschrokken. Ondanks herhaalde mislukte pogingen weet hij dat hij voorbestemd is op één of andere wijze te vliegen. Denk eraan: hij heeft nooit iemand zien vliegen. Zijn veren zijn niet lang genoeg, zijn benige 'reptielachtige' structuur is te zwaar, en aërodynamisch deugt hij niet. Maar vliegen zál hij – althans volgens de gissingen van de wetenschap.
En zo gebeurt het dan, dat juist als een aanhoudende windvlaag zijn tak doet zwaaien, onze Archie zijn sjofele bemodderde veren uitstrekt (ja, bemodderde veren, want hij heeft ermee langs de grond gesleept door de wirwar van bomen en struiken, en heeft ze voor een echte vlucht nog niet gebruikt) en springt met een voorhistorisch triomfantelijk gekras de lucht in!
Flap! Fladder! Krak! Kraak! Ruk! Trek! Scheur! Spartel, spartel, spartel, AAAaaahhh! En dan... verheven stilte. Archie is dood.
Hij stierf aan gebroken vleugels, een verrekte rug, een gebroken nek, verbrijzelde schedel en gebroken poten.
In feite heeft Archie nooit bestaan! Hij had niet kúnnen bestaan, omdat z'n voorouders niet 'uitgerust' waren om te overleven!
Maar laten we teruggaan naar wat de wetenschapsmensen over Archaeopteryx – en zijn armzalige vliegvermogen – toegeven! Het heeft veel meer zin en is heel wat logischer dat, evenals Archaeopteryx mogelijkerwijze door een rukwind neergehaald werd, honderdduizenden van zijn minder goed toegeruste voorouders hun nek braken, bij duizenden verdronken, bij tienduizenden omlaag vielen, en zich in hun noodlottige, zwakke, vruchteloze pogingen om te vliegen, tot massale kerkhoven van fossielen ophoopten!
Maar... als dát zo was, dan zouden dergelijke bewijsstukken in overvloed in afzettingsgesteente met fossielen voorkomen.

Waar zijn de veren?

Dan zou u fossiele hagedissen zien, met zoiets als een zweempje van een veer, dat uit een elle­boog groeide. U zou tientallen andere zonderlinge schepsels zien, met veren die uit hun staart, hun poten en hun kop groeiden. Van het begin tot het einde van de geologische tijdschaal zouden er ook gebroken, besmeurde en doorweekte veren moeten zijn – de evolutieleer wil u immers laten geloven dat het ontwikkelingsstadium tussen schubben en veren miljoenen en nog eens miljoenen jaren geduurd heeft!
Maar waarom zouden we de zaak nu eens niet van de andere kant bekijken? Stel dat, toen de eerste 'veren' bij hagedissen begonnen voor te komen, ze eens niet welkom waren – wat dan?
Hoe zou u zich voelen als er een veer uit uw lichaam begon te groeien?
Op z'n zachts uitgedrukt – een beetje vreemd! Waarschijnlijk zou u het uitplukken! (Tenslotte scheert men zich tot treurens toe – en toch blijft ons haar maar groeien. Men brandt, scheert en plukt, en men haalt zelfs hele stukken huid weg, alleen maar om zich van onooglijk haar te ontdoen.)
Hoe zou om het even wélke zichzelf respecterende, glibberige hagedis zich voelen, als hij plotseling veren op zijn voorpoten zou zien verschijnen? Stelt u zich eens voor, wat voor veren dát zouden zijn, die hij in- en uit rotsholen, over boomstammen, door meren en rivieren, over doornstruiken en door zandwoestijnen zou slepen!
Hij zou, de grootste frustratie ten prooi, die dingen waarschijnlijk met zijn tanden er uit rukken!
En dan zou het evolutieproces (dat niet bewezen is) in dit belachelijke 'stadium' tot stilstand zijn gebracht, en tot aan de dag van vandaag zou u nog steeds ontmoedigde hagedissen kunnen zien, die aan gebroken 'veren' trekken of deze tegen struiken en rotsen proberen af te schuren.
Nee, de evolutiegedachte heeft eenvoudig geen antwoord voor de ware oorsprong van het vliegen!
De fantastisch ingewikkelde, prachtige en inspirerende vogelsoorten om ons heen – met hun verbluffende capaciteiten, hun haast ongelooflijke vermogen om te trekken en hun speciaal gebouwde lichamen – kunnen eenvoudig niet verklaard worden aan de hand van miljoenen tonnen ontbrekend bewijsmateriaal.

Een oneindig groot verschil tussen vogels en reptielen

Toegegeven, er zijn vrij veel dieren die eieren leggen. Krokodillen leggen eieren, evenals vogels. Maar vogelbekdieren en insecten leggen ook eieren.
Hier houdt de overeenkomst echter op!
Reptielen hebben, over het algemeen genomen, kolossale, krachtig gebouwde, geschubde en met een pantser bedekte lichamen, reusachtige kaken, machtige vlezige staarten en een verweerde, gerimpelde, dikke lederachtige huid.
Ze zijn zo ver van hun 'naaste levende bloedverwanten' – onze vogels – verwijderd, als ze maar kunnen. Dan zijn er natuurlijk de reptielen die kleiner en fragieler zijn dan sommige vogels.
Denkt u zich dit eens in!
Vele vogels hebben nietige, broze, poreuze geraamten, die voor vliegen geschikt zijn. Zij hebben luchtzakken door hun lichaam verspreid die als 'extra longen' fungeren. Ze hebben tevens een snelle hartslag en een snelle stofwisseling. Weer andere hebben zware, kolossale geraamten en kunnen niet vliegen. Vogels hebben ontelbare verschillende soorten snavels, poten, vleugels en koppen – elk voor een vastgesteld, specifiek en heel bijzonder doel!
De mens zal voor niets terugdeinzen – het geeft niet hoe onzinnig het ook mag zijn – om voor de wonderbare schepping een verklaring te vinden, waar geen plaats is voor een Wonder-grote Schepper!
Eén der voornaamste bewijzen van het bestaan van God is ontwerp! Het is veel logischer met betrekking tot het leggen van eieren, de benige geraamtes en diverse overeenkomsten in de kenmerken van alle schepsels, op het bestaan van een groot Ontwerper te wijzen, die een groot basisplan voor zijn Schepping gebruikt heeft, dan te zeggen dat de ene soort uit de andere 'geëvolueerd' is.
Als u een rij gebouwen ziet die overeenkomst met elkaar vertonen, dan weet u dat ze door dezelfde architect ontworpen werden – u gaat dan toch niet bij uzelf redeneren dat de kleinere gebouwen zich uit de grotere 'ontwikkeld' hebben!
Wanneer u de overeenkomsten in de 'natuur' ziet, dan ziet u dezelfde vanzelfsprekende waarheid! Een groot Architect ontwierp alle levensvormen, schiep deze en zette ze voor een groot doel op deze aarde neer!
Wat een waarlijk adembenemende studie zou het zijn, als onze kinderen bij het lesgeven in vogelkunde, de wonderbare, warme, liefdevolle en vaak humoristische wijsheid van God onderwezen zou worden in plaats van de ijdele veronderstellingen van 'er is geen God'-theorieën van vandaag.

 

Terug naar de Home Page

web stats