Voor literatuurlijst klik hier.

De Verenigde Staten
en Groot-BrittanniŽ
in de profetieŽn

 

De mensen van de Westerse wereld zouden versteld staan, met stomheid geslagen zijn, als zij het wisten! De regeringen van de Verenigde Staten, van Groot-BrittanniŽ, Canada, Zuid-Afrika, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland zouden enorme noodprogramma's in werking stellen – als zij het wisten! Zij zouden het kunnen weten! Maar zij weten het niet! Waarom niet?


INTRODUCTIE

In de komende jaren zal zich in de wereldgebeurtenissen een ontstellende kentering manifesteren. De Verenigde Staten, Engeland, West-Europa en het Midden-Oosten zullen hier gewelddadig bij zijn betrokken. Het is voor de vrije wereld al tamelijk laat om tot besef van de werkelijke betekenis achter de huidige wereldgebeurtenissen te komen. Waarom zien de leiders van de wereld niet wat er op komst is? Waarom hebben de grootste geesten geen inzicht: de staatshoofden, wetenschapsmensen, opvoedkundigen, journalisten, nieuwscommentatoren, bankiers, industriŽlen, leidinggevenden in de handel? Zij zijn zich van niets bewust! Waarom niet?
Omdat zij verkeerd zijn opgeleid en ertoe verleid zijn hun denken af te sluiten voor de grote oorzaken achter de wereldgebeurtenissen. Deze wereld heeft men ten onrechte geleerd oorzaken te negeren en zich bezig te houden met gevolgen! Maar alle problemen en kwalen van de wereld zijn eenvoudig een zaak van oorzaak en gevolg. Er is een oorzaak die de basis is van strijd en oorlog; van armoede, ellende en ongelijkheid; van misdaad, ziekte en mentale gebreken. Maar de leiders weten het niet!

De komende uitbarsting

De leidinggevende mensen in de wereld zijn het best opgeleid.
Hun opleiding omvatte echter geen fundamentele waarheden: de grondslagen van juiste kennis. De meest noodzakelijke kennis wordt niet onderwezen! Deze leidinggevenden weten niet wat de mens is of waarom hij is! Zij weten niets omtrent het doel of de zin van het leven! Hun is niet geleerd de werkelijke waarden van de valse te onderscheiden. Zij ontvingen geen onderwijs aangaande de werkelijke oorzaken: de weg naar vrede, naar geluk, naar universele welvaart; evenmin aangaande de oorzaken van oorlog, verdriet, ongelijkheid en de chaos in de wereld.
Zij weten niets omtrent het doel dat hier op aarde wordt verwezenlijkt. Bijgevolg leiden zij de mensheid op een spoor dat met dit doel in strijd is. Hierdoor wordt een gekwelde, onder leed en verdriet gebukt gaande mensheid ontzaglijke schade toegebracht. Zonder kennis van de weg naar vrede heeft de wereld geen vrede. De leiders spreken over vrede; zij beweren voor vrede te werken; zij roepen om vrede. Ondertussen hechten zij verblind hun goedkeuring aan de weg die oorlog teweegbrengt!
Deze wereld gaat eenvoudig de verkeerde weg!
Deze wereld stemt in met en leidt de samenleving op de wegen die de oorzaak zijn van alle kwalen van de wereld.
En nu naderen wij met grote snelheid de laatste grote, allesverwoestende explosie, die het verstand van de mens zal doen wankelen op de rand van krankzinnigheid. Er zijn momenteel krachten aan het werk met plannen, programma's, samenzweringen, organisaties, die spoedig zullen leiden tot een wereldwijde explosie van geweld en chaos, van een omvang als nooit tevoren en zoals daarna ook nooit meer zal plaatsvinden. Tegenwoordig zijn de mensen bezig met natuurkrachten te knoeien zonder de voorzichtigheid, de kennis, het vermogen en de wijsheid die nodig zijn om ze te beheersen.
Met deze dwaasheid van geschoolde onwetendheid is het modieus en intellectueel strelend geworden de grote en fundamentele oorzaak van alle dingen te negeren; onbekend te zijn met het feitelijke bestaan van het doel dat hier op aarde wordt verwezenlijkt en van het meesterplan om het te verwezenlijken; niets te weten van de onzichtbare, maar Soevereine Macht die nu weldra zal interveniŽren om de loop der geschiedenis drastisch te wijzigen, voordat de mensheid haar eigen bestaan uitdooft.
IrreŽel als het mag lijken voor hen die in de misleidingen van het hedendaagse onderwijs zijn ondergedompeld, maar ongeveer 2500 jaar geleden inspireerde de Soevereine Macht van het universum iemand met de naam Jesaja Hem aldus te citeren:
Jesaja 46:9  Denkt aan hetgeen vroeger, vanouds, gebeurde; Ik immers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk; 10  Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen.
De grote mogendheden formuleren hun politiek, stellen hun plannen op. De komende jaren zullen echter plotselinge, opzienbarende gebeurtenissen te zien geven van een soort die wel zeer verschilt van de plannen van de naties! Waarom?

Niet ťťn keer gefaald

Omdat er de grote God is die zegt:
Psalmen 33:10  De Here verbreekt de raad der volken, Hij verijdelt de gedachten der natiŽn; 11  de raad des Heren houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht. 12  Welzalig het volk, welks God de Here is, de natie, die Hij Zich ten erfdeel koos. 13  De Here schouwt uit de hemel, Hij slaat alle mensenkinderen gade; 14  uit zijn woonplaats ziet Hij naar alle bewoners der aarde, 15  Hij, die hun aller harten vormt, die al hun werken doorgrondt.
Dezelfde Eeuwige God zegt:
Jesaja 40:25  Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige. 26  Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen?
En ook:
Vers 15   Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal; zie, eilanden zijn als fijn stof, dat uitgestrooid wordt. Vers 17 Alle volken zijn als niets voor Hem, zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel.
Door middel van Zijn geÔnspireerde profeten heeft de grote God, ongeveer 2500 jaar geleden, profetieŽn, die ongeveer een derde deel van de Bijbel beslaan, laten opschrijven en in geschrift voor onze tijd laten bewaren. In deze profetieŽn noemt Hij iedere stad die in die tijd van belang was en ook ieder volk! En Hij voorspelde precies wat er in de loop der jaren met iedere stad en ieder volk zou gebeuren! In alle gevallen werden de profetieŽn vervuld!
Wat er was geprofeteerd, gebeurde met Babylon, met Tyrus, Sidon, Askelon, Asdod, Ekron; met Egypte, AssyriŽ, Chaldea, PerziŽ, Griekenland en Rome. Niet ťťn keer faalde een profetie! Ze waren zeer accuraat.
In andere profetieŽn heeft dezelfde soevereine God even precies voorspeld wat er zal gebeuren met de Verenigde Staten, de Britse volken, West-Europa, het Midden-Oosten, Rusland!

De grootste geesten in totale onwetendheid

Toch verkeren in de wereld de mensen met het beste verstand in totale onwetendheid inzake de weergaloze catastrofe die op het punt staat zich te voltrekken. En waarom zijn deze profetieŽn niet begrepen en geloofd? Omdat de essentiŽle sleutel die de profetieŽn voor ons begrip kan ontsluiten was verloren gegaan. Deze sleutel is de identiteit van de Verenigde Staten en de Britse volken in de bijbelse profetieŽn.
Deze sleutel is nu gevonden! Wij bieden hem aan aan hen die bereid zijn met onbevooroordeelde ogen te kijken.
De geprofeteerde gebeurtenissen die de Amerikaanse en Britse volken de komende jaren zullen treffen staan vast!
God zegt:
Amos 3:7  Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten.
Deze kolossale wereldgebeurtenissen, die de eerste twee wereldoorlogen in het niet laten verdwijnen, zullen komen, maar niet voordat de waarschuwing ter beschikking is gesteld aan hen wier ogen bereid zijn te zien.

 

Hoofdstuk 1

DE VERLOREN SLEUTEL IS GEVONDEN

Al klinkt dit ongeloofwaardig, het is waar: redacteuren, nieuwslezers, buitenlandse correspondenten hebben geen begrip van de werkelijke betekenis van het wereldnieuws dat zij verslaan, analyseren en bespreken. Regeringsleiders hebben geen enkel besef van het ware gewicht van de wereldschokkende gebeurtenissen waarmee zij te maken hebben. Zij hebben geen idee van waartoe deze gebeurtenissen leiden. Ongelooflijk? Wellicht, maar waar!
Voor het Congres van de Verenigde Staten verklaarde Winston Churchill: "Hij moet wel een blinde ziel hebben die niet kan inzien dat er hier beneden een groots doel en plan worden verwezenlijkt, waarvan wij de eer hebben de getrouwe dienaars te zijn." Hij bezat echter van dit doel geen begrip! Dit grote doel werd lang geleden meesterlijk ontworpen door het Meesterbrein van het universum.

Er is een doel

Het is waar, ofschoon nagenoeg geheel onbekend: de mensheid werd inderdaad met een doel op deze aarde geplaatst! En de Schepper van de mensheid heeft het menselijke product van Zijn hand een Instructieboek meegegeven teneinde dit doel te openbaren en de mens te leiden bij een gelukkige, vreugdevolle vervulling ervan. Het menselijk geslacht verwierp echter de openbaring en het richtsnoer en gaf er de voorkeur aan voort te struikelen in het duister van zijn eigen zinledige redeneringen.
Ongeveer een derde van dit Instructieboek is gewijd aan fundamenteel onderwijs. Dit openbaart aan de mens de onontbeerlijke basiskennis die hij op geen andere wijze kan ontdekken of te weten komen: kennis van wat de mens is, waarom hij is, wat zijn bestemming kan zijn, hoe hij deze bestemming kan bereiken en op weg erheen gelukkig leven; dit onderwijs openbaart kennis van de werkelijke waarden in onderscheid van de valse; kennis van de weg naar vrede, geluk, overvloedige welvaart. Met andere woorden, de meest noodzakelijke kennis, het fundament voor de kennis die wel kan worden ontdekt.
Nog een derde van dit Boek is gewijd aan geschiedenis, aan die gebeurtenissen en ervaringen die gedurende de eerste vier millennia van het sterfelijke bestaan van de mens het meesterplan vervulden en die als voorbeelden dienen ter waarschuwing en leiding van ons vandaag.
En dan nog ongeveer een derde van de openbaring van onze Schepper is gewijd aan profetie, geschiedschrijving van gebeurtenissen voordat deze plaatsvinden. Deze voorspelde toekomstige gebeurtenissen openbaren het grote doel dat tenslotte wordt verwezenlijkt, dat zal worden voltooid.

Vanwaar de onwetendheid?

Zie nu waarom staatshoofden, nieuwscommentatoren en de grote geesten van onze tijd geen begrip hebben van de werkelijke betekenis der wereldgebeurtenissen zoals deze op ditzelfde ogenblik bezig zijn vorm aan te nemen.
Een rationele en juiste kennis van dit grote doel, van het meesterplan van de Schepper, van het punt waarop wij ons vandaag in de voortgang van deze vooraf bepaalde gebeurtenissen bevinden en van de belangrijkste geprofeteerde gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden, is de essentiŽle basis van begrip van de zin en ware betekenis van het hedendaagse dynamische wereldnieuws. Zonder deze levensbelangrijke kennis is iemand die zich met het vergaren en rapporteren van nieuws bezighoudt, iemand die voor regeringsbeleid verantwoordelijk is, niet in staat actuele wereldgebeurtenissen te begrijpen en evenmin begrijpt hij waartoe deze leiden. En niemand die met dergelijke verantwoordelijkheden is belast hťťft deze kennis! Waarom niet?
In hoofdzaak om twee redenen: 1) Door verkeerd onderwijs, dat een beroep doet op intellectuele ijdelheid, zijn zij misleid tot het bevooroordeeld en minachtend verwerpen van de goddelijke openbaring die dit begrip kan verlenen; en 2) de essentiŽle sleutel, die noodzakelijk is om de vergrendelde deuren van de bijbelse profetie te ontsluiten, was verloren.
De grote mogendheden van onze tijd waren en zijn de Verenigde Staten, Rusland, samen met andere landen van de voormalige Sovjet-Unie, Groot-BrittanniŽ, Duitsland, Frankrijk en andere West-Europese naties. De essentiŽle sleutel die ontbrak is niets anders dan de identiteit van deze grote mogendheden in de bijbelse profetieŽn! De ontstellende, catastrofale, wereldschokkende gebeurtenissen, die spoedig over een geschokte, verblufte, verbijsterde wereld zullen losbarsten, staan in direct verband met de Verenigde Staten, Engeland, Duitsland, West-Europa en Rusland.
Doordat zij niet weten hoe en waar deze naties in de belangrijkste profetieŽn worden genoemd, zijn de bestopgeleide mensen van de wereld volkomen blind voor de duidelijke en eenvoudige betekenis van de profetieŽn. Wegens het verlies van deze sleutel, meer dan door iets anders, werd de Bijbel in het onderwijssysteem van deze wereld in diskrediet gebracht en verworpen. De onbewezen en onbewijsbare evolutietheorie is ervoor in de plaats gesteld als het basisconcept dat het, naar verondersteld rationele, uitgangspunt voor kennisverwerving is geworden.
Wat een kolossale tragedie! Onze volken, die aldus van kindsbeen af verkeerd en bedrieglijk onderwijs hebben ontvangen, tasten, in een tijdperk van naar men meent geavanceerd rationalisme, rond in het duister van onwetendheid, wanbegrip en verwarring, op een noodlottige wijze onbewust van de rampzalige aardbeving waarin zij zonder omwegen terecht zullen komen.
Zo zijn onze volken hun Schepper vergeten en ver van Hem afgeweken. Zij hebben hun ogen en oren gesloten voor Zijn, aan de mensheid gerichte, dynamische openbaring, die, aan oren die kunnen horen, luid en krachtig de waarschuwing van leven en dood verkondigt aan hen die zich in de verantwoordelijke machtsposities bevinden!
Is het al te laat? Zijn onze leiders al zo doordrenkt van een misleidend, vals onderwijs, zo gevoelloos gemaakt, dat zij niet uit hun sluimer kunnen worden opgewekt? God helpe ons! De tijd is voor ons reeds bijna verstreken!
Maar de allerbelangrijkste sleutel is gevonden!
Deze sleutel is de verbazingwekkende identiteit – in de Bijbelse profetieŽn – van het Amerikaanse en van de Britse volken, evenals van het Duitse. Deze identiteit is een sterk bewijs van de inspiratie en het gezag van de Bijbel! Tegelijk is het een sterk bewijs van het zeer actieve bestaan van de levende God!
Een boeiend, dynamisch, vitaal derde gedeelte van de hele Bijbel is aan profetie gewijd. En van al deze profetieŽn heeft om en nabij de 90 procent betrekking op onze tijd, nu vandaag, in het begin van de eenentwintigste eeuw! Het is een waarschuwing van onmiddellijk levensbelang, gericht aan vooral de Engelstalige volken. De profetieŽn komen tot leven nu eenmaal de deuren ertoe door deze teruggevonden sleutel zijn geopend! Deze publicatie zal, voor het open verstand, dit tot op heden ontoegankelijke derde deel van de Bijbel openen. Geen enkel fictief verhaal is zo merkwaardig, zo fascinerend, zo geladen met spanning en belang, als dit aangrijpende verhaal van de identiteit van de Verenigde Staten en Groot-BrittanniŽ en van hun voorgeslacht.
Door middel hiervan geeft de Almachtige God een gewichtige waarschuwing! Zij die dit lezen en er acht op slaan, kunnen gespaard worden voor de ongeŽvenaarde catastrofale tragedie die binnenkort zal plaatsgrijpen. Indien onze volken en hun regeringen ontwaken, hierop acht slaan en naar hun levende God terugkeren, dan kunnen onze naties worden gespaard. God helpe ons te begrijpen

 

Hoofdstuk II

PROFETIEňN TOT ONZE TIJD GESLOTEN!

Men zou kunnen vragen: werden de bijbelse profetieŽn niet gesloten en verzegeld? Inderdaad, dat werden ze tot in onze tijd! En zelfs nu kunnen ze alleen worden begrepen door hen die de sleutel bezitten om ze te ontsluiten. Maar wij zijn min of meer aan het eind van 6000 jaar bijbelse geschiedenis gekomen. Wij hebben het einde van een tijdperk bereikt! Wij gaan nu, op dit moment, de wereldcrisis aan het slot van de huidige beschaving binnen. Wij zien ons vandaag geplaatst tegenover omstandigheden waarvan de wereld nimmer tevoren getuige is geweest. In deze tijd is het grootste probleem de grimmige kwestie van het voortbestaan! Voor het eerst in de wereldgeschiedenis bestaan er wapens voor massavernietiging die elk leven van de aardbodem kunnen wegvagen. Regeringsleiders en wereldbekende geleerden zeggen nu publiekelijk dat wij ons moeten aanpassen aan een leven in angst voor vernietiging der mensheid, zonder oplossingen in het vooruitzicht.
Tot hen die wegens vooroordelen cynisch tegenover de Bijbel staan, dit: dit is uw enige hoop! De wetenschap biedt geen oplossingen. De politici en regeringsleiders hebben geen antwoorden. Alleen in de Bijbel vindt u nu reeds het nieuws van wat zeker staat te gebeuren – en gebeuren zal het voordat de mensheid haar eigen bestaan vernietigt!
Een andere opponent zou evenwel kunnen vragen: zijn de meeste profetieŽn geen achterhaalde, oudtestamentische geschriften, slechts gericht aan de oude natie IsraŽl en van geen enkel belang voor ons in deze tijd? Het antwoord is een nadrukkelijk nee! Deze tintelende, dynamische profetieŽn werden grotendeels nooit aan het IsraŽl van de Oudheid gegeven.

Een onmisbaar boek

De zuivere waarheid is dat deze profetieŽn werden geschreven voor onze volken van deze tijd en voor geen ander, eerder volk of tijdperk. Ze hebben betrekking op de omstandigheden in de wereld van vandaag en ze konden niet eerder worden begrepen dan vandaag.
Een der meest centrale profetische boeken is het boek DaniŽl. In feite is niet de profeet DaniŽl de auteur van het boek dat zijn naam draagt. De levende God is er de auteur van! De boodschap werd door Gods engel aan DaniŽl overgedragen. DaniŽl legde wat hij hoorde in geschrift vast om het tot onze tijd te laten bewaren.
Aan het slot van zijn boek schrijft DaniŽl:
DaniŽl 12:8  Ik nu hoorde het wel, maar begreep het niet en zeide: Mijn heer, waarop zullen deze dingen uitlopen? 9  Doch hij zeide: Ga heen, DaniŽl, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd. 10  Velen zullen zich laten reinigen en zuiveren en louteren, maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen der goddelozen zal het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.
De profetieŽn van DaniŽl werden dus tot nu toe verborgen, verzegeld, gesloten! Maar vandaag leven wij in "de eindtijd". Vandaag verstaan "de verstandigen" het inderdaad! Maar wie zijn "de verstandigen"? Alleen zij die God vrezen en gehoorzamen en die de sleutel bezitten om de afgesloten profetieŽn te ontsluiten. God zegt:
Psalmen 111:10  De vreze des Heren is het begin der wijsheid, een goed inzicht hebben allen die ze [Zijn geboden] betrachten. Zijn lof houdt eeuwig stand.
En zelfs de meeste belijdende 'christenen' weigeren te enen male dat te doen. Geen wonder dat zij geen inzicht hebben.
En vergeet niet: de specifieke sleutel die de vergrendelde deuren der profetie ontsluit is de precieze kennis van de ware identiteit van de Amerikaanse en Britse naties zoals deze in de profetieŽn worden genoemd.
Sta hier eens een ogenblik bij stil. Als de profetieŽn die DaniŽl opschreef niet door hem konden worden begrepen; als zij werden "verborgen en verzegeld tot de eindtijd" tot het einde van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de engel zei en zoals DaniŽl schreef, dan waren zij verborgen voor de IsraŽlieten van die tijd; dan bevatten zij geen boodschap voor DaniŽls tijd.
Laten wij nog iets verder gaan.
Deze profetieŽn konden niet aan het koninkrijk IsraŽl van de Oudheid zijn gegeven en bekend zijn. DaniŽl schreef in en na de tijd van de verovering en wegvoering van het koninkrijk Juda in de jaren 604 tot 585 v.Chr. door de Chaldeeuwse koning Nebukadnezar. Het koninkrijk IsraŽl evenwel was allang daarvoor veroverd; de bevolking ervan was in 721 tot 718 v.Chr., 117 tot 133 jaar voordat DaniŽl schreef, uit Palestina in slavernij naar AssyriŽ gevoerd.
2 Koningen 17:18  Daarom was de Here zeer vertoornd geworden op IsraŽl en had hen van voor zijn aangezicht verwijderd: niets bleef er over dan alleen de stam van Juda. Vers 23  totdat de Here IsraŽl van voor zijn aangezicht verwijderde, zoals Hij gesproken had door al zijn knechten, de profeten. En IsraŽl werd uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur, tot op de huidige dag. 24  De koning van Assur bracht mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaim en deed hen wonen in de steden van Samaria in plaats van de IsraŽlieten. Zij namen Samaria in bezit en vestigden zich in de steden daarvan.
Al jaren voordat het boek DaniŽl werd geschreven waren de meeste AssyriŽrs, met hun IsraŽlitische slaven, vanuit het oude AssyriŽ naar het noordwesten, richting Europa gemigreerd. Hoe ver naar het noordwesten, waar zij zich uiteindelijk hebben gevestigd, was destijds niet bekend. Zij waren bekend geworden als de Verloren Tien Stammen.
Maar vandaag weten wij het wel.
Zoals DaniŽl schreef (DaniŽl 12:4) is de kennis inderdaad vermeerderd. De omzwervingen van de Verloren Tien Stammen is een der oude mysteries die nu zijn opgehelderd. In DaniŽls tijd echter waren deze stammen uit het zicht verdwenen, alsof de aarde haar mond geopend en hen verzwolgen had.

Niet voor oudtestamentisch IsraŽl

De profetieŽn van DaniŽl waren derhalve geen boodschap aan het oudtestamentische koninkrijk IsraŽl!
Nu nog een stap verder!
Deze profetieŽn waren evenmin een boodschap voor het oudtestamentische koninkrijk Juda. In de tijd dat DaniŽl schreef, waren de Joden reeds slaven in Babylon. DaniŽl zelf was een der briljante jonge prinsen van Juda, die speciaal waren uitgekozen om in het koninklijk paleis in Babylon dienst te doen (DaniŽl 1:3-6). DaniŽls veeleisende plichten in dienst van de heidense koning stonden hem niet toe zijn afgesloten en verzegelde boodschap aan de verspreid wonende Joodse slaven door te geven. In deze toestand van slavernij hadden de Joden geen stelselmatige godsdienstige bijeenkomsten en geen priesters. Er was niet zoiets als een drukpers, geen methode om literatuur te drukken en te verspreiden. En bovendien waren de profetieŽn "verborgen en verzegeld tot de eindtijd" – onze tijd van nu! Het boek DaniŽl was geen boodschap voor de Joden in oudtestamentische tijden! Er wordt met nadruk gesteld dat deze profetieŽn op geen andere dan op onze tijd, deze eenentwintigste eeuw, betrekking hebben!
Dit moet u ook weten:
Voor de meeste mensen is het meest mysterieuze boek van de gehele Bijbel het boek Openbaring. Het boek DaniŽl is evenwel de sleutel tot het boek Openbaring. En alleen in het boek Openbaring en nergens anders, vinden wij de wereldgebeurtenissen chronologisch met elkaar in verband gebracht. Het boek Openbaring bevat dus de sleutel voor het in de juiste tijdsorde bij elkaar brengen van alle profetieŽn. Maar ook Openbaring was een gesloten en verzegeld boek tot onze tijd, vandaag. Wij zijn ons ervan bewust dat de levende Jezus degene is die openbaart en dat Hij de zegels heeft verbroken en dit mysterieuze boek voor een juist begrip heeft geopend.
En waartoe leidt dit ons? Tot het feit dat de profetieŽn in het algemeen werden geschreven en bewaard voor onze tijd van vandaag! En op deze tijd heeft zo'n 90 procent van alle profetieŽn betrekking. En de allerbelangrijkste sleutel tot de profetieŽn als geheel wordt gevormd door de identiteit van de Verenigde Staten en de Britse naties in deze voor vandaag bestemde profetieŽn!
Deze profetieŽn kunnen geen betrekking hebben op enige andere tijd voorafgaande aan ons hachelijk heden!
Al wordt het misschien niet algemeen beseft, maar Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten werden pas in de 19e eeuw grote mogendheden. Plotseling, in het begin van de 19e eeuw, schoten deze twee, tot op dat moment kleine, minder belangrijke landen, in korte tijd omhoog tot grootmachten onder de naties, zoals geen enkel land ooit eerder was gegroeid in welvaart, natuurlijke rijkdommen en macht.
Rond 1804 was Londen het financiŽle middelpunt van de wereld geworden. De Verenigde Staten barstten uit hun babykleren van de 13 oorspronkelijke staten en verwierven de uitgestrekte Louisiana Purchase. Ze waren bezig snel tot de machtigste natie aller tijden uit te spruiten. Maar Groot-BrittanniŽ kwam het eerst als grootmacht tevoorschijn en vormde tot aan de beide wereldoorlogen het grootste wereldrijk, of gemenebest van naties, uit de hele geschiedenis.

Zouden deze volken genegeerd kunnen worden?

De Britse en Amerikaanse volken hadden samen ruim zeventig procent van alle natuurlijke hulpbronnen en rijkdom van de wereld verworven. Alle andere landen bij elkaar bezaten nauwelijks meer dan een kwart. 'Britannia ruled the waves' en de wereldhandel vond plaats over het water. De zon ging nooit onder boven de Britse bezittingen.
Denk nu eens na:
Zouden de Britse en Amerikaanse volken over het hoofd kunnen worden gezien in profetieŽn over de omstandigheden in de wereld die een derde van de gehele Bijbel in beslag nemen, terwijl zo'n 90 procent van al deze profetieŽn betrekking heeft op nationale en internationale wereldgebeurtenissen van onze tijd, nu?
Ontstellend?
Inderdaad. Maar precies zoals werd geprofeteerd is de Britse zon nu ondergegaan. Zoals deze zelfde profetieŽn die Groot-BrittanniŽ's grootheid voorspelden lang tevoren hebben geopenbaard, is er van Engelands macht en glorie weinig over.
En de Verenigde Staten? Vandaag treft Amerika zichzelf aan als de erfgenaam van min of meer alle internationale problemen en zorgen van deze naoorlogse, chaotische, gewelddadige wereld. De militaire kracht van de Verenigde Staten is tanende. Hebben ze hun laatste oorlog gewonnen? Zelfs het kleine Noord-Vietnam hield hen in bedwang. Talloze andere landen putten Amerika's nationale kracht uit, "maar hij beseft het niet", zoals God lang geleden voorspelde!
Wat het wereldtoneel aangaat is op dit ogenblik niets zo belangrijk als te weten waar de blanke, Engelstalige volken in honderden profetieŽn worden geÔdentificeerd, profetieŽn die levendig hun plotselinge opkomst als grote mogendheid beschrijven en die de oorzaken van deze grootheid openbaren; profetieŽn die van ons huidige internationale dilemma een kristalhelder beeld schilderen; profetieŽn die ons de ogen wijd openen voor wat nu voor deze landen in het nabije verschiet ligt en wat hun uiteindelijke en laatste status zal zijn.

 

Hoofdstuk III 

NATIONALE GROOTHEID AAN ISRAňL BELOOFD – NOOIT DOOR DE JODEN ONTVANGEN

Vůůr de Tweede Wereldoorlog hadden het Amerikaanse volk en de Britse volken meer dan twee derde van de natuurlijke hulpbronnen en rijkdom van de wereld verworven. Maar het verbazingwekkende wonder is dat zij bijna alles nogal plotseling, vanaf het jaar 1800, hebben verworven. Nooit eerder in de geschiedenis was iets dergelijks voorgevallen. Nooit eerder had enig volk of een natie zich zo plotseling en zo snel uitgebreid en was tot zo'n hoogte van nationale macht gestegen.
Maar nu zien wij voor onze ogen deze nationale grootheid, rijkdom en macht verbrokkelen en verdampen. In het geval van Groot-BrittanniŽ vallen deze zelfs nog sneller uiteen dan ze tot ontwikkeling kwamen! Engeland is bijna van de ene dag op de andere ontdaan van zijn koloniŽn en bezittingen, bron van zijn welvaart. Waarom? Er is een reden! Deze hangt samen met de geschiedenis van en de goddelijke beloften aan IsraŽl. Beloften die nooit door het Joodse volk zijn geŽrfd. En nu is Amerika, tenzij volk en regering van de Verenigde Staten er acht op slaan en onmiddellijke en drastische stappen ondernemen, gedoemd nog sneller smadelijk ten onder te gaan en alle nationale rijkdom, grootheid en macht te verliezen! En om dezelfde reden!
Zonder uitstel dienen wij nu van deze geschiedenis een overzicht te geven en onze ogen te openen voor goddelijke beloften en waarschuwingen waarvan deze volken zich nagenoeg geheel onbewust zijn. Dit alles staat in verband met het op grote schaal genegeerde, duidelijke en eenvoudige verhaal van de Bijbel, dat tot de kennis van onze ongelooflijke afstamming en hedendaagse profetische identiteit leidt. Dit is het meest opzienbarende en fascinerende verhaal dat u ooit hebt gelezen. Fantastischer dan fictie, maar waar!

Waarom hebben wij IsraŽls Bijbel?

Millennia geleden werden deze zelfde nationale grootheid, rijkdom en macht door de Almachtige aan Abraham beloofd. Toch hebben maar weinig mensen dit merkwaardige feit in de Bijbel opgemerkt. Indien wij begrip wensen, moeten wij van een bijzonder feit op de hoogte zijn. De Bijbel is het speciale Boek van een bepaalde natie: het volk IsraŽl.
Het is onmiskenbaar! Geschiedkundig is het, van Genesis tot Openbaring, in hoofdzaak de geschiedenis van ťťn natie of volk: de IsraŽlieten. Andere naties worden slechts genoemd in zoverre zij met IsraŽl in contact komen. Ook alle profetieŽn hebben hoofdzakelijk op dit volk IsraŽl betrekking en op andere naties alleen voor zover zij met IsraŽl in contact komen. De Bijbel vertelt over deze IsraŽlieten en hun God. Hij werd geÔnspireerd door de God van Abraham, Isašk en Jakob, uitsluitend door IsraŽlieten op schrift gesteld en, tot het Nieuwe Testament was geschreven, door de IsraŽlieten bewaard. In de heilige woorden ervan lezen wij dat alle beloften en verbonden van God, het zoonschap en de glorie alleen aan IsraŽl toebehoren (Romeinen 9:4).
Romeinen 9:4  immers, zij zijn IsraŽlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften.
Maar wij moeten het merkwaardige feit onder de ogen zien, dat de blanke, Engelstalige volken, niet de Joden, de nationale, fysieke stadia van deze beloften hebben geŽrfd!
Hoe kon dit gebeuren?
De Bijbel is een IsraŽlitisch Boek, in het bijzonder van en voor de IsraŽlitische natie, door middel van hun profeten door hun God geÔnspireerd. De Engelstalige volken hechten sterk aan dit Boek van het Hebreeuwse volk. Hoe meer men deze feiten beseft, hoe duidelijker het wordt dat een grondige kennis van deze IsraŽlieten onontbeerlijk is voor een juist begrip van de Bijbel, die zich hoofdzakelijk met hen als volk bezighoudt. En deze kennis wordt des te belangrijker indien wij de huidige status van de Amerikaanse en Britse volken willen begrijpen en hun relatie tot de ongekende toestand in de wereld op dit profetische uur! Laten wij, terwijl wij dit fascinerende verhaal benaderen, eraan blijven denken dat de Bijbel handelt zowel over het materiŽle, het fysieke, het letterlijke, raciale en nationale, als over het geestelijke. Laten wij nationale dingen niet vergeestelijken en evenmin geestelijke dingen nationaliseren. Laten wij Gods heilige Woord begrijpen zoals het is!

Volk begon met ťťn man

Vůůr de dagen van Mozes bestond er op aarde geen natie als de speciale natie van God. Vůůr Mozes was er geen geschreven Woord van God. Sta hier eens bij stil! Gedurende meer dan vijfentwintighonderd jaar – tweeŽneenhalf millennium – bestond de mensheid zonder enige op schrift gestelde openbaring van God! Het enige historische verslag van Gods bemoeienis met de mensheid vůůr IsraŽl is de in de Bijbel geopenbaarde geschiedenis. En – wat zelfs nog meer verbazing wekt – slechts de eerste elf van de vijftig hoofdstukken van Genesis zijn gewijd aan de geschiedenis van de wereld voorafgaande aan Abraham, de vader der IsraŽlieten!
Verrassend? Slechts de eerste elf hoofdstukken van het allereerste boek van de Bijbel zijn gebruikt om voor ons de geschiedenis vast te leggen van de eerste circa 2000 jaar.
God begon deze wereld met slechts ťťn enkele mens: Adam. Alles wat God door middel van menselijke instrumenten doet, moet zo klein mogelijk beginnen en zoals het mosterdzaad, zeer sterk uitgroeien. Met deze eerste mens communiceerde God rechtstreeks en persoonlijk. God openbaarde hem alle essentiŽle kennis die op geen enkele andere wijze voor het menselijk verstand toegankelijk is. De grondbeginselen van alle kennis: wat is de mens? Waarom is hij hier? Wat is het doel van het leven? Wat is de levenswijze die vrede, gezondheid, welvaart, geluk en vreugde voortbrengt? Wat is het einde van de mens? Dit fundament van alle kennis heeft God aan de eerste mens geopenbaard.
God openbaarde zichzelf aan Adam als de Eeuwige Schepper-Heerser van de aarde en het hele universum. God openbaarde Adam dat hij, anders dan de dieren, in de vorm en gestalte van God was gemaakt en een denkvermogen bezat zoals geen enkel ander fysiek schepsel; met het potentieel om, door vrije keuze, hetzelfde karakter als God te ontwikkelen en eeuwig leven in het Koninkrijk van God te beŽrven. God openbaarde aan Adam de levenswijze die alles wat de mens begeert tot gevolg heeft: vrede, een prettig leven, geluk, overvloedig welzijn.
Teneinde deze zegeningen voort te brengen, als oorzaak van dit verlangde gevolg, had God Zijn onverbiddelijke geestelijke wet in werking gesteld. Adam luisterde echter naar Satan en steunde op zijn eigen menselijke inzicht. Hij was God ongehoorzaam, verwierp de weg naar elk gewenst gevolg en betrad de menselijke weg van hebzucht en ijdelheid.

De mensheid veracht Gods weg

Terwijl de mensen zich begonnen te vermenigvuldigen, namen Adams kinderen zijn door Satan geÔnspireerde gedrag van de menselijke natuur over. Vůůr Abraham worden slechts drie mensen genoemd die Gods levenswijze aanvaardden, slechts drie mensen gedurende een derde van de hele geschiedenis van de mensheid. Abel werd rechtvaardig genoemd; Henoch wandelde met God; en Noach was een prediker van gerechtigheid, dat niets anders is dan gehoorzaamheid aan Gods regering.
Psalmen 119:172  Mijn tong zal uw woord bezingen, want al uw geboden zijn gerechtigheid.
Afgezien van deze drie en mogelijk nog Sem, is er geen getuigenis dat er vůůr Abraham iemand zich aan de heerschappij van God overgaf.
In de tijd van Abraham had de mens veel kennis van de ware Schepper-Heerser, van de openbaring van zijn doel en van Gods weg naar vrede, geluk en eeuwig leven verloren. De mens joeg eigen wegen en plannen na, in strijd met de geestelijke wetten van God. Zonde en geweld vervulden de aarde.

God begon Zijn volk met ťťn man

In een dergelijke wereld, die ver was afgedwaald van God en de kennis van de glorierijke weldaden van Gods heerschappij en van de aanbidding van de ware God, was ťťn persoon eerlijk en oprecht, onderdanig en open voor onderwijs, sterk en doelbewust. Daarom gaf God hem een gebod om zijn gehoorzaamheid te testen. God gebood deze persoon, Abram:
Genesis 12:1  De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2  Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn.
Dit was een gebod, bestaande uit een voorwaarde en een belofte, aangenomen dat aan de voorwaarde van gehoorzaamheid werd voldaan.
En zoals God de hele wereld met ťťn man was begonnen, zo begon Hij nu Zijn eigen uitverkoren natie in de wereld met ťťn enkele man: Abraham. Zoals de wereld, die ver van God en de zegeningen van Gods heerschappij was afgedwaald, was begonnen met ťťn man die tegen God rebelleerde en Zijn gezag verwierp, zo begon God Zijn eigen fysieke natie, waaruit het Koninkrijk van God moet worden geboren, met ťťn man die God zonder vragen gehoorzaamde en Zijn goddelijke heerschappij aanvaardde.
Begon Abram te argumenteren en te redeneren? Zei hij:
"Laten wij hier eerst eens even over praten; hier ben ik in Babylon, in het hart van de zakenwereld, van de maatschappij en het amusement. Waarom kunt U mij niet net zo goed hier die belofte geven, waar alles plezierig en aanlokkelijk is? Waarom moet ik dit alles achter laten en naar dat ongeciviliseerde land gaan?"
Begon Abram uitvluchten te zoeken? Verzette hij zich en begon hij te argumenteren en in opstand te komen?
Zeer beslist niet!
De geÔnspireerde bijbeltekst zegt eenvoudig: "Toen ging Abram." Geen geargumenteer met God. Geen menselijk geredeneer dat God het allemaal verkeerd zag. Geen dwaze vragen als: "Waarom moet ik hier weg; kan ik niet doen wat ik wil?" Hij zei niet: "Goed, maar hier is mijn mening."
"Toen ging Abram." Eenvoudige, vanzelfsprekende gehoorzaamheid!
En God vestigde deze man, wiens naam Hij later in Abraham veranderde, als de stamvader van Zijn volk IsraŽl! Alle beloften van God werden aan Abraham en zijn afstammelingen gedaan. En wij moeten als Abraham worden en door Christus een van zijn kinderen, als wij de beloften van eeuwig leven in Gods Koninkrijk willen beŽrven. Over Zijn uitverkoren fysieke natie IsraŽl zei de Eeuwige:
Jesaja 43:21  Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen.
Deze profetie moet nog – en zal nu spoedig – worden vervuld!

Tweeledige beloften aan Abraham

Weinig mensen weten het, maar door Gods hele plan om Zijn doel hier op aarde te realiseren loopt een tweeledigheid.
Er was de eerste Adam, fysiek en vleselijk en er is Christus, de tweede Adam, geestelijk en goddelijk. Er was het Oude Verbond, een louter materieel en tijdelijk verbond en er is het Nieuwe Verbond, dat geestelijk en eeuwig is. God schiep de mens als een sterfelijk, fysiek wezen, dat uit het stof van de grond komt en deel heeft aan het rijk der mensen; maar door middel van Christus kan hij uit God worden verwekt teneinde onsterfelijk, geestelijk te worden en deel te hebben aan het Koninkrijk van God.
Op dezelfde wijze waren de beloften die God aan Abraham deed tweeledig: enerzijds louter materieel en nationaal, anderzijds geestelijk en individueel. De geestelijke belofte van de Messias en van behoud door Hem, is zelfs bij de meest oppervlakkige bijbelkenners welbekend. Zij weten dat God aan Abraham de geestelijke belofte deed dat Christus als afstammeling van Abraham zou worden geboren en dat door Christus behoud tot ons komt. Maar – en dit zal wel ongeloofwaardig klinken, al is het waar – bijna niemand weet wat dit behoud is; wat de beloften van behoud zijn die wij door middel van Christus kunnen ontvangen; hoe wij die kunnen ontvangen en wanneer, hoe ongelooflijk dit ook klinkt! Deze waarheid hoort echter in een andere publicatie thuis.
Wat voor het thema van deze publicatie essentieel is, is het feit dat God aan Abraham ook nog een heel andere, een wonderbaarlijke nationale en materiŽle belofte deed, een belofte die vrijwel totaal over het hoofd is gezien.
Let nu nog eens op de wijze waarop God in eerste instantie Abraham riep en op de tweeledige aard van Zijn beloften:
Genesis 12:1  De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2  Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3  Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
Let dus op de tweeledigheid van de belofte: 1) "Ik zal u tot een groot volk maken" – de nationale, materiŽle belofte dat zijn uit het vlees geboren kinderen een groot volk zouden worden: een belofte van nageslacht; 2)"... en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden": de geestelijke belofte van genade. Deze laatste belofte wordt herhaald in Genesis 22:18:
Genesis 22:18  En met uw nageslacht [in uw zaad; Statenvertaling] zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt.
Het hier genoemde "nageslacht" verwijst naar Christus, zoals Galaten 3:8 en 16 duidelijk bevestigen.
Precies hier nu begaan velen die beweren 'christen' te zijn – met hun leraars – een dwaling. Zij merken de tweeledigheid van de belofte die God aan Abraham deed niet op. Zij erkennen alleen de Messiaanse belofte van geestelijk behoud door middel van het "ene zaad", Christus. Zij zingen gezangen over de beloften, ten onrechte in de mening verkerend dat de beloften eruit bestaan dat wij bij de dood naar de hemel gaan.
Dit is een kernpunt. Dit is het punt waar belijdende 'christenen' en hun leraars uit het spoor van de waarheid raken, het spoor dat hen naar de ontbrekende sleutel tot de profetieŽn zou leiden. Hun ontgaat het feit dat God aan Abraham beloften deed van zowel fysiek nageslacht als van geestelijke genade.
Het feit dat de belofte van "een groot volk" alleen naar het nageslacht verwijst, niet naar het nageslacht van het "ene zaad" van Galaten 3:16, dat Jezus Christus was, de Zoon van Abraham en de Zoon van God, maar naar het veelvoudige zaad van natuurlijke, fysieke geboorte, wordt verder bevestigd als God later Zijn belofte met meer details herhaalt. Laten wij deze beloften begrijpen!
Genesis 17:1  Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk; 2  Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken. 3  Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem: 4  Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; 5  en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb.
Merk op dat de belofte nu wordt gedaan op voorwaarde dat Abraham gehoorzaam is en een onberispelijk leven leidt. Merk ook op dat het "grote volk" nu wordt tot vele volken, meer dan ťťn volk. Dit kan geen betrekking hebben op het "ene zaad", Christus. De volgende verzen bewijzen dit.
Vers 6   Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen [meer dan ťťn] zullen uit u voortkomen.
Let erop dat deze volken en koningen uit Abraham zullen voortkomen: fysieke voortplanting, veelvoudig zaad, niet slechts ťťn afstammeling (Christus) door wie verspreide individuen door geestelijke verwekking kinderen van Abraham kunnen worden (Galaten 3:29). De verspreid wonende, individuele christenen vormen geen volken. Weliswaar wordt er van de Gemeente gezegd dat zij "een koninklijk priesterschap, een heilige natie" is (1 Petrus 2:9), maar Christus' Gemeente is niet verdeeld in "een menigte volken" of naties. Dit gaat over fysiek nageslacht, niet over genade.
Genesis 17:7  Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten
Het "nageslacht" is meervoudig: "in hun geslachten".
Vers 8   Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanašn [Palestina], tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn.
Let er goed op dat het land – materieel bezit – wordt beloofd aan het meervoudige zaad of nageslacht en dat Hij "hun", niet "Hem", tot een God zal zijn. Het meervoudige 'hun' wordt opnieuw in vers 9 gebruikt:
Vers 9   Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten.
Maar laten wij nu deze belofte eens nauwkeurig onderzoeken!
De toekomst van grote volken steunt op de beloften die de eeuwige Schepper aan Abraham heeft gedaan. De enige hoop op een leven na de dood is voor iedereen, ongeacht ras, huidskleur of geloof, van het geestelijke stadium van deze beloften aan Abraham afhankelijk, de belofte van genade door middel van het "ene zaad": Christus, de Messias!

Hoeveel land – hoe groot de volken?

Dit zijn geen terloopse, toevallige, onbelangrijke beloften. Ze zijn fundamenteel: het fundament voor de grondvesting van de grootste wereldmachten; het fundament voor ieders persoonlijke, geestelijke behoud, voor ieders hoop op eeuwig leven. Dit zijn overweldigende beloften. De toekomst van de mensheid is er, door de Schepper-God, op gebaseerd.
Jezus Christus kwam om de beloften, Abraham, Isašk en Jakob te bevestigen.
Romeinen 15:8  Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen [Abraham, Isašk en Jakob] gedaan, te bevestigen.
Een fysiek ingestelde cynicus, wiens denken vijandig is jegens God en Zijn beloften, doelstellingen en wegen, schuift deze enorme beloften terzijde met de lichtzinnige redenering: "O ja, maar wat voor 'volken'? Type eenentwintigste eeuw? Volken van 100 miljoen of meer mensen? Laat me niet lachen! Die mensen die de Bijbel schreven, wisten niets van volken die volgens onze eenentwintigste eeuwse maatstaven 'groot' zijn! Zij hadden het alleen over kleine volken die niet meer mensen telden dan een kleine stad van tegenwoordig! En trouwens, hoeveel land was er in deze beloften begrepen? Heeft God een erfenis in het land Kanašn beloofd, zoals in vers 8 van Genesis 17 staat? Toen Hij dit land opnieuw beloofde aan Jakob, was al het land dat eronder was begrepen 'het land, waarop gij ligt' in Genesis 28:13. Hoeveel land was dat? Niet meer dan een smal strookje van een meter breed en twee meter lang!"
Zo redeneert een cynische opponent in feite!
Wij zullen de spottende cynicus antwoord geven! Wij zullen nauwgezet controleren en precies zien wat er werd beloofd aangaande het nageslacht – de fysieke, materiŽle, nationale beloften.
Hoeveel land werd er beloofd?

Een cynicus aan het woord

Maar laten wij eerst de weerlegging van de kritiserende cynicus verder beluisteren. "Die belofte", vervolgt deze opponent, "van 'een menigte volken' werd in het Hebreeuws geschreven en het Hebreeuwse woord voor 'volk' is gooj of verkort goj en voor meer dan ťťn, meervoud, is het gojim. Het betekent niets anders dan enige 'mensen' – het kan ook slaan op niet meer dan een handvol kinderen en kleinkinderen van Abraham."
Als we dit Hebreeuwse gooi of goj onderzoeken, zullen we ontdekken dat het 'volk' of 'natie' betekent, ongeacht de grootte van de bevolking. Dit is het woord dat het meest wordt gebruikt – in het Oude Testament zelfs honderden keren – voor de diverse naties van de wereld, met inbegrip van de allergrootste. In de profetie van JoŽl 3 vers 2 zegt God dat Hij "alle volken" zal verzamelen. Dit gaat over een nog toekomstige tijd, in deze eenentwintigste eeuw – en het Hebreeuwse gojim wordt hier gebruikt. En dit woord gojim omvat hier naties als Rusland, Duitsland, ItaliŽ, China, India – aardig grote naties.
God beloofde dat Abrahams letterlijke, menselijke, vlees-en-bloed afstammelingen "een groot volk" zouden vormen (Genesis 12:2), dat Hij "u uitermate talrijk" zou maken (Genesis 17:2), dat Abraham "de vader van een menigte volken" zou worden (vers 4); en dat God "u uitermate vruchtbaar [zou] maken en u tot volken stellen" (vers 6). Naarmate wij vorderen met andere beloften en profetieŽn, zullen wij zien dat dit volgens de bijbelse taal grote en machtige naties zijn.
En hoeveel land? In Genesis 17:8 beloofde God "het ganse land Kanašn", maar op andere plaatsen beloofde Hij veel meer.
Genesis 15:18  Te dien dage sloot de Here een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte [de Nijl] tot de grote rivier, de rivier de Eufraat.
De Eufraat stroomt op een aanzienlijke afstand in het oosten in het oude land Babylon, tegenwoordig Irak, ver ten oosten van Palestina.
Maar de argumenten van de cynicus worden helemaal weerlegd en tegengesproken door precies het vers dat volgt op dat wat hij aanhaalde, toen hij zei dat alles wat er was beloofd een strookje grond van hoogstens 1 x 2 meter was. Hij had ook dit volgende vers moeten lezen:
Genesis 28:14  En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
Hier wordt de grootte van de "menigte volken" vergeleken met het aantal korreltjes stof van de aarde. Elders vergelijkt God de bevolking van deze beloofde naties met de korrels zand op een strand en met de sterren – ontelbaar wegens het grote aantal.
Naarmate wij verder komen zal de grootte en de werkelijkheid van deze beloften zeer duidelijk worden.

Niet in de Joden vervuld

Let nogmaals goed op het volgende: de Joden hebben nooit meer dan ťťn natie gevormd. Zij vormen niet en hebben nooit gevormd, een menigte naties. Dit is dus een opzienbarende profetie, een plechtige belofte van de Almachtige God, die niet kan zijn vervuld in Christus, in christenen, of in de Joden. Wij moeten daarom zoeken naar een aantal volken los van zowel de Gemeente van Christus als de Joden. Hoe merkwaardig het ook is, zo moet het wel zijn, of wij moeten Gods beloften loochenen!
God stelde Abraham op de proef en Abraham gehoorzaamde, door geloof – tot zelfs, als het moest, de bereidheid zijn enige zoon op te offeren. Daarna was het verbond niet langer voorwaardelijk. Het werd toen onvoorwaardelijk.
Genesis 22:16  Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des Heren: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, 17  zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen [tot zover de materiŽle, nationale beloften van nageslacht] 18  En met uw nageslacht [Christus] zullen alle volken der aarde gezegend worden [dit is de geestelijke belofte van genade], omdat gij naar mijn stem gehoord hebt.
De belofte is nu onvoorwaardelijk. God heeft gezworen dit te doen. God belooft dit niet indien Abraham of zijn kinderen bepaalde dingen doen. Hij belooft dit aan Abraham, omdat deze reeds zijn aandeel in de overeenkomst heeft geleverd. Als deze beloften gebroken of ingetrokken kunnen worden, is geen enkele belofte in de Bijbel betrouwbaar!
De beloften kunnen evenwel niet worden gebroken of ingetrokken. Niet als het waar is dat:
Markus 13:31  De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
God moet nu zonder mankeren Zijn aandeel leveren.
Nog een aanvullend detail aan de belofte is dat de volken die Abrahams fysieke afstammelingen zijn, de poorten van hun vijanden zullen bezitten. Een poort is een nauwe passage als ingang of uitgang. Op nationaal niveau gezien is een poort zoiets als het Panamakanaal, het Suezkanaal, de Straat van Gibraltar. Deze belofte wordt herhaald aan Abrahams schoondochter in Genesis 24:60: … Moogt gij tot duizenden van tienduizenden worden, en uw nageslacht bezitte de poort van zijn haters.
Abrahams nakomelingen zouden dus in het bezit zijn van belangrijke geografische doorgangen van hun vijanden – van hun "haters". Dit is nooit in de Joden vervuld; evenmin kan het worden vervuld nadat Jezus Christus is teruggekeerd om over de naties te regeren en wereldvrede te stichten. Deze belofte kan alleen in deze tegenwoordige wereld zijn vervuld, of wij moeten loochenen dat de Bijbel Gods geopenbaarde Woord is. Wij moeten naar een volk zoeken dat meer dan ťťn natie vormt – desalniettemin ťťn volk, de kinderen van Abraham – ofwel nu ofwel in het verleden, een volk dat de zeestraten van de wereld bezit, of wij moeten het Woord van God loochenen. Dit is een test van de inspiratie van de Bijbel en van Gods macht om deze wereld te besturen!

Een volk en een menigte van volken

Deze overweldigende beloften werden opnieuw aan Isašk en aan Jakob gedaan. IsmaŽl en de andere zonen van Abraham werden van dit geboorterecht uitgesloten. Ezau, Isašks zoon en Jakobs tweelingbroer, verkocht het en werd afgewezen. De belofte, zoals deze aan Isašk werd bevestigd, staat opgetekend in Genesis 26:3-5:
Genesis 26:3  vertoef in dit land als een vreemdeling, dan zal Ik met u zijn en u zegenen, want u en uw nageslacht zal Ik al die landen geven, en Ik zal de eed gestand doen, die Ik uw vader Abraham gezworen heb. 4  En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al die landen geven, en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, 5   omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten.
Let wel! God beloofde tweemaal "al die landen". Dat is miljoenen malen groter dan het lapje grond van 1 x 2 m van onze 'intellectuele' cynicus. Bovendien zouden de afstammelingen van Isašk zich "Vermenigvuldigen als de sterren des hemels". Dat is duizenden malen groter dan een klein "stadje".
Aan Jakob wordt dit in Genesis 27:26-29 herhaald en daar wordt een materiŽle zegen van rijkdom van dingen uit de grond toegevoegd, met de profetie dat heidense naties door de eerstgeboorterechtnaties van IsraŽl zullen worden geregeerd:
Genesis 27:28  God zal u geven van de dauw des hemels en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. 29   Volken zullen u dienen, en natiŽn zich voor u nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegend.
En wij treffen deze beloften nogmaals aan in Genesis 28:13-14, waar het detail wordt toegevoegd dat deze volken van IsraŽl zich later over de wereld zouden verspreiden:
Genesis 28:13  En zie, de Here stond bovenaan en zeide: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God van Isašk; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. 14  En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
Het oorspronkelijke Hebreeuws voor "uitbreiden" betekent 'uitbreken'. Deze belofte stelt geen limiet aan hoe ver naar het westen, oosten, noorden en zuiden Jakobs afstammelingen zich zouden uitbreiden. Dit is daarom een indicatie dat zij zich over de hele aarde zouden verspreiden. In Romeinen 4:13 wordt dat bevestigd:
Romeinen 4:13  Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.
Dit is echter geen belofte dat Abrahams nageslacht de aarde in haar geheel, met niets voor de heidenen, zou beŽrven, bezitten en in eigendom hebben – dat wil zeggen, voorafgaande aan de nieuwe aarde – maar dat zij zich, in de jaren en eeuwen die zouden volgen, zouden verspreiden en gebieden in verschillende delen van de aarde zouden bewonen. De nieuwe aarde evenwel – na het Millennium – zal alleen worden bewoond door hen die door Christus kinderen van Abraham zullen zijn (Romeinen 4:11, 12).
Een gedeelte van deze profetie wordt door 'christenen' volkomen over het hoofd gezien, niet begrepen. Deze IsraŽlitische eerstgeboorterechtnaties hebben zich inderdaad verspreid en zijn inderdaad in verschillende landen of gebieden van de aarde gaan wonen. Dit gebeurde nadat zij in 721 tot 718 v.Chr. uit hun eigen beloofde land Samaria in ballingschap waren verdreven. Het volgende vers in Genesis 28 maakt dit gedeelte van de profetie compleet:
Genesis 28:15  En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat [God doelt hier niet op Jakob persoonlijk, maar op zijn nakomelingen die zich in alle richtingen zouden uitbreiden], en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd.
Deze algemeen onopgemerkte, maar veelbetekenende profetie zal bij de wederkomst van Christus worden vervuld. Dit wordt verder uiteengezet in Jeremia 23:7-8 en 50:4-6, 19-20 en in andere profetieŽn.
Jeremia 23:7  Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de Here leeft, die de IsraŽlieten uit het land Egypte heeft doen optrekken, maar veeleer: 8  Zo waar de Here leeft, die het nageslacht van het huis IsraŽls heeft doen optrekken en die het heeft doen komen uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; en zij zullen op hun eigen grond wonen.
Jeremia 50:4  In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zullen de IsraŽlieten komen, zij en de JudeeŽrs tezamen; al wenend zullen zij voortgaan en de Here, hun God, zoeken; 5  naar Sion zullen zij vragen, op de weg hierheen zal hun aangezicht gericht zijn; zij komen en zoeken gemeenschap met de Here in een eeuwig verbond, dat niet zal vergeten worden. 6  Een kudde verloren schapen was mijn volk, hun herders misleidden hen, naar de bergen voerden zij hen; van berg tot heuvel gingen zij, zij vergaten hun leger. Vers 19  en Ik breng IsraŽl terug naar zijn weide, opdat het Karmel en Basan afweide en op het gebergte van EfraÔm en in Gilead zich verzadige. 20  In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal de ongerechtigheid van IsraŽl gezocht worden, maar zij is er niet, en de zonden van Juda, maar zij zijn niet te vinden; want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven.

Nogmaals aan Jakob beloofd

Nog later verscheen God aan Jakob, wiens naam in IsraŽl werd veranderd, om de samenstelling van deze "volken" verder te definiŽren:
Genesis 35:10  en God zeide tot hem: Gij heet Jakob; gij zult niet meer Jakob heten, maar IsraŽl zal uw naam zijn. En Hij noemde hem IsraŽl. 11  En God zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen.
Andere bijbelvertalingen spreken over "een volk [en] een hoop der volken" of "een natie en een groep naties". Uit IsraŽl zou dus een volk ontstaan, als ťťn grote, rijke, machtige natie en eveneens een menigte volken: een groep of gemenebest van naties.
Let nauwkeurig op dit gewichtige feit: dit is fundamenteel, indien u de belangrijkste sleutel tot alle profetieŽn wilt begrijpen – de sleutel ook tot de werkelijke betekenis van de onvergelijkelijke wereldgebeurtenissen van deze tegenwoordige tijd. Deze belofte is nooit in de Joden in vervulling gegaan. Ze kan niet worden 'vergeestelijkt' door haar te interpreteren als zou de belofte slechts door Christus kunnen worden beŽrfd. Ze kan niet op de Gemeente van God betrekking hebben, want er wordt in de Bijbel slechts ťťn ware Gemeente erkend en deze Gemeente van Christus is geen volk, of een menigte volken, maar ťťn Gemeente bestaande uit individueel geroepen mensen die door alle naties zijn verspreid. Toch moet deze wonderbaarlijke profetie zijn vervuld, tenzij wij Gods heilige Woord loochenen!
Het lot van de Bijbel als het geopenbaarde Woord van God, het bewijs van het bestaan van God, hangt af van het antwoord op deze gewichtige vraag. Het Joodse volk vervulde deze belofte niet. De beloften betreffen niet de Gemeente van God. De wereld met haar godsdienstleiders weet niets omtrent enige vervulling. Faalde God? Of heeft Hij deze kolossale belofte onopgemerkt door de wereld waargemaakt? Het ware antwoord is de meest opzienbarende openbaring van bijbelse waarheid, van profetie en van niet-erkende geschiedenis!

 

Hoofdstuk IV 

DE SCHEIDING VAN GEBOORTERECHT EN SCEPTER

Wij komen nu toe aan een uiterst belangrijk onderscheid, bijbelse waarheid die slechts bij weinigen bekend is. Inderdaad hebben slechts weinig mensen ooit opgemerkt dat de beloften aan Abraham tweeledig zijn. De Bijbel zelf maakt echter een scherp onderscheid tussen deze twee stadia van de beloften.
De geestelijke beloften, de beloften van het "ene zaad", Christus en van behoud door Hem, noemt de Bijbel de scepter. De materiŽle en nationale beloften met betrekking tot de vele naties, de nationale rijkdom, welvaart en macht en het bezit van het Heilige Land, noemt de Bijbel het eerstgeboorterecht.

Nageslacht, niet genade

Laten wij ons een goed begrip van deze termen vormen:
"Geboorterecht: recht of privilege door geboorte" – Standard Dictionary; "elk recht krachtens geboorte verworven" – Webster's. Een geboorterecht is iets waarop iemand krachtens zijn geboorte recht heeft. Het heeft niets te maken met genade, wat een niet-verdiende vergeving is, een gift waarop iemand geen recht heeft. Geboorterecht staat in verband met nageslacht, niet met genade. Eerstgeboorterechtbezittingen gaan gewoonlijk over van vader op oudste zoon.
"Scepter: koninklijk ambt; vorstelijke macht; kenteken van heerschappij en soevereiniteit" – Standard Dictionary. De beloofde koninklijke lijn culmineert in Christus en behelst genade voor allen.
Wij hebben gezien hoe beide soorten beloften, het recht door geboorte en de gift van genade, door God onvoorwaardelijk aan Abraham werden gedaan. Zowel het eerstgeboorterecht als de scepter werden door de Eeuwige opnieuw beloofd aan Isašk en Jakob. Maar vanaf dat punt werden deze twee soorten beloften gescheiden! De scepterbeloften van de koninklijke lijn die in Christus culmineert en van genade door Hem, werden doorgegeven aan Juda, de zoon van Jakob en de stamvader van alle Joden. De verrassende waarheid is evenwel dat de beloften van het eerstgeboorterecht nooit aan de Joden werden gegeven!
Laten wij dit herhalen! Sta hier bewust bij stil! De beloften van het eerstgeboorterecht werden nooit aan de Joden gegeven!
Sla de betreffende passages op, lees ze in uw eigen bijbel!
Genesis 49:10  De scepter zal van Juda niet wijken …
1 Kronieken 5:2  wel was Juda de sterkste onder zijn broeders en een uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht viel ten deel aan Jozef.

Er bestaat natuurlijk geen misverstand over dat de scepter naar Juda ging en via de Joden werd doorgegeven. Koning David was van de stam Juda. Alle opeenvolgende koningen van Davids dynastie waren van het Huis van David, behorend tot de stam Juda. Jezus Christus werd geboren uit het Huis van David en uit de stam Juda.
Nog een onthullende waarheid die bij de meeste mensen van vandaag volkomen onbekend is, is het feit dat slechts een deel van "de kinderen IsraŽls" Joden zijn.
Lees dit weinig begrepen feit nog eens!
De volledige verklaring en het bewijs hiervan moeten voor hoofdstuk VI worden bewaard. Alleen degenen die behoren tot de drie stammen Juda, Benjamin en Levi zijn Joden. Hoewel alle Joden IsraŽlieten zijn, zijn de meeste IsraŽlieten geen Joden!
Tracht dit dus goed te begrijpen: de eerstgeboorterechtbelofte werd niet aan de Joden doorgegeven! Maar de scepter – de belofte van Christus en van genade – werd aan de Joden doorgegeven! "Het heil", zei Jezus, "is uit de Joden"! (Johannes 4:22.) Het Evangelie van Christus, schreef Paulus, "is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek" (Romeinen 1:16). De beloften van genade werden via Juda doorgegeven!
De beloften echter die de Bijbel het "eerstgeboorterecht" noemt zijn helemaal niet begrepen. Weinigen hebben ooit opgemerkt dat God aan Abraham nog andere beloften dan die van de scepter heeft gedaan. Weinigen weten wat er in de Bijbel staat!

Eerstgeboorterecht nooit aan de Joden gegeven

Nog minder mensen beseffen dat deze grote nationale materiŽle beloften nooit aan de Joden werden gedaan! Het wonderlijke en uiterst belangrijke feit dat door velen over het hoofd wordt gezien is: "het eerstgeboorterecht viel ten deel aan Jozef." En zoals wij later zullen zien waren Jozef noch zijn afstammelingen Joden! Hoe verbazingwekkend het ook is, het is waar!
Deze kennis over het eerstgeboorterecht is de spil waarom deze gehele waarheid draait. Dit zal de sleutel blijken te zijn tot het juiste begrip van alle profetieŽn! Het is van het grootste belang dat u dit helder in gedachten hebt!
'Geboorterecht' zoals hierboven gedefinieerd, omvat alleen dat wat iemand door recht krachtens zijn geboorte toekomt. Niemand kan krachtens zijn geboorte op eeuwig leven recht doen gelden. Indien het ons recht was, door geboorte geŽrfd, zouden wij het niet door genade ontvangen. Behoud komt door genade, het is Gods gift, door onverdiende vergeving, het is een onverdiende gunst. Alleen materiŽle bezittingen kunnen wij als een recht door geboorte ontvangen. En wanneer dit recht via verscheidene generaties aan steeds meer nakomelingen wordt doorgegeven, gaat het tenslotte over in een nationale erfenis. Het schenkt uitsluitend materiŽle bezittingen, macht en status. Het verleent geen geestelijke zegeningen. Het eerstgeboorterecht is een kwestie van nageslacht, niet van genade!
Er is nog een verschil tussen eerstgeboorterecht en genade dat wij moeten begrijpen. Zoals eerder gezegd gaat het eerstgeboorterecht gewoonlijk over van vader op oudste zoon. Er zijn geen voorwaarden waaraan de ontvanger moet voldoen. De zoon doet niets om zich ervoor te kwalificeren. Hij ontvangt het als zijn recht om geen andere reden dan dat hij het geluk heeft als eerste zoon van zijn vader te zijn geboren. Hij heeft er recht op zonder het te moeten verdienen of zich er waardig voor te betonen. Anderzijds kan hij zich wel diskwalificeren om het te behouden, of zelfs om het te ontvangen.
Maar aan de gift van onsterfelijkheid, die door genade wordt ontvangen, zijn wel voorwaarden verbonden! Het is niet uw recht, noch het mijne, de gift van eeuwig leven te ontvangen – daadwerkelijk als zoon van God te worden geboren – als een letterlijk lid van Gods gezin! Denkt u zich eens in wat voor toestand eruit zou voortvloeien als het wel een recht was! Een opstandige, uitdagende, vijandige, God-hatende misdadiger of atheÔst zou met zijn vuist naar God kunnen zwaaien en zeggen: "Luister, God! Ik haat u! Ik tart u! Ik weiger u te gehoorzamen! Maar ik eis uw gift van het eeuwige leven! Het is mijn recht! Ik wil in uw goddelijke gezin geboren worden, om de enorme macht van een zoon van God te krijgen, zodat ik die tegen u kan gebruiken! Ik wil van uw gezin een huis maken dat tegen zichzelf verdeeld is. Ik wil onder al uw kinderen wrijving, vijandschap, haat en verdriet veroorzaken! Ik eis die macht, als uw gift, als mijn recht, zodat ik die macht kan misbruiken, gebruiken voor kwade doeleinden!"

Genade aan voorwaarden gebonden

De meeste belijdende 'christenen' evenals vele leerstellingen van 'het traditionele christendom', zeggen dat er geen voorwaarden zijn verbonden aan het ontvangen van Gods glorierijke genade, dat wij er niets voor hoeven doen. Zij ontkennen dat God gehoorzaamheid aan Zijn wet eist! Zij verdraaien de waarheid door te zeggen dat iemand in dat geval zijn behoud zou verdienen. Zij eisen het van God, terwijl zij tegen Zijn wet blijven rebelleren en weigeren deze te houden!
Denk er eens aan waartoe dit zou leiden! Laten wij dit goed begrijpen! Het eeuwige leven is, inderdaad, een gave van God. U kunt het niet verdienen! Maar het is evenmin uw recht! U kunt het niet van God als uw recht opeisen, terwijl u ondertussen God tart, tegen Zijn regering in opstand komt, weigert Hem op Zijn wijze uw leven te laten besturen!
Daarom stelt God een aantal voorwaarden! Door aan deze voorwaarden te voldoen verdient u niets! Maar God geeft Zijn heilige Geest aan hen die Hem gehoorzaam zijn. Hij betaalt niets uit, maar er wordt gezegd met betrekking tot de heilige Geest dat God die "hun gegeven heeft, die Hem gehoorzaam zijn" (Handelingen 5:32). Het blijft een gift!
Het woord 'genade' betekent onverdiende vergeving! God vergeeft hen die zich bekeren! En 'zich bekeren' betekent zich afkeren van opstandigheid, vijandigheid, ongehoorzaamheid. 'Zich bekeren' betekent zich keren tot gehoorzaamheid aan Gods wet. Het feit dat God deze wonderbaarlijke gift – deze gift van onsterfelijkheid die goddelijke macht in zich draagt – niet wenst te geven aan hen die hem zouden misbruiken om er schade en kwaad mee aan te richten; het feit dat Hij verkiest hem alleen te geven aan hen die er een juist gebruik van zullen maken, betekent niet dat wij hem door werken in plaats van door genade ontvangen. Indien er geen voorwaarden aan waren verbonden, dan zou iedereen het eeuwige leven kunnen opeisen – en dan zou het als een recht door geboorte, in plaats van door genade worden ontvangen!
Juist het feit van genade maakt de door God vereiste kwalificaties noodzakelijk. Maar het blijft een onverdiende gift! Met gehoorzaamheid is niets te verdienen, dat is louter wat wij God verschuldigd zijn. Een geboorterecht vereist geen kwalificatie. Het is een recht door geboorte.

Wat het eerstgeboorterecht schenkt

Wat voor bijzondere materiŽle erfenis nu door het eerstgeboorterecht is doorgegeven, wordt door weinigen begrepen. Toch schenkt het de rijkste, de meest waardevolle materiŽle erfenis die ooit van vader op zoon overging – de meest kolossale rijkdom en macht die ooit door een mens of een wereldrijk zijn bijeengebracht! De grootte van dit eerstgeboorterecht is ontstellend!
Het omvat het gehele eerste stadium van Gods enorme beloften aan Abraham. Dit legaat garandeerde op het gezag van de Almachtige God, onvoorwaardelijk, een talrijke bevolking, ongehoorde welvaart en natuurlijke rijkdommen, nationale grootheid en wereldmacht!
God beloofde niet alleen dat een wereldbeheersende natie en een groep, of gemenebest, van naties, waarvan de bevolking van Abraham afstamde, even talrijk als de zandkorrels aan het strand of als de sterren aan de hemel zouden zijn; niet alleen beloofde Hij dat zij de poorten van de hun vijandige naties zouden bezitten, wat op zich al wereldmacht betekent; maar het eerstgeboorterecht omvatte tenslotte ook grote materiŽle welvaart en onbeperkte nationale hulpbronnen. Dit komt duidelijk tot uiting in de zegening die aan Jakob werd gegeven, zoals wij zullen zien.

Eerstgeboorterecht aan IsmaŽl geweigerd

Behalve in het geval van goddelijke interventie, wat driemaal gebeurde, viel de erfenis van het eerstgeboorterecht automatisch de oudste zoon van elke generatie ten deel.
Isašk werd door de Eeuwige gekozen om zowel de scepter als het eerstgeboorterecht te beŽrven. Abraham had nog andere zonen. IsmaŽl was de oudste. Maar God koos Isašk en Abraham "gaf alles wat hij had aan Isašk" (Genesis 25:5). Isašk was evenwel Abrahams eerste wettige zoon. IsmaŽl was de zoon van Hagar, de Egyptische slavin van Sara.
Abraham had IsmaŽl lief en wenste dat hij het eerstgeboorterecht zou krijgen.
Genesis 17:18  En Abraham zeide tot God: Och, mocht IsmaŽl voor uw aangezicht leven! 19  Maar God zeide: Neen, maar uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isašk noemen, en Ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht. 20  En wat IsmaŽl betreft, Ik heb u verhoord; zie, Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar doen zijn en uitermate talrijk maken; twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk stellen. 21   Maar mijn verbond zal Ik oprichten met Isašk, die Sara u op deze zelfde tijd in het volgend jaar baren zal.
Aangaande de toekomstige natie die uit IsmaŽl zou voortkomen:
Genesis 16:11  Voorts zeide de Engel des Heren tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem IsmaŽl noemen, want de Here heeft naar uw ellende gehoord. 12  Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen.
"Ten aanschouwen" in vers 12 kan ook betekenen: tegen het oosten. Hebreeuws: al paniejm. Zie de volgende schriftgedeelten.
Genesis 25:16  Dit zijn dan de zonen van IsmaŽl, en dit zijn hun namen, naar hun dorpen en hun tentenkampen, twaalf vorsten naar hun volksstammen. 17  En dit waren de jaren van IsmaŽls leven: honderd zevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en werd vergaderd tot zijn voorgeslacht. 18  En zij woonden van Chawila tot Sur, dat ten oosten [al paniejm] van Egypte ligt, in de richting van Assur. Zij hebben zich tegenover [al paniejm] al hun broeders gevestigd.
Er worden hier twee belangrijke aanwijzingen gegeven: 1) IsmaŽls afstammelingen zouden een groot volk worden, maar de volken van het eerstgeboorterecht zouden groter worden; en 2) zij zouden ten oosten van hun broeders wonen, dat wil zeggen, van Isašks afstammelingen die het eerstgeboorterecht hadden. De kinderen van IsmaŽl zijn de hedendaagse Arabieren. Het volk en de menigte van volken die in het bezit van het eerstgeboorterecht zijn, moeten daarom groter, rijker, machtiger zijn en moeten zich ten westen van de Arabische naties bevinden.
Abraham was het menselijke type van God de Vader en Isašk van Christus. Er zijn vele parallellen. De ruimte laat het niet toe die hier uiteen te zetten; wij willen er alleen op wijzen dat indien wij van Christus zijn, wij kinderen van Abraham zijn (Galaten 3:29), en Abraham is "de vader der gelovigen" (zie Galaten 3:7); dat van Abraham de bereidheid werd gevraagd zijn enige (wettige) zoon te offeren (Genesis 22:2), precies zoals God Zijn enigverwekte Zoon, Jezus Christus, gaf voor de zonden van de wereld; dat Isašks vrouw een type van Gods Gemeente is en dat zij hem moest gaan liefhebben en als haar echtgenoot aannemen voordat zij hem met eigen ogen had gezien; en dat Isašk door een belofte werd geboren, evenals Jezus op wonderbaarlijke wijze uit de maagd Maria werd geboren.
Isašk had twee zonen, de tweeling Ezau en Jakob. Ezau was de eerstgeborene en derhalve de wettige erfgenaam van het eerstgeboorterecht. Ezau onderschatte dit echter en verkocht het aan Jakob. 

Ezau verkoopt het geboorterecht

God had Jakob uitverkoren om deze beloften te bezitten nog voordat de tweeling geboren was. Onder invloed van zijn moeder nam Jakob, in plaats van op de Eeuwige te wachten, evenwel zijn toevlucht tot bedrog en nam het van Ezau af.
Aangaande Ezau en Jakob had God tot Rebekka gezegd dat zij het begin van twee naties waren:
Genesis 25:21  Nu bad Isašk de Here voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar; en de Here liet Zich door hem verbidden, en zijn vrouw Rebekka werd zwanger. 22  En de kinderen stieten in haar binnenste tegen elkander. Toen zeide zij: Indien het aldus gesteld is, waarom overkomt mij dat? Daarop ging zij om de Here te vragen. 23  En de Here zeide tot haar: Twee volken zijn in uw schoot, en twee natiŽn zullen zich scheiden uit uw lichaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar wezen.
Hun afstammelingen zouden dus twee verschillende typen volken worden. Het verhaal van Jakobs vroegtijdige en bedrieglijke verwerving van het eerstgeboorterecht gaat verder in Genesis 25:27-34.
Vers 27   Toen de jongens opgroeiden, werd Esau een man, ervaren in de jacht, een man van het veld, maar Jakob was een huiselijk man, die in tenten woonde. 28  En Isašk had Esau lief, want wildbraad was naar zijn smaak; maar Rebekka had Jakob lief. 29  Eens had Jakob een gerecht gekookt, en Esau kwam vermoeid van het veld. 30  Toen zeide Esau tot Jakob: Laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. Daarom gaf men hem de naam Edom.
'Edom' betekent letterlijk 'rood'. Ook dit zal een 'sleutel' tot bijbels begrip blijken te zijn; de lezer prente zich daarom nauwgezet het feit in dat Edom naar Ezau verwijst. In veel profetieŽn betreffende het heden en de toekomst komt de naam Edom voor. Ze kunnen niet worden begrepen tenzij men zich realiseert dat ze op de afstammelingen van Ezau, voor een deel het huidige Turkse volk, betrekking hebben.
Vers 31   Maar Jakob zeide: Verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorterecht. 32  En Esau zeide: Zie, ik ga toch sterven; waartoe dient mij dan het eerstgeboorterecht? 33  Daarop zeide Jakob: Zweer mij eerst. En hij zwoer hem. Zo verkocht hij aan Jakob zijn eerstgeboorterecht. 34  Toen gaf Jakob aan Esau brood en het linzengerecht; hij at en dronk, stond op en ging heen. Zo verachtte Esau het eerstgeboorterecht.
Later ontnam Jakob Ezau op listige wijze zijn zegen. Het verhaal van dit bedrog is te vinden in Genesis 27.

Jakobs bedrog

Het was in de tijd dat Isašk oud en door zijn leeftijd bijna blind was. Toen hij het einde van zijn leven voelde naderen, riep hij Ezau bij zich en verzocht hem het veld in te gaan voor wat wild, dit te bereiden en het hem te brengen. Daarna zou hij hem de zegen van het eerstgeboorterecht verlenen.
Maar Rebekka luisterde dit af en zond Jakob snel heen om twee geitenbokjes te halen. Deze bereidde zij zoals Isašk het graag had. Vervolgens nam zij enkele kledingstukken van Ezau die zij Jakob aandeed. Nu was Ezau sterk behaard, in tegenstelling tot Jakob; daarom bracht Rebekka zorgvuldig de huid van de twee geitjes aan op Jakobs handen, armen en op de gladde delen van zijn nek.
In deze vermomming ging Jakob, met zijn imitatiewildbraad, naar zijn bijna blinde vader om diens zegen te ontvangen.
Genesis 27:19  En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan zoals gij tot mij gesproken hebt. Richt u op, ga zitten en eet van mijn wildbraad, opdat gij mij moogt zegenen.
Isašk was verrast dat hij het wildbraad al zo snel had gevangen en werd wantrouwig. Jakob loog opnieuw en beweerde dat de Eeuwige hem het wildbraad had gebracht. Isašk merkte op dat de stem die van Jakob was.
Vers 21   Toen zeide Isašk tot Jakob: Kom toch dichterbij, opdat ik u betaste, mijn zoon, of gij inderdaad mijn zoon Esau zijt of niet. 22   Jakob dan kwam dichterbij tot zijn vader Isašk, en deze betastte hem. En hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Esaus handen. 23  Doch hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren evenals de handen van zijn broeder Esau. En hij wilde hem zegenen en zeide:

Wat het eerstgeboorterecht inhield

Let nu goed op wat deze zegen inhield!
Vers 26   Daarna zeide zijn vader Isašk tot hem: Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon. 27  En hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen hij de geur van zijn klederen rook, zegende hij hem en zeide: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de Here gezegend heeft. 28  God zal u geven van de dauw des hemels en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. 29   Volken zullen u dienen, en natiŽn zich voor u nederwerpen; wees heerser over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegend.
Let erop dat dit allemaal materiŽle beloften zijn, nationaal van aard! Niet een ervan heeft betrekking op behoud. Geen enkele heeft met leven na de dood te maken. Hier is niets geestelijks! Alle beloften hebben betrekking op dit huidige, fysieke leven! Nationale welvaart: regen, volop graan en wijn, de vette streken der aarde – nakomelingschap en bezit. "NatiŽn [zullen] zich voor u nederwerpen." "Volken zullen u dienen."
Toen Ezau terugkeerde en ontdekte hoe Jakob hem had bedrogen, was hij zeer verbitterd. Hij smeekte ook een zegen te ontvangen. Maar Isašk kon de zegen die hij aan Jakob had gegeven niet intrekken. Daarom gaf hij de volgende profetie aan Ezau door:
Vers 39   Toen antwoordde zijn vader Isašk en zeide tot hem: Zie, ver van de vette streken der aarde zal uw woonplaats zijn, en zonder dauw des hemels van boven. 40  Maar van uw zwaard zult gij leven en uw broeder zult gij dienen. En het zal geschieden, wanneer gij u krachtig inspant, dat gij zijn juk van uw hals zult afrukken. 41  En Esau koesterde wrok tegen Jakob om de zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had, en Esau zeide bij zichzelf: De dagen van de rouw over mijn vader zijn aanstaande; dan zal ik mijn broeder Jakob doden.
Eigenlijk was het geprofeteerde lot van Ezau meer een vloek dan een zegen. Het is ook wat Ezau's afstammelingen ten deel is gevallen.

Profetie voor Turkije

Uit de schaarse vermeldingen in de geschiedenis, samen met ander bewijsmateriaal, blijkt dat een aantal van de afstammelingen van Ezau bekend werd als Turken. Wij moeten dus in gedachten houden dat profetieŽn aangaande de laatste dagen die naar Edom of Ezau verwijzen, in het algemeen op het Turkse volk betrekking hebben.
In zijn profetie voorspelde Isašk een tijd dat Ezau's afstammelingen aan de macht zouden zijn en het juk van de IsraŽlieten van zich zouden afschudden. Dit is gebeurd. De IsraŽlieten werden, wegens de zonde, uit het beloofde land, dat van het eerstgeboorterecht deel uitmaakte, verdreven. De Turken kwamen aan de macht en hebben Palestina 400 jaar lang bezet, tot Groot-BrittanniŽ het in 1917 in bezit nam.

De les voor ons

Maar laten wij naar ons verhaal terugkeren. Voordat Jakob werd geboren had God tot zijn moeder gesproken en haar geopenbaard dat Jakob het eerstgeboorterecht zou ontvangen. Maar in plaats van op de Eeuwige te wachten om dit op Zijn eigen wijze te bewerkstelligen, intrigeerde zij met Jakob om het door leugen en bedrog in bezit te nemen.
Hierin schuilt ook voor ons een les. Evenals Isašk, in zeker opzicht, een type van Christus is, zo is Rebekka, in zeker opzicht, een type van Gods Gemeente, waarin nog steeds zwakheid en vleselijkheid huist.
Soms hebben wij teveel haast. Wij vragen de Almachtige om dingen die Hij in Zijn Woord heeft beloofd. Vervolgens trachten wij Hem voor te schrijven op welke wijze en wanneer het dient te gebeuren! Wij moeten leren "wachten op de Here". Hij doet de dingen altijd op Zijn wijze en op Zijn eigen tijd. En Hij zegt ons heel duidelijk dat Zijn wegen niet onze wegen zijn! Als wij eenmaal iets aan de Almachtige hebben toevertrouwd, laten wij dan niet alleen het vertrouwen hebben, maar ook uit ontzag voor Hem, de zaak volkomen aan Hem overlaten.
Had Jakob vertrouwen in de Eeuwige gehad, in plaats van de zaken op een verkeerde wijze in eigen hand te nemen, dan zou het eerstgeboorterecht hem op een meer eervolle manier ten deel zijn gevallen. Onder de gegeven omstandigheden had Jakob, wiens naam 'verdringer', 'bedrieger' betekent, veel meer moeite om zich van Gods zegen op het kostbare bezit te verzekeren, dan zijn voorgangers.
Maar na jaren van verzoekingen en beproevingen, nadat hij tenslotte een hele nacht met de engel had geworsteld (Genesis 32:24-29) – nadat hij zijn naam van 'verdringer' of 'bedrieger' had beleden, verleende God aan Jakob Zijn zegen, nam zijn smadelijke naam weg en gaf hem een nieuwe, onbezoedelde naam, IsraŽl – dat 'heerser' of 'overwinnaar met God' betekent.
En zo zien wij dat de beloften via Abraham, Isašk en Jakob aan ťťn man tegelijk werden doorgegeven. Voor de dagen van Jakob was er geen vertakking naar nationale groei. Drie generaties lang was het een 'ťťnmansnatie'. Jakob had echter twaalf zonen en door hen begonnen de toekomstige grote natie en de groep naties vorm aan te nemen.

Ruben verliest het geboorterecht

De volgende wettige erfgenaam van het eerstgeboorterecht was Ruben, de eerstgeboren zoon van IsraŽl en diens eerste vrouw, Lea. Maar evenals Ezau verloor Ruben het. En Jozef, de elfde zoon van Jakob, maar de eerstgeborene van Rachel, zijn tweede en waarlijk geliefde vrouw, ontving het.
Wettelijk behoorde het eerstgeboorterecht aan Ruben, niet aan Jozef. In 1 Kronieken 5:1-2 wordt verteld hoe het toch Jozef ten deel viel:
1 Kronieken 5:1  De zonen van Ruben, de eerstgeborene van IsraŽl, want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij de legerstede van zijn vader had ontwijd, was zijn eerstgeboorterecht geschonken aan de zonen van Jozef, de zoon van IsraŽl (maar deze [Ruben] werd niet in het register als eerstgeborene ingeschreven; 2  wel was Juda de sterkste onder zijn broeders en een uit hem werd tot vorst, maar het eerstgeboorterecht viel ten deel aan Jozef).
Op dit punt dus werden de twee delen van de beloften aan Abraham – het eerstgeboorterecht met de materiŽle en nationale beloften en de scepter met de koninklijke en geestelijke beloften – gescheiden.
Het is van het grootste belang goed in gedachten te houden dat het eerstgeboorterecht, met inbegrip van het beloofde land dat tegenwoordig wel Palestina wordt genoemd, de verzekering van een talrijke bevolking, materiŽle en nationale welvaart, macht over andere naties, nu aan JOZEF en zijn zonen werd gegeven.
Dit eerstgeboorterecht zou dus niet door alle stammen van IsraŽl worden geŽrfd! Het werd niet aan de Joden gegeven! Slechts een deel der IsraŽlieten, de afstammelingen van Jozef, zou deze enorme nationale beloften beŽrven!
Deze materiŽle beloften voor dit leven behoorden daarom tot een heel andere stam van de IsraŽlieten dan de scepterbelofte van de koninklijke lijn die in Jezus Christus culmineert; deze geestelijke belofte behoorde tot de stam Juda!
De nationale beloften van het veelvoudige zaad werden het bezit van een geheel andere stam dan de belofte van het ene zaad, Christus, die uit Juda voortkwam! Dit feit van de twee soorten beloften, benadrukt in het vorige hoofdstuk, moet nu voor iedere lezer helder en duidelijk zijn.
Houd dit permanent in gedachten. Het is een der essentiŽle sleutels om de Bijbel te begrijpen!
Ten tijde van Jakobs dood woonden hij en zijn zonen in Egypte. Wij gaan er hier van uit dat u bekend bent met het verhaal van hoe Jozef door zijn broers naar Egypte werd verkocht; hoe hij daar over de voedselverdeling werd aangesteld en eerste minister werd, direct onder de koning stond en feitelijk de natie bestuurde; van de zeven vette jaren, gevolgd door de zeven jaren van hongersnood, toen er alleen in Egypte, onder toezicht van Jozef, voedsel was opgeslagen; van het bezoek van Jozefs broers aan Egypte op zoek naar voedsel en hoe Jozef hen ertoe bewoog hun vader en broer Benjamin naar Egypte te brengen; en tenslotte, van de dramatische onthulling van Jozefs identiteit aan zijn broers, onder tranen en met grote vreugde.
En hoe profetisch was dat! Zoals wij zullen zien zal Jozef, in zijn nakomelingen, spoedig nogmaals zijn ware identiteit aan zijn broers en aan de wereld, onthullen. En hoe verborgen is die identiteit momenteel voor de wereld!

Eerstgeboorterecht voor Jozefs zonen

Vervolgens kwam het moment om het eerstgeboorterecht aan een nieuwe generatie over te dragen. Laten wij deze indrukwekkende gebeurtenis nog eens lezen.
Het geschiedde in Egypte, nadat Jozef erin geslaagd was zijn vader en al zijn broers daarheen over te brengen. Denk eraan dat Jozef eerste minister van het land was.
Er werd aan Jozef medegedeeld dat Jakob, zijn vader, ziek was. Hij nam zijn twee zonen, Manasse en EfraÔm, kinderen van een Egyptische moeder en haastte zich met hen naar de stervende patriarch.
Genesis 48:1  Hierna gebeurde het, dat men tot Jozef zeide: Zie, uw vader is ziek. Daarop nam hij zijn beide zonen met zich, Manasse en EfraÔm. 2  Toen men aan Jakob meegedeeld had: Zie, uw zoon Jozef komt tot u, verzamelde IsraŽl al zijn krachten en ging op het bed zitten. 3  En Jakob zeide tot Jozef: God, de Almachtige, is mij verschenen te Luz in het land Kanašn en heeft mij gezegend 4  en tot mij gezegd: zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u vermenigvuldigen en u maken tot een menigte van volken; Ik zal dit land aan uw nageslacht geven tot een altoosdurende bezitting.
Lees deze beloften heel nauwkeurig!
Het eerstgeboorterecht staat op het punt op een nieuwe generatie te worden overgedragen. Merk op dat er absoluut niets wordt gezegd over het gezegend worden van alle geslachten der aarde door zijn zaad – het ene zaad. Er wordt niets over koningen gezegd. Er wordt niets gezegd over geestelijke zegeningen. Dit zijn de beloften van het eerstgeboorterecht. Dit zijn de beloften van het veelvoudige zaadeen talrijk volk – en van het bezit van het beloofde land. Wij gaan verder.
Vers 5   En nu, uw beide zonen, die u in het land Egypte geboren zijn, voordat ik tot u naar Egypte gekomen was, zij zijn de mijne; EfraÔm en Manasse zullen mij als Ruben en Simeon zijn.
Aldus adopteerde Jakob de twee zonen van Jozef en maakte hen wettelijk zijn eigen zonen. Dit gebeurde ongetwijfeld omdat zij half-Egyptisch waren. IsraŽl maakte hen tot zijn eigen geadopteerde zonen, zodat het eerstgeboorterecht aan hen kon worden doorgegeven. Merk ook op dat in het eerste vers van dit 48e hoofdstuk van Genesis Manasse's naam het eerst wordt genoemd, omdat Manasse de oudste was. Maar nu noemde de oude Jakob de naam van EfraÔm het eerst. Wij zien hier bovennatuurlijke leiding!
Jakob zei tegen Jozef:
Vers 9   En Jozef zeide tot zijn vader: Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft. Daarop zeide hij: Breng hen toch tot mij, opdat ik hen zegene.
Het eerstgeboorterecht behoort zoals bekend wettelijk aan de eerstgeborene, tenzij dit door goddelijke interventie wordt gewijzigd. De erfgenaam van het eerstgeboorterecht moest, bij het ontvangen van de aan hem doorgegeven zegen, Jakobs rechterhand op zijn hoofd hebben. Daarom bracht Jozef zijn oudste zoon Manasse voor IsraŽls rechterhand.
Vers 13   En Jozef nam hen beiden, met zijn rechterhand EfraÔm aan IsraŽls linkerhand en met zijn linkerhand Manasse aan IsraŽls rechterhand, en hij bracht hen dichter bij hem.

De naam IsraŽl voor Jozefs zonen

Maar opnieuw kwam de Eeuwige bij de overdracht van dit gewichtige geboorterecht tussenbeide! Ofschoon hij blind was en de jongens voor hem dus niet kon zien, kruiste Jakob zijn handen.
Vers 14   Toen strekte IsraŽl zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van EfraÔm, hoewel hij de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij legde zijn handen kruiselings, ofschoon Manasse de eerstgeborene was. 15  En hij zegende Jozef en zeide: God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isašk gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag; 16  de Engel, die mij verlost heeft uit alle nood, zegene deze jongelingen, zodat in hen mijn naam en die van mijn vaderen Abraham en Isašk voortleven en zij in menigte mogen toenemen in het land.
Laat wie in deze beloofde menigte toenemen? Van wie zullen de afstammelingen dat talrijke zaad worden, dat tot in de miljarden zal lopen? Niet van Juda, de vader van de Joden! maar van EfraÔm en Manasse! Waarom zijn de ogen en het begrip van de kerkelijke leiders en van de bijbelgeleerden blind voor dit duidelijke feit in de Bijbel?
Merk op dat IsraŽl deze zegen niet schonk aan slechts ťťn, maar aan beiden: "zegene deze jongelingen ". Deze zegen ontvingen zij gezamenlijk. "Zodat in hen mijn naam voortleven". of zoals de Statenvertaling zegt, "dat in hen mijn naam genoemd worde". Dat was een onderdeel van deze zegen. Zijn naam was IsraŽl. Daarom zijn het de afstammelingen van deze jongens, niet de afstammelingen van Juda, de Joden, die IsraŽl werden genoemd. Het is overduidelijk dat de naam IsraŽl onuitwisbaar met EfraÔm en Manasse werd verbonden!
Een schokkend feit voor velen – maar ondubbelzinnig bewezen, voor uw eigen ogen! En bedenk dat deze tekst geen 'interpretatie' van een 'bijzondere betekenis' of 'verborgen symboliek' behoeft om hem te kunnen begrijpen! Dit is de duidelijke en eenvoudige uitspraak dat Jakobs naam, die was veranderd in IsraŽl, het bezit en eigendom, het etiket op de volken van EfraÔm en Manasse zou worden!
Wie vormen dus, volgens de Bijbel, het ware IsraŽl (qua afkomst en nationaliteit) van vandaag?
EfraÔm en Manasse!
EfraÔm en Manasse ontvingen samen het recht op de naam IsraŽl. Het zou de nationale naam van hun afstammelingen worden. En hun afstammelingen waren nooit Joden! Houd dit feit goed in gedachten!
Aldus verwijzen vele van de profetieŽn over 'IsraŽl' of 'Jakob' niet naar Joden of naar enige van de naties die worden gevormd door de hedendaagse nakomelingen van de andere stammen van IsraŽl. Let hier goed op! Er zijn maar weinig geestelijken, theologen of beroepsbijbelgeleerden die dit weten. Velen weigeren het te weten!
Tezamen zouden de afstammelingen van deze twee jongens, EfraÔm en Manasse, uitgroeien tot de beloofde menigte – tot het volk en de menigte volken. Dit zijn de gemeenschappelijke zegeningen die op hen gezamenlijk werden uitgestort. Dit zijn de zegeningen die de jongens samen ontvingen – maar de andere stammen niet!

Jakob kruist de handen

Op dit kritieke punt evenwel bemerkte Jozef dat Jakobs rechterhand niet op het hoofd van de eerstgeborene rustte. Hij deed een poging dit te veranderen.
Vers 18   En Jozef zeide tot zijn vader: Zo niet, mijn vader, want deze is de eerstgeborene, leg uw rechterhand op zijn hoofd. 19  Maar zijn vader weigerde het en zeide: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; ook hij [Manasse] zal tot een volk worden en ook hij zal groot worden; nochtans zal zijn jongere broeder groter zijn dan hij, en diens nageslacht zal een volheid [of groep] van volken worden. 20  En hij zegende hen te dien dage en zeide: Met u zal IsraŽl zegen toewensen door te zeggen: God make u als EfraÔm en als Manasse. En hij plaatste EfraÔm voor Manasse.
Hier zijn de beloften niet meer collectief, niet meer in gemeenschappelijk bezit. Jakob profeteerde nu aangaande de zegeningen van ieder afzonderlijk.
Zoals wij in het vorige hoofdstuk zagen zou het veeltallige zaad "een volk en een menigte volken" worden. Wij zien nu dat het "volk" dat zeer groot zou worden, uit het zaad van Manasse, de zoon van Jozef, zou voortkomen. De "groep volken" zou uit EfraÔm voortkomen. Let erop dat, alvorens de beloften werden verdeeld, deze profetische zegen er duidelijk op wijst dat de nakomelingen van deze jongens bij elkaar zouden blijven en samen tot een grote menigte zouden uitgroeien, dat zij vervolgens zouden worden gescheiden, waarna Manasse een grote natie zou worden, en EfraÔm een nog grotere groep naties.
Dit is dus opnieuw een detail van de toekomstige nationale kenmerken van deze mensen. De vervulling hiervan hoeven wij niet onder de zonen van Juda te zoeken. Evenmin onder de nakomelingen van een van de andere twaalf stammen.
De belofte van een toekomstige grote natie en een groep naties, samen een grote menigte, rijk aan nationale materiŽle welvaart, in het bezit van de "poorten" van andere naties op aarde, is alleen van toepassing op deze jongens en de twee stammen die uit hen zijn voortgekomen.
Wij kunnen er hier aan toevoegen dat de stammen EfraÔm en Manasse in de tijden van de bijbelse historie nooit deze positie hebben bereikt. Sommigen veronderstellen misschien dat het Huis Juda de natie was en de tien stammen de groep naties. Geen van deze beloften ging echter naar Juda. Evenmin zouden ze in enige van de andere stammen worden vervuld, maar alleen als Jozefs dubbele erfdeel in de stammen EfraÔm en Manasse!
EfraÔm zou de groep, of menigte, naties worden, en Manasse de ene grote natie. Maar in de tijd van de bijbelse historie werden deze beloften nooit in hen vervuld. Als deze beloften ooit vervuld zijn, dan moeten wij deze vervulling zoeken in de periode tussen de afsluiting van de bijbelse geschiedschrijving en het heden!

ProfetieŽn voor onze dagen

Terwijl hij nog steeds van de profetische geest vervuld was, riep Jakob zijn twaalf zonen bijeen om hen bekend te maken wat hun nageslacht in de laatste dagen zou overkomen.
Dit zijn profetieŽn die ons moeten helpen de stammen van IsraŽl in onze tijd te identificeren, want dit zijn zeer zeker de laatste dagen! Wij zullen hier alleen op het lot van Juda en Jozef ingaan. Jozefs nakomelingen werden in twee stammen verdeeld, EfraÔm en Manasse en in plaats van de naam Jozef worden meestal deze twee stamnamen gebruikt. Het feit dat deze twee stammen hier als Jozef worden aangeduid, wijst er duidelijk op dat deze profetie op EfraÔm en Manasse gezamenlijk van toepassing is.
Genesis 49:1  En Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen [juiste vertaling: laatste dagen] wedervaren zal.
Vers 8   Juda, u zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen. 9  Een leeuwewelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? 10  De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn.
Het Hebreeuwse woord dat hier als Silo is vertaald, betekent de Messias, de Vredevorst, of het ene "zaad" van Abraham. (Zie Young's Analytical Concordance to the Holy Bible.)

Beloofd aan Jozef

Aangaande Jozef, de gecombineerde stammen van EfraÔm en Manasse, profeteerde IsraŽl over de tijd van nu:
Vers 22   Een jonge vruchtboom is Jozef [hier wordt de vervulling van de belofte van het eerstgeboorterecht wat de menigten betreft uitgebeeld], een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken [kinderen] stijgen boven de muur uit.
Anders gezegd: in de laatste dagen moeten wij de kinderen van Jozef aantreffen als een talrijk volk, een grote natie en een groep naties, waarvan de kinderen "boven de muur uitstijgen", d.w.z. de grenzen van de natie zullen overschrijden; met andere woorden, zij zullen een koloniserend volk zijn! De profetie voor Jozef voor deze "laatste dagen" vervolgt met:
Vers 25   door de God uws vaders, die u zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen van de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot. 26   De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders.
Wij zullen zien dat deze afstammelingen van Jozef, die in het bezit van deze eerstgeboorterechtbeloften zijn – zij zouden talrijk worden, koloniseren, zich dus "naar het westen, oosten, noorden en zuiden" verspreiden, tot zij de gehele wereldbol zouden omcirkelen, de "poorten" van de hun vijandige naties bezitten – nooit naar Jeruzalem zijn teruggekeerd vanuit AssyriŽ, waarheen zij, vanaf 721 v.Chr., met de andere stammen werden verdreven en dat zij zich vanaf die tijd nooit meer met Joden hebben vermengd! Dit zijn beloften en profetieŽn die nooit zijn vervuld door de Joden, door Gods Gemeente, of door enige andere denkbeeldige tegenhanger van het tegenwoordige IsraŽl. Maar in deze tijd zijn ze vervuld, wil Gods Woord standhouden!

 

Hoofdstuk V 

HET VERBOND MET DAVID

Na de dood van Jakob en zijn twaalf zonen in Egypte groeiden hun kinderen in ongeveer tweeŽneenkwart eeuw uit tot een volk van waarschijnlijk tussen de twee en vier miljoen zielen.
Zij werden echter slaven:
Exodus 1:6  En Jozef stierf, benevens al zijn broeders en dat gehele geslacht. 7  De IsraŽlieten nu waren vruchtbaar en breidden zich snel uit; zij vermenigvuldigden zich en werden uitermate talrijk, zodat het land met hen vervuld werd. 8  Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had. 9  Deze nu zeide tot zijn volk: Zie, het volk der IsraŽlieten is groter en talrijker dan wij. 10  Welnu, laten wij met beleid tegen hen optreden, opdat zij zich niet vermenigvuldigen en zich, als wij in oorlog komen, bij onze tegenstanders aansluiten, tegen ons strijden en uit het land wegtrekken. 11  Daarom stelde men opzichters van herendiensten over hen aan om hen door de hun opgelegde dwangarbeid te onderdrukken: zij moesten voor Farao voorraadsteden bouwen, Pitom en Raamses. 12  Maar hoemeer men hen onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich en breidden zij zich uit, zodat men bevreesd werd voor de IsraŽlieten. 13  Toen lieten de Egyptenaren de IsraŽlieten onder mishandeling werken; 14  ja, zij maakten hun het leven bitter door harde slavenarbeid met leem en tichelstenen en door allerlei arbeid op het veld. Alle werk, waartoe zij hen onder mishandeling als slaven gebruikten.
Vervolgens riep God Mozes en leidde hem op een bijzondere manier op om deze kinderen van IsraŽl uit de slavernij te leiden die hun in Egypte was ten deel gevallen.
Toen zij de berg SinaÔ bereikt hadden, sloot God met hen een verbond, waarbij zij te midden van de koninkrijken der wereld als een natie, Gods natie, werden gevestigd. Hun regering was theocratisch, waarbij zowel de civiele als de geestelijke en religieuze wetgeving rechtstreeks van God kwam. God zelf was hun Koning en Hij bestuurde hen door richters.

IsraŽls eerste koning was God

God was IsraŽls enige Koning! IsraŽl was als staat Gods Gemeente. In Handelingen 7:38 wordt ons gezegd dat de IsraŽlieten de gemeente in de woestijn vormden. Het woord 'vergadering', dat in het gehele Oude Testament wordt gebruikt, heeft precies dezelfde betekenis als het woord 'gemeente' in het Nieuwe. IsraŽl had dus meer dan ťťn stelsel van wetten. God gaf IsraŽl een regering die tweeledig van vorm was. De vergadering, of gemeente, kreeg rituele wetten: dieroffers, spijs- en drankoffers, vleselijke of fysieke verordeningen.
Maar IsraŽl bezat tevens een civiele regering; hiervoor stelde God civiele ambtenaren aan met civiele wetten: statuten en rechtspraak. De grote centrale wetscode, de basis voor zowel religie als de civiele overheid, de allesomvattende geestelijke wetscode, werd gevormd door de Tien Geboden, door God rechtstreeks tot de gehele vergadering gesproken en met Gods eigen vinger in stenen tafelen geschreven.
Gedurende verscheidene generaties nadat zij Egypte hadden verlaten, was God hun Koning! De geschiedenis hiervan is te vinden in de boeken van Mozes, Jozua en Richteren. Elke stam behield zijn zelfstandigheid, maar tezamen vormden zij ťťn natie, min of meer zoals de Verenigde Staten ťťn natie zijn, samengesteld uit verschillende staten.
Elke stam bezat zijn eigen land of district. De Levieten werden de priesterstam, die zich over alle andere stammen verspreidde en die geen erfgoed in het land had en (behalve een aantal steden) geen eigen grondgebied. Om dit te compenseren werden de kinderen van Jozef in twee stammen – EfraÔm en Manasse – verdeeld, waardoor er, naast de Levieten, die onder alle stammen verspreid waren, twaalf onderscheiden en aparte stammen bleven bestaan, elk met een eigen grondgebied of provincie.
Gedurende al deze jaren bleven het eerstgeboorterecht en de scepter binnen de natie als geheel, waarbij het eerstgeboorterecht uiteraard via de stammen EfraÔm en Manasse werd doorgegeven en de scepter via Juda.

Ontevreden met God

De IsraŽlieten waren menselijk, evenals u en ik. Voortdurend mopperden en klaagden zij. Hun vleselijke gezindheid was, evenals de gezindheid van de mens van vandaag, vijandig jegens God en Zijn wetten (Romeinen 8:7). Al spoedig werden zij er ontevreden over dat God hun Koning was en zij eisten een mens als koning, zoals in de heidense landen om hen heen.
Vandaag is het ook zo: wij willen als de niet-christenen om ons heen zijn, in plaats van ons nauwgezet aan de wegen van God te onderwerpen, zoals ons in Zijn Woord wordt geÔnstrueerd! De menselijke natuur is altijd dezelfde geweest.
Toen de oudsten van IsraŽl bij SamuŽl kwamen om een mens als koning te eisen, stond dit SamuŽl, hun profeet, vanzelfsprekend niet aan. Maar de Eeuwige zei:
1 Samuel 8:7  De Here zeide tot Samuel: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet u hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. 8  Juist zoals zij gedaan hebben van de dag af, toen Ik hen uit Egypte leidde, tot op de huidige dag, dat zij Mij hebben verlaten en andere goden gediend, zo doen zij nu ook tegen u. 9  Nu dan, luister naar hen, maar waarschuw hen ernstig en zeg hun aan, hoe het optreden zal zijn van de koning die over hen regeren zal.
Saul was hun eerste menselijke koning. Hij weigerde God te gehoorzamen en werd uiteindelijk verworpen. Hij sneuvelde in een veldslag. Zijn enige overlevende zoon, Isboseth, werd na een regeringsperiode van slechts twee jaar gedood (2 Samuel 2:10). Isboseth regeerde echter nooit over Juda. Met deze korte regeerperiode over een deel van IsraŽl kwam er een einde aan Sauls dynastie. Dit is de wijze waarop God hem verwierp. Zijn dynastie werd afgekapt!

Davids dynastie voor eeuwig

Saul werd opgevolgd door David. David zat op de troon van de Eeuwige. David werd opgevolgd door zijn zoon Salomo, die eveneens op de troon van de Eeuwige zat.
1 Kronieken 29:23  En Salomo zette zich op de troon des Heren als koning in de plaats van zijn vader David, en hij was voorspoedig, zodat geheel IsraŽl hem gehoorzaamde.
2 Kronieken 9:8  Geprezen zij de Here, uw God, die zulk een welgevallen aan u [Salomo] had, dat Hij u op zijn troon gezet heeft …
Hier vestigen we op nog een bijzonder punt de aandacht. Vůůr Saul was de Eeuwige Koning over IsraŽl. Deze menselijke koningen zaten op de troon van de Eeuwige. De Eeuwige, de "Here", is Jezus Christus die bij de Vader was voordat de wereld bestond (Johannes 17:5 en 1:1-2, 14). Jezus is zowel de "wortel" als het "(na)geslacht" van David (Openbaring 22:16). Daar Hij de "wortel" is, was de troon van Hem voordat David was geboren. David zat slechts op de troon van de Eeuwige. In de tweede plaats, daar Jezus Davids wettige, fysieke Zoon was, zal deze zelfde troon Hem eens te meer door erfrecht toekomen, zodat Hij Davids dynastie kan voortzetten. Wanneer Christus naar de aarde terugkeert, zal Hij op Davids troon in dubbel opzicht recht hebben!
Nu komen wij toe aan een ogenschijnlijk ongelooflijk feit. Een fantastisch, bijna niet te geloven, maar waar feit! Toen David koning was, sloot God met hem een eeuwigdurend verbond, zonder voorwaarden, een verbond dat God niet kan en niet wil verbreken! Dit verbond wekt meer verbazing en wordt nog minder begrepen, dan het onvoorwaardelijke verbond met Abraham!
Het is belangrijk dat u nu de specifieke aard en het karakter van het verbond dat de Almachtige met David sloot vast in gedachten houdt. Want dit is een uiterst belangrijke schakel in het doel en de opdracht van Christus, een belangrijke sleutel tot bijbels begrip!
In 2 SamuŽl 23:1 en 5 lezen wij:
2 Samuel 23:1  Dit zijn de laatste woorden van David: Spreuk van David, de zoon van Isai, en spreuk van de man die hoog geplaatst is, de gezalfde van Jakobs God, de liefelijke in IsraŽls lofzangen. Vers 5   Maar niet alzo mijn huis bij God! Toch heeft Hij mij een eeuwig verbond gegeven, geordend in alles en verzekerd.
Met andere woorden, een verbond dat eeuwig zal voortduren en niet kan falen!
We gaan naar het zevende hoofdstuk van 2 SamuŽl voor meer details. God deed David deze verbondsbelofte in een tijd dat David erg bezorgd was over de Ark van het Verbond, die in een tent verbleef. David wilde in Jeruzalem een grote tempel bouwen.
2 Samuel 7:4  Maar in die nacht kwam het woord des Heren tot Natan: 5  Ga, spreek tot mijn knecht, tot David: Zo zegt de Here: zoudt gij voor Mij een huis bouwen om in te wonen? Vers 12  Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. 13  Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen. 14  Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn. Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen. 15   Maar mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik haar heb doen wijken van Saul, die Ik voor uw aangezicht heb weggedaan. 16  Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd.

Belangrijke punten

Let nauwkeurig op de volgende punten:
1) Davids troon werd opgericht en bevestigd met Salomo, de zoon van David.
2) De troon, Davids troon (vers 16), werd voor eeuwig in Salomo bevestigd (vers 13). Merk op dat hier nergens staat dat God, wanneer Christus komt, de troon in Hem voor altijd zal bevestigen. Er staat dat de troon voor eeuwig in Salomo zou worden bevestigd.
3) Wat zou er gebeuren indien Salomo of de IsraŽlieten niet gehoorzaamden? Zou daardoor het verbond vervallen? In vers 14-15 staat duidelijk dat God hen, als zij ongerechtigheid bedrijven, zal tuchtigen met een roede der mensen, maar Hij zal niet dit verbond verbreken. De troon zal voor altijd blijven bestaan!
4) Let er in het bijzonder op dat God, in het geval van ongehoorzaamheid, de troon niet zal wegnemen zoals Hij die van Saul wegnam. Hoe nam Hij de troon van Saul weg? Door aan Sauls dynastie een einde te maken! Van Saul zat geen enkele zoon ooit op de troon. De dynastie van Salomo zal echter nooit eindigen. De straf op ongehoorzaamheid is kastijding door de handen van mensen.
5) God bevestigde dus definitief deze troon met David en met Salomo. Als nu Davids troon zou ophouden te bestaan, al was het maar voor de tijd van ťťn generatie, zou er dan nog wel sprake van kunnen zijn dat God hem voor altijd had bevestigd, zoals God hier beloofde?
Dit is een feit dat als vele feiten in de Bijbel heel weinig bekend is! De Almachtige God sloot met David een absoluut bindend – hoe bindend zullen wij nog zien! – verbond, waarbij Hij onvoorwaardelijk garandeerde dat er vanaf dat tijdstip nooit ťťn enkele generatie zou zijn waarin er geen afstammeling van David op Davids troon zou zitten als een ononderbroken dynastie, regerend over IsraŽlieten! Dit is de belofte van een gegarandeerde, permanente, ononderbroken dynastie, gedurende alle generaties en voor eeuwig.
Dit is moeilijk te geloven! Toch is dit precies wat God beloofde en garandeerde! Voorwaarden waren er niet. Wat er ook zou gebeuren, niets kon het verhinderen. De zonden van het volk zouden er geen verandering in kunnen brengen. De belofte stond onveranderlijk vast!

Het einde van het verslag

Maar waar is die troon vandaag?
De bijbelse geschiedenis geeft het verslag van een reeks koningen, allen afstammelingen van David, in een ononderbroken dynastie tot en met koning Zedekia. In het jaar 585 v. Chr. echter werd deze als laatste vermelde koning die ooit op deze troon zat door de legers van koning Nebukadnezar van Babylon gevangengenomen; zijn ogen werden uitgestoken, hij werd naar Babylon gebracht en stierf daar in een kerker!
Bovendien werden al zijn zonen gedood! Alle edelen van Juda, voor zover zij niet reeds in de gevangenis zaten of niet reeds als slaven in Babylon vertoefden, werden gedood, zodat er niemand overbleef om op de troon van David plaats te nemen! De ChaldeeŽn verwoestten Jeruzalem, verbrandden de Tempel en de koninklijke paleizen en voerden de Joden als slaven naar Babylon. Er bestaat geen enkel verslag van enige over Juda regerende koning van de lijn van David vanaf die tijd tot nu toe. Alleen de lijn van Jojachin tot Jezus overleefde de Babylonische ballingschap – Jezus was dus een afstammeling van David.
Sommigen echter zullen zeggen dat deze troon vandaag in Christus is bevestigd. Maar Christus heeft deze troon nog niet overgenomen! Hij beschreef zichzelf als een edelman (Lukas 19:12) die naar een ver land (de hemel) trok om een Koninkrijk te ontvangen en die, na het ontvangen van het recht op het Koninkrijk, zou terugkeren. Jezus Christus zal pas op de troon van David plaatsnemen na Zijn wederkomst, die nog in de toekomst ligt!
Maar hoe staat het met de bijna 600 jaar tussen koning Zedekia en de geboorte van Christus? Wie regeerden er toen over de IsraŽlieten en zaten gedurende die generaties op Davids troon? Als het antwoord luidt: niemand, dan moeten wij concluderen dat God Zijn Woord heeft gebroken, of de Bijbel klopt niet!
Het antwoord vormt een mysterie dat verbazingwekkender is dan enig fictief verhaal! Stap voor stap wordt het door de Bijbel onthuld.
Maar anderen zullen wijzen op de uitdrukking: "Ik zal bevestigen" (zie 2 Samuel 7:13) en concluderen dat God mogelijk bedoelde dat Hij die troon bij de wederkomst van Christus voor eeuwig zou bevestigen. Ook dit is echter niet juist. Want van wie zou Christus Davids troon moeten overnemen als die troon al eeuwen niet meer bestond? Maar God beloofde duidelijk dat Hij de troon in Salomo zou bevestigen: "En Ik zal zijn [Salomo's] koninklijke troon voor immer bevestigen." God sprak hier niet over een bevestiging van de troon pas vele eeuwen later in Christus, bij diens wederkomst. Er wordt verwezen naar Salomo, niet naar Christus, want God zei: "Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen" (2 Samuel 7:14).
Maar we zullen nu een bijbeltekst geven die een einde maakt aan elke speculatie inzake het tijdstip waarop deze troon werd bevestigd:
2 Kronieken 13:4  Toen ging Abia staan op de berg Semaraim, in het gebergte van EfraÔm, en zeide: Hoort naar mij, Jerobeam en geheel IsraŽl! 5  Is het u niet bekend, dat de Here, de God van IsraŽl, het koningschap over IsraŽl voor altijd aan David gegeven heeft, aan hem en aan zijn zonen, een zoutverbond?
Een 'zoutverbond' is een permanent verbond. Dit toont aan dat de bevestiging van de troon op dat moment in het verleden lag! God gaf (heeft gegeven) dit koningschap aan David en zijn zonen – niet aan zijn Zoon, Christus, maar aan zijn zonen, meervoud – onafgebroken voor altijd.
Bevestigd voor alle generaties
Psalmen 89:3  [andere vertalingen vers 4] Met mijn uitverkorene heb Ik een verbond gesloten, aan mijn knecht David heb Ik gezworen: 4 [89-5]  Voor altoos zal Ik uw nakroost [dynastie] bevestigen, en uw troon bouwen van geslacht tot geslacht.
Deze troon, die voor eeuwig was bevestigd, zou dus van geslacht tot geslacht worden opgebouwd. God heeft deze troon bevestigd, te beginnen met David en Salomo. Wij hebben hiervan een verslag over een aantal generaties – tot en met koning Zedekia en het jaar 585 v. Chr.
De troon werd voor alle generaties bevestigd, onafgebroken, permanent, voor eeuwig! De uitdrukking "van geslacht tot geslacht" moet ook de generaties vanaf Zedekia tot aan de geboorte van Christus insluiten. Wie hebben er dan tijdens die generaties op de troon gezeten?
Christus zit momenteel niet op deze troon, maar op de troon van de Almachtige God in de hemel (Openbaring 3:21).
Hoe staat het dus met de huidige generatie? Waar is er een afstammeling van David die vandaag na een ononderbroken lijn van koningen op de troon van David zit en over IsraŽlieten regeert?
Als wij geduld hebben zullen wij het zien!
Maar laten wij verdergaan in de 89e Psalm:
Vers 28 [89-29]  Voor altoos zal Ik jegens hem mijn goedertierenheid bewaren en mijn verbond zal voor hem vast blijven; 29 [89-30]  zijn nakroost [dynastie, Davids nageslacht] zal Ik voor immer doen voortbestaan, en zijn troon als de dagen des hemels.
Davids zonen zouden koning zijn. David was van de stam Juda, de bezitter van de scepterbelofte, niet van de belofte van het eerstgeboorterecht. Zijn "nakroost" is daarom de koninklijke lijn. Letterlijk betekent het dus zijn dynastie, zijn lijn van elkaar opvolgende zonen.
Nu wij gezien hebben dat zijn troon gedurende alle generaties is blijven voortbestaan, zoals de dagen des hemels, bekijken wij het volgende vers:
Vers 30 [89-31]  Indien zijn zonen mijn wet verlaten, en niet naar mijn verordeningen wandelen; 31 [89-32]  indien zij mijn inzettingen ontwijden, en mijn geboden niet onderhouden, 32  [89-33]  dan zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen; 33  [89-34]  maar mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden, mijn trouw zal Ik niet verloochenen, 34 [89-35]  mijn verbond zal Ik niet ontwijden [verbreken], noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. 35 [89-36]  Eenmaal heb Ik bij mijn heiligheid gezworen: Hoe zou Ik tegenover David liegen! 36  [89-37]  Zijn nakroost [dynastie] zal voor altoos bestaan, zijn troon zal als de zon voor mij zijn; 37 [89-38]  als de maan zal hij voor altoos vaststaan, en de getuige aan de hemel is getrouw.
Hier wordt gesproken over de generaties wanneer zijn kinderen wellicht ongehoorzaam zijn en Gods wet verzaken. Sommigen excuseren hun onvermogen om deze troon op te sporen met te zeggen dat het verbond voorwaardelijk was, dat het verbond werd verbroken, omdat de IsraŽlieten God ongehoorzaam waren. Maar wat zegt de Almachtige? Als de kinderen niet gehoorzamen maar de wet overtreden, zullen zij voor hun overtreding worden gestraft, maar niet door het verbreken van Gods onvoorwaardelijke verbond met David!
Sommigen zeggen dat Christus de troon overnam. Maar dat is niet juist. Hij werd gekruisigd, weer opgewekt en voer op naar de hemel. Hij zal komen en nu spoedig, om als Koning der koningen en Heer der heren op die troon plaats te nemen. Maar hoe zou Jezus Christus, als Hij naar de aarde terugkeert, een troon kunnen overnemen en erop plaatsnemen als deze allang daarvoor was opgehouden te bestaan?

Zal Christus een niet-bestaande troon bestijgen?

Indien de troon van David met Zedekia was opgehouden, dan bestaat hij vandaag niet. En als hij niet bestaat, hoe moet Christus dan op een niet-bestaande troon plaatsnemen?
Lukas 1:31  En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. 32  Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven.
En, aangezien hij door alle generaties zou blijven bestaan, hoe staat het dan met de vele generaties tussen Zedekia en de geboorte van Christus?
Het uiterst belangrijke feit dat de verheerlijkte Koning der koningen zal komen om op een bestaande troon plaats te nemen, wordt voorts bevestigd door de profeet Jeremia. In het 33e hoofdstuk staat een profetie over gebeurtenissen die zullen plaatsvinden ten tijde van Christus' komst in opperste macht en glorie! In de tijd dat deze profetie werd opgeschreven zat de profeet in Jeruzalem gevangen. De legers van Babylon voerden de Joden in gevangenschap weg. God zei tot Jeremia:
Jeremia 33:3  Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden en u grote, ondoorgrondelijke dingen verkondigen, waarvan gij niet weet. 4  Want, zo zegt de Here, de God van IsraŽl, aangaande de huizen dezer stad en de huizen van de koningen van Juda, die afgebroken zijn voor de wallen en voor het zwaard.
Jeremia wist dat in Jeruzalem de huizen van de koningen werden verwoest, dat de troon van David uit Jeruzalem werd verwijderd. Zoals later zal worden aangetoond was hij Gods werktuig in het ontwortelen van de troon uit Jeruzalem. God openbaart hem nu een geruststellend feit. In deze eindtijd zal de troon van David opnieuw in Jeruzalem worden geplant. God stelt nu de profeet gerust met de mededeling dat de troon tot die tijd zonder onderbreking over IsraŽlieten zou heersen. Het zal steeds dezelfde onafgebroken dynastie zijn. De Messias zal op een bestaande troon plaatsnemen!
Hier volgt de profetie van wat er zal gebeuren bij Christus' glorierijke komst om te regeren:
Vers 14   Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik het goede woord in vervulling zal doen gaan, dat Ik over het huis van IsraŽl en het huis van Juda gesproken heb.
Let er goed op dat deze belofte van Davids permanente dynastie zowel aan het Huis IsraŽl als aan het Huis Juda is gedaan. Sinds de verdeling in twee naties was die troon niet met IsraŽl verbonden geweest, alleen met Juda. Maar de belofte die bij Christus' komst zal worden vervuld, verbindt de troon zowel met IsraŽl als met Juda!
Verder:
Vers 15   In die dagen en te dien tijde zal Ik aan David een Spruit der gerechtigheid [de Messias] doen ontspruiten, die naar recht en gerechtigheid in het land zal handelen.
Dit gaat over de heerschappij van Christus als Koning der koningen. Jezus, naar fysieke geboorte een afstammeling van David (Romeinen 1:3), was de rechtvaardige Spruit, of tak van David.
Verder:
Vers 16   In die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem veilig wonen, en zo zal men het noemen: De Here onze gerechtigheid. 17  Want zo zegt de Here: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis IsraŽls gezeten is.
Let wel! Er staat niet dat het David uiteindelijk, na meer dan 2500 jaar, niet aan iemand op de troon zal ontbreken. Er staat dat het David nimmer, op geen enkel tijdstip, door alle generaties heen, zal ontbreken aan een afstammeling die op zijn troon zal zitten!
En over wie zal deze regeren?

Niet over Joden

Niet over Juda! Lees het in uw eigen bijbel! Gedurende deze ruim 2500 jaar zal het David niet ontbreken aan iemand "op de troon van het huis IsraŽls" – niet van Juda!
Ten tijde dat God deze profetie aan Jeremia openbaarde, werd de troon uit Juda ontworteld. Gedurende deze meer dan 2500 jaar tussen toen en Christus' wederkomst zou het de troon van het Huis IsraŽl zijn!
Na de komst van Christus om te regeren zal IsraŽl klaarblijkelijk opnieuw slachtoffers, brandoffers en spijsoffers brengen. In EzechiŽls profetie vanaf het 40e hoofdstuk tot het einde van zijn boek, een profetie die de periode na Christus' komst beslaat, worden deze offeranden genoemd. Maar na Christus' terugkeer, wanneer deze offeranden opnieuw zullen plaatsvinden, zal de stam Levi niet vernietigd zijn – nakomelingen van de priesterstam zullen nog in leven zijn. Let op vers 18 van Jeremia 33:
Vers 18   en de levitische priesters zal het nimmer ontbreken voor mijn aangezicht aan een man die brandoffers offert, spijsoffers ontsteekt en slachtoffers brengt al de dagen.
Hier staat niet dat zij al die jaren voorafgaande aan Christus' komst voortdurend offers brengen. Andere teksten tonen duidelijk aan dat er na het offer van Christus zelf door christenen geen offers zouden worden gebracht en ook de Joden brachten na de verwoesting van de Tempel in 70 n.Chr. geen offers meer. Maar reeds eerder aangehaalde profetieŽn tonen even duidelijk aan dat Davids nakomelingen gedurende alle generaties, te beginnen met Salomo, op Davids troon zouden zitten en regeren.
Aangezien vele Levieten ongetwijfeld bij de Tien Stammen zijn gebleven – al bleven er velen, zoals wij weten, bij de Joden – en aangezien zij die bij de Tien Stammen bleven tezamen met alle Tien Stammen hun identiteit verloren, is het zeer goed mogelijk dat vele, zo niet de meeste van de geroepen ware dienaren van Jezus Christus in de loop der eeuwen van de stam Levi zijn geweest.
Let er nu op hoe bindend Gods verbond met David is:
Vers 20   Zo zegt de Here: Indien gij mijn verbond aangaande de dag en de nacht kunt verbreken, zodat er geen dag en nacht meer zou zijn op hun tijd, 21  dan zal ook mijn verbond met mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op zijn troon …

Wat de mensen zeggen

Verder:
Vers 24   Hebt gij niet gemerkt, wat dit volk spreekt: De twee geslachten, die de Here verkoren heeft, heeft Hij verworpen? En mijn volk verachten zij, alsof het in hun ogen geen volk meer is.
Dit zeggen de mensen inderdaad, zoals werd geprofeteerd! Zij zeggen dat de Joden onder vele, zo niet onder alle naties werden verspreid – verstrooid als enkelingen – en niet langer een volk zijn met een eigen regering! En de Tien Stammen zijn naar verondersteld wordt 'verloren', of bestaan niet langer, of ze zijn een deel van de verspreid wonende individuele Joden! Zelfs de Joden zelf zeggen dit en de wereld zegt het! Maar wat zegt God?
Verder met het volgende vers:
Vers 25   Zo zegt de Here: Indien Ik mijn verbond aangaande de dag en de nacht, de verordeningen van hemel en aarde, niet heb vastgesteld, 26   dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en mijn knecht David verwerpen, dat Ik uit zijn nazaten geen heersers neem over het nageslacht van Abraham, Isašk en Jakob, want Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen.

De test van bijbelse waarheid

Dat zijn boude woorden! Tenzij u deze oude aarde kunt beletten om haar as te draaien, tenzij u de zon en de maan en de sterren van de hemel kunt verwijderen, aldus de Almachtige, kunt u Hem niet beletten om onafgebroken, gedurende alle generaties, voor eeuwig, vanaf de tijd van David en Salomo, Zijn verbond te houden en ervoor te zorgen dat er in een ononderbroken dynastie een afstammeling van David op deze troon zit!
Deze hoeft niet noodzakelijkerwijs over het gehele Huis IsraŽl, of over de Joden te regeren, maar minstens over een aantal van hen, dat groot genoeg is om een natie te vormen.
Dit kan niet worden uitgelegd als zou het betekenen dat er geen permanente troon zou zijn, of dat dit alleen van toepassing is op het "ene zaad" – Christus – die uiteindelijk zal komen om te regeren. Let erop dat er heel uitdrukkelijk staat: "... dat Ik uit zijn nazaten geen heersers [meer dan ťťn] neem over" IsraŽlieten. Dit betreft een voortdurende, veelvoudige reeks heersers; niet ťťn Heerser die komt om plaats te nemen op een troon die meer dan 2500 jaar daarvoor al is opgehouden te bestaan.
De verbondsbelofte aan David is ondubbelzinnig en definitief. Ofwel zijn dynastie is blijven bestaan en bestaat vandaag, regerend over het Huis IsraŽl (niet over de Joden), of Gods Woord faalt!
Herinner u opnieuw de belofte van de scepter, die deze lijn van koningen omvat, tot deze culmineert in CHRISTUS bij Zijn wederkomst: "De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo [Christus] komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn" (Genesis 49:10).
Is de scepter wel van Juda geweken? Is de troon wel opgehouden te bestaan? Of bestaat hij vandaag, zoals God zo bindend heeft beloofd, zodat Christus, als Hij komt, een functionerende, permanente troon kan overnemen en bestijgen?
De onfeilbaarheid van de Bijbel staat op het spel! Gods Woord staat op het spel!

 

Hoofdstuk VI 

ISRAňLIETEN IN TWEE NATIES VERDEELD

Het Huis IsraŽl is niet Joods! Zij die er deel van uit maken zijn geen Joden en waren dat ook nooit! Dit feit zullen wij nu afdoende en onweerlegbaar aantonen.
Na Davids dood volgde zijn zoon Salomo hem op op de troon van IsraŽl. Salomo hief buitensporig hoge belastingen van het volk en regeerde met een pracht en praal die waarschijnlijk daarvoor noch daarna zijn geŽvenaard.
Ook huwde hij heidense vrouwen uit andere landen. Onder invloed van hen bracht hij brand- en slachtoffers aan Molech en andere afgoden. Dit had ernstige gevolgen:
1 Koningen 11:11  Toen zeide de Here tot Salomo: Omdat het zo met u gesteld is, dat gij mijn verbond en mijn inzettingen, die Ik u geboden had, niet in acht genomen hebt, zal Ik voorzeker het koninkrijk van u afscheuren en het uw knecht geven. 12  Maar bij uw leven zal Ik dat niet doen, ter wille van uw vader David; uit de hand van uw zoon zal Ik het afscheuren. 13  Evenwel zal Ik niet het gehele koninkrijk afscheuren, een stam zal Ik aan uw zoon geven ter wille van mijn knecht David en ter wille van Jeruzalem, dat Ik verkoren heb.

IsraŽl van Davids troon gescheiden

Let hier goed op! Het is het koninkrijk, niet een deel ervan, dat zal worden afgescheurd. Het is een deel, ťťn stam, dat zal overblijven. En let er bovendien op dat hier ook meteen het grote waarom van deze hele kwestie tot uitdrukking wordt gebracht: ofschoon Salomo persoonlijk had verdiend dat het geheel werd afgescheurd, laat God ťťn stam over, niet uit toegeeflijkheid jegens Salomo, maar "ter wille van mijn knecht David"!
God heeft een eeuwigdurend verbond met David gesloten, een onvoorwaardelijk verbond, dat Hij niet kan en niet wil verbreken. Davids dynastie kan niet worden afgebroken! Dat is de reden waarom de scepterbelofte niet kan worden vernietigd, maar de heerser moet worden toegestaan over tenminste een deel van de IsraŽlieten te blijven regeren, zonder dat er ook maar ťťn generatie wordt overgeslagen.
In 1 Koningen 11:26 lezen wij over Jerobeam, de zoon van Nebat, een EfraÔmiet, een dienaar van Salomo. Hij werd aangesteld over "het huis Jozef", d.w.z. over EfraÔm en Manasse.
Door middel van de profeet Achia maakte de Eeuwige aan Jerobeam bekend dat hij koning over de tien stammen van IsraŽl zou worden.
1 Koningen 11:28  Nu was die man Jerobeam een flinke kracht; toen Salomo zag, dat de jonge man een goede werker was, stelde hij hem aan over de gehele lichting van het huis Jozef. 29  Toen Jerobeam eens in die tijd uit Jeruzalem was gegaan, ontmoette hem onderweg de profeet Achia, de Siloniet, bekleed met een nieuwe mantel. 30  En die beiden waren alleen op het veld. Toen greep Achia de nieuwe mantel die hij droeg, en scheurde die in twaalf stukken; 31  hij zeide tot Jerobeam: Neem voor u tien stukken, want zo zegt de Here, de God van IsraŽl: zie, Ik ga het koninkrijk van Salomo afscheuren, en Ik geef u de tien stammen, 32  (maar een stam zal voor hem zijn, ter wille van mijn knecht David en van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van IsraŽl verkoren heb), 33  omdat hij [Salomo] Mij heeft verlaten, en zich neergebogen heeft voor Astarte, de godin der Sidoniers, voor Kemos, de god van Moab, en voor Milkom, de god der Ammonieten, en niet in mijn wegen gewandeld heeft en niet gedaan heeft wat recht is in mijn ogen; mijn inzettingen en mijn verordeningen, zoals zijn vader David. 34  Evenwel zal Ik het koninkrijk in genen dele uit zijn hand nemen, maar Ik zal hem tot een vorst stellen zijn leven lang, ter wille van mijn knecht David, die Ik verkoren heb, die mijn geboden en inzettingen in acht genomen heeft. 35  Maar Ik zal het koninkrijk uit de hand van zijn zoon nemen, en u de tien stammen geven. 36   Aan zijn zoon zal Ik echter een stam geven, opdat [let op het waarom] mijn knecht David altijd een lamp voor mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad die Ik Mij verkoren heb om mijn naam daar te vestigen. 37  Maar u zal Ik nemen, opdat gij heerst over alles wat gij begeert, en koning zijt over IsraŽl.
Deze woorden brengen twee feiten aan het licht: de natie IsraŽl zal van Salomo's zoon worden afgenomen en aan Jerobeam worden gegeven. Het is niet slechts ťťn stam, of een paar stammen, maar de natie die de naam IsraŽl draagt, waarover deze Jerobeam, van de stam EfraÔm, zal regeren.
Het was het tienstammige koninkrijk dat de nationale naam 'IsraŽl' had gekregen. Immers, de naam 'IsraŽl' was overgedragen op de zonen van Jozef! (Genesis 48:16.) Waar zij zich ook bevinden, de Bijbel noemt hen bij de nationale naam IsraŽl. Voor de wereld van tegenwoordig is hun identiteit verloren. Maar in de bijbelse profetie zijn zij het – niet de Joden – die IsraŽl worden genoemd! En zij bevonden zich te midden van en stonden aan het hoofd van, de tienstammige natie IsraŽl.
Anderzijds liet de Eeuwige, wegens Zijn belofte aan David, ťťn stam, Juda, in Jeruzalem onder de zonen van Salomo, opdat een zoon van David op de troon van David over IsraŽlieten zou blijven regeren. God had David onvoorwaardelijk beloofd dat er nooit een tijd zou komen dat er geen zoon of afstammeling van hem op de troon over IsraŽlieten zou regeren.
Later in de geschiedenis zien wij dat deze belofte wordt gehouden, dat dit verbond bindend wordt gemaakt! Hoewel de kinderen van Juda niet alle kinderen van IsraŽl vormen en hoewel zij niet met deze nationale naam worden aangeduid, zijn zij desalniettemin kinderen van IsraŽl en dus kan God Zijn belofte aan David houden, kan Hij voorkomen dat de scepterbeloften aan Abraham, Isašk en Jakob worden tenietgedaan. En tegelijkertijd kan God Salomo bestraffen door de natie IsraŽl weg te nemen en een zoon van de scepterbelofte op de troon over slechts ťťn stam te laten regeren. Let op het zeer belangrijke punt dat, hoewel er een straf moet worden opgelegd, God niet ťťn van zijn beloften verbreekt.

Davids dynastie regeert over Juda

God had beloofd: "De scepter zal van Juda niet wijken." Deze belofte heeft Hij niet gebroken. Let er nu nauwkeurig op dat de tien stammen, die afgescheurd zijn, de naam 'IsraŽl' dragen en dat de ene stam die onder Salomo's zoon Rechabeam bleef, eenvoudig 'Juda' of 'het Huis Juda' wordt genoemd. Zij leven voort onder hun stamnaam, terwijl het tienstammige koninkrijk de nationale naam 'IsraŽl' blijft voeren.
Wat er feitelijk gebeurde was dat IsraŽl zijn koning verwierp en een nieuwe koning, Jerobeam, op IsraŽls troon aanstelde. De stam Juda scheidde zich af van de natie IsraŽl teneinde Rechabeam als hun koning te behouden. Rechabeam, Davids kleinzoon, werd echter de koning van een nieuwe natie. Deze nieuwe natie was evenwel niet het koninkrijk IsraŽl, maar het koninkrijk Juda! Zie nu wat er gebeurde.
Zodra Salomo's zoon Rechabeam op de troon plaatsnam, vroeg het volk om verlaging van de hoge belastingen die Salomo het had opgelegd. Als woordvoerder zonden zij hun leider Jerobeam naar Rechabeam.
1 Koningen 12:4  Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; maak gij nu de harde dienst van uw vader en het zware juk dat hij ons opgelegd heeft lichter; dan zullen wij u dienen.
Het antwoord was:
Vers 11   Welnu, mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, maar ik zal uw juk nog verzwaren; mijn vader heeft u met zwepen getuchtigd, maar ik zal u tuchtigen met gesels.
IsraŽl kwam in opstand. Het bevel aan het volk luidde:
Vers 16   Toen geheel IsraŽl zag, dat de koning niet naar hen luisterde, gaf het volk de koning ten antwoord: Wij hebben geen deel aan David, en geen erfbezit met de zoon van Isai! Naar uw tenten, IsraŽl! Zorg nu voor uw eigen huis, David! En IsraŽl ging naar zijn tenten.
"Naar uw tenten, IsraŽl!" De uitdaging aan de koninklijke familie was: "Zorg voor uw eigen huis, David!"
Vers 19   Aldus werden de IsraŽlieten van Davids huis afvallig tot op de huidige dag. 20  Zodra geheel IsraŽl gehoord had, dat Jerobeam teruggekeerd was, hadden zij hem ontboden naar de volksvergadering en hem koning gemaakt over geheel IsraŽl. Niemand volgde het huis van David dan de stam Juda alleen. 21  Toen Rechabeam te Jeruzalem was gekomen, riep hij het gehele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend strijdbare jonge mannen, om te strijden tegen het huis van IsraŽl en het koningschap terug te brengen aan Rechabeam, de zoon van Salomo.
Rechabeam bond de strijd aan om het Huis IsraŽl te onderwerpen en onder zijn gezag terug te brengen, maar God zei:
Vers 24  zo zegt de Here: gij zult niet optrekken en niet strijden tegen uw broeders de IsraŽlieten. Keert terug, ieder naar zijn huis, want door Mij is deze zaak geschied.

IsraŽl in twee naties verdeeld

Hebt u opgemerkt dat het nu het tienstammige koninkrijk is (geleid door de stammen EfraÔm en Manasse en met een EfraÔmiet als koning), de erfgenaam van de eerstgeboorterechtbeloften, dat het Huis IsraŽl wordt genoemd?
De stam Juda, die Rechabeam restte, samen met de Benjaminieten en later, nadat Jerobeam hen in IsraŽl uit hun ambt had ontzet, de priesterstam Levi, worden in de Bijbel niet IsraŽl, maar het Huis Juda genoemd. In feite zijn zij allen IsraŽlieten, maar zij worden niet meer met die nationale naam aangeduid. Dit wordt hier zo sterk benadrukt, omdat de algemene opvatting precies het tegendeel inhoudt.
De gangbare opvatting lijkt tegenwoordig dat de stam Juda die achterbleef de naam 'IsraŽl' droeg. De meeste mensen schijnen te denken dat de Tien Stammen niets anders zijn dan een aantal uit de natie IsraŽl verdreven stammen.
Maar het is IsraŽl dat zich nu als koninkrijk onder de EfraÔmiet Jerobeam schaart, in het land Samaria, ten noorden van Jeruzalem. Het is niet IsraŽl, maar Juda, slechts drie stammen die van IsraŽl werden afgescheiden, dat in Jeruzalem achterbleef.
De Tien Stammen werden niet van IsraŽl afgescheiden.
IsraŽl bleef niet in Jeruzalem. Juda werd juist van IsraŽl afgescheiden.

IsraŽl in oorlog met de Joden

Let hier dus goed op! Het Huis Juda, dat nu onder koning Rechabeam van Davids dynastie tevens de stam Benjamin omvatte, stond op het punt tegen de natie IsraŽl, de tien stammen geleid door EfraÔm en Manasse, ten strijde te trekken.
Laten wij nu kijken naar bijbels bewijs dat het tienstammige volk dat IsraŽl heet en waarvan profetisch vaak sprake is als EfraÔm, geen Joden zijn en nooit Joden waren!
Vergeet niet dat het woord 'Jood' niets anders is dan een bijnaam van 'Juda'. Vandaar dat het uitsluitend van toepassing is op deze ene natie, het Huis Juda, nooit op het Huis IsraŽl.
Een volledige concordantie geeft te kennen dat de eerste maal dat in de Bijbel het woord 'Jood' voorkomt 2 Koningen 16:6 is (zie Statenvertaling). Nergens eerder in de Bijbel komt de naam 'Jood' voor!
Achaz begon als koning van Juda te regeren (vers 1). Hij zat op Davids troon (vers 2). Toentertijd was een zekere Pekah koning van IsraŽl. Koning Pekah van IsraŽl sloot een verbond met Rezin, de koning van SyriŽ, tegen Juda en samen trokken de geallieerde legers van IsraŽl en SyriŽ tegen Jeruzalem op. Zij belegerden koning Achaz van Juda, maar konden hem niet overwinnen (vers 5).
Vers 6 [Statenvertaling]  Te dierzelfder tijd bracht Rezin, de koning van Syrie, Elath weder aan Syrie, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriers kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op dezen dag.
Waar het woord 'Jood' in de Bijbel voor het eerst wordt gebruikt, zien wij IsraŽl in oorlog met de Joden!
Wie verdreef de Joden uit Elath? De bondgenoot van koning Pekah van IsraŽl! Het leger dat met IsraŽl tegen Juda streed. En de nakomelingen van Juda die in de stad Elath woonden, worden Joden genoemd op een wijze die hen onderscheidt van het Huis IsraŽl waarmee de Joden in oorlog waren! Tracht de betekenis hiervan goed in te zien!
Als voor het eerst in de Bijbel de naam Jood verschijnt, zijn de Joden in oorlog met IsraŽl! Zij vormden immers een andere natie. Individueel zijn zij IsraŽlieten. Als natie echter dragen zij niet de naam Huis IsraŽl.
Het is onjuist om de tegenwoordige Joden 'IsraŽl' te noemen. Zij vormen niet de natie IsraŽl, zij zijn Juda! En vergeet niet dat, waar IsraŽl zich vandaag ook moge bevinden, IsraŽl als naam van een natie niet Jood betekent! Wat de Verloren Tien Stammen van IsraŽl vandaag ook mogen zijn, Joden zijn het niet! Waar u ook de naam 'IsraŽl', of 'huis IsraŽls', of 'Samaria', of 'EfraÔm' in de profetieŽn ziet staan, houd in gedachten: het verwijst nooit naar de Joden, maar naar IsraŽl, dat met de Joden in oorlog was!

Huis IsraŽl niet Joods

Op geen enkele plaats in de hele Bijbel verwijst het woord 'IsraŽl' uitsluitend naar de Joden. Wanneer de betekenis niet nationaal, maar individueel is, kan 'IsraŽl', of 'de kinderen IsraŽls', of 'mannen van IsraŽl' tevens op de Joden betrekking hebben. Een uitdrukking als 'mannen van IsraŽl' bijvoorbeeld, die in het Nieuwe Testament herhaaldelijk voorkomt, verwijst naar individuele IsraŽlieten gezamenlijk, niet naar de natie. Meestal verwijst het naar Joden als individuele afstammelingen van de aartsvader IsraŽl (Jakob).
Mozes is, bijbels gezien, geen Jood. Hij was een Leviet. Abraham was geen Jood. En ook Isašk en Jakob niet, evenmin trouwens als Adam of Noach. De afstammelingen van de aartsvader Juda zijn qua ras Joden en ook allen die zich als volk met de stam Juda hebben verbonden, degenen van de stammen Benjamin en Levi, worden Joden genoemd.
Joden zijn IsraŽlieten, zoals CaliforniŽrs Amerikanen zijn. Maar de meeste IsraŽlieten zijn geen Joden, zoals de meeste Amerikanen geen CaliforniŽrs zijn. De Joden vormen uitsluitend het Huis Juda, dat slechts een deel van de IsraŽlieten is. Maar wanneer van deze mensen sprake is als naties en niet als individuen, verwijst 'IsraŽl' nooit naar de Joden. 'Huis IsraŽls' betekent nooit 'Joden'. Alleen de drie stammen in Jeruzalem onder de Davidische koning heten het Huis Juda.
Maar van EfraÔm en Manasse, de zonen van Jozef, had de stervende IsraŽl gezegd: "Dat in hen mijn naam genoemd worde" (Genesis 48:16; Statenvertaling). En inderdaad dragen zij nu de naam IsraŽl.
Sindsdien heet de stam Juda, met Benjamin en de stam Levi, 'Juda' niet IsraŽl. De tien stammen, met aan het hoofd EfraÔm en Manasse, heten voortaan 'IsraŽl'. Zij zijn geen Joden en werden nooit Joden genoemd! Vanaf die tijd zijn de IsraŽlieten, in totaal twaalf stammen, in twee naties verdeeld!
En nu gaat, voor het eerst, het eerstgeboorterecht naar ťťn natie, IsraŽl, geleid door EfraÔm en Manasse, terwijl de scepter in een andere natie, het 'Huis Juda', blijft. De twee stadia van de beloften aan Abraham zijn nu verdeeld tussen twee geheel afzonderlijke naties!
Gedurende vele generaties blijven IsraŽl en Juda als afzonderlijke naties, met aangrenzende grondgebieden en elk met een eigen koning, naast elkaar voortbestaan. Waarom zouden predikanten en theologen hierover in onwetendheid moeten verkeren, als vier boeken van de Bijbel, 1 en 2 Koningen en 1 en 2 Kronieken, eraan gewijd zijn dit te verklaren en de geschiedenis hebben vastgelegd van de twee afzonderlijke, rivaliserende koninkrijken? Bekijk de landkaarten achterin een bijbel. Die geven duidelijk het territorium van elk der twee naties aan.
Juda behield de stad Jeruzalem als hoofdstad en het gebied dat als Judea bekend is. IsraŽl bezat het gebied ten noorden van Judea. Samaria werd de hoofdstad en in de profetieŽn wordt het Huis IsraŽl dikwijls 'Samaria' genoemd. Ook dit is een belangrijke 'sleutel' tot begrip van de profetieŽn. 'Samaria' verwijst in de profetieŽn nooit naar de Joden maar altijd naar de tien stammen, het Huis IsraŽl.
Wij willen er hier nadrukkelijk op wijzen dat IsraŽl en Juda niet twee namen voor dezelfde natie zijn. Het waren en zijn nog steeds, twee afzonderlijke naties en ze zullen dat tot de wederkomst van Christus blijven. Het 'Huis Juda' betekent altijd 'Jood'. Dit onderscheid is uiterst belangrijk als wij de profetieŽn willen begrijpen. Daar de meeste zogenaamde bijbelgeleerden omtrent dit essentiŽle onderscheid in onwetendheid verkeren, zijn zij niet in staat om de profetieŽn goed te begrijpen!
Wanneer het woord 'Jood' in de Bijbel opnieuw wordt genoemd, is het Huis IsraŽl in ballingschap gedreven, uit het oog verloren en het woord is uitsluitend op degenen van het Huis Juda van toepassing.

IsraŽl verwerpt Gods heerschappij

Onmiddellijk nadat hij koning over het Huis IsraŽl geworden was, richtte Jerobeam (van de stam EfraÔm) twee gouden kalveren op, waarmee hij de afgodendienst in het koninkrijk introduceerde.
1 Koningen 12:28  Toen overlegde de koning en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o IsraŽl, die u uit het land Egypte hebben geleid. 30  En dit werd een oorzaak tot zonde. Zelfs was het volk voor het ene beeld uitgelopen tot Dan toe. 31  Verder maakte hij tempels op de hoogten, en stelde priesters aan uit alle kringen van het volk, die niet tot de Levieten behoorden. 32  Ook voerde Jerobeam een feest in voor de achtste maand, voor de vijftiende dag dier maand, overeenkomstig het feest in Juda, en hij besteeg het altaar. Zo deed hij te Betel en offerde aan de kalveren die hij gemaakt had. Daarbij liet hij telkens de priesters der hoogten, die hij aangesteld had, in Betel optreden. 33   Toen hij het altaar bestegen had, dat hij te Betel gemaakt had (op de vijftiende dag in de achtste maand, in de maand die hij eigener beweging had uitgekozen om voor de IsraŽlieten een feest in te stellen) toen hij dan het altaar bestegen had om het offer te ontsteken.
Jerobeam was bang dat zijn onderdanen, als zij eenmaal per jaar in de zevende maand voor het Loofhuttenfeest naar Jeruzalem zouden gaan, tot Rechabeam zouden terugkeren en hij dan zijn nieuwe troon zou kwijtraken. De invoering van afgoderij was bedoeld om dit te voorkomen door de mensen thuis te houden.
Deze afgoderij, die met het overtreden van de sabbat gepaard ging (EzechiŽl 20:10-24), was de grote nationale zonde die voor IsraŽl zo'n vloek is geworden. Generatie op generatie drong God er bij het Huis IsraŽl op aan zich van de traditie – van de wegen van hun vaderen – af te wenden en tot het houden van Gods geboden terug te keren. Maar tijdens negen verschillende dynastieŽn en onder 19 koningen ging IsraŽl met deze nationale zonden voort, zonden die in Gods ogen zo groot zijn dat God er tenslotte voor zorgde dat IsraŽl werd veroverd en in ballingschap ging.
Wij zullen nu een passage citeren die altijd verkeerd wordt geÔnterpreteerd. In 1 Koningen 14:15-16 lezen wij:
1 Koningen 14:15  Dan zal de Here IsraŽl [niet Juda] slaan, zodat het wiegelt als riet in het water en Hij zal IsraŽl wegrukken van deze goede grond die Hij hun vaderen gegeven heeft, en Hij zal hen [niet Juda] aan de overzijde van de Rivier verstrooien, omdat zij hun gewijde palen gemaakt, en daardoor de Here gekrenkt hebben. 16  Ja, Hij zal IsraŽl [niet Juda] prijsgeven wegens de zonden die Jerobeam bedreven heeft, en die hij IsraŽl heeft doen bedrijven.
Dit gaat specifiek over de gevolgen van Jerobeams afgodendienst in IsraŽl, in het noordelijke tienstammige koninkrijk dat de eerstgeboorterechtbeloften bezat. Het is dit volk dat ontworteld en aan de overzijde van de rivier verstrooid zou worden. Niet de Joden. Toch wordt deze passage door bijna alle profetiekenners aangehaald als slaande op de huidige toestand van verstrooiing van de Joden, precies het volk waarop ze niet van toepassing is. Dit is slechts ťťn voorbeeld van het feit dat wat wij hier behandelen een werkelijke sleutel is tot begrip van vele lang verborgen profetieŽn. Alleen indien men dit onwrikbaar in gedachten houdt, kan men de profetieŽn begrijpen.
De mensen van wie deze passage zegt dat zij weggerukt en aan de andere kant van de rivier verstrooid zouden worden, werden nooit Joden genoemd. Het waren de mensen die geleid werden door EfraÔm en Manasse, de bezitters van de onvoorwaardelijke beloften een grote natie en een groep naties te worden. Zij zouden zo talrijk worden dat zij honderden miljoenen mensen zouden tellen; zij zouden de poorten van vijandelijke landen bezitten; zij zouden een koloniserend volk worden, dat zich zou verspreiden tot hun koloniŽn zich overal op de hele aardbol zouden bevinden.
Velen die dit onderscheid tussen IsraŽl en Juda – het verschil tussen Joden en de andere stammen – zijn gaan inzien, vallen, nadat zij dit als een groot nieuw licht hebben waargenomen, desondanks, door de macht van jarenlange gewoonte, weer in de oude sleur terug en passen teksten die naar IsraŽl verwijzen toe op de Joden!
De uitdrukkingen 'huis IsraŽls' of 'geheel IsraŽl', als de natie wordt bedoeld, of de uitdrukkingen 'Jakob', of 'Rachel', of 'EfraÔm', of 'huis van Jozef', of 'Samaria', die allemaal vaak in de profetieŽn van de Bijbel worden gebruikt, betreffen het tienstammige volk van het geboorterecht, niet de Joden. Dit is een sleutel, en een zeer belangrijke sleutel, tot bijbels begrip!

IsraŽl verdreven en verdwenen

In de jaren 721-718 v.Chr. werd het Huis IsraŽl veroverd en de bevolking uit het eigen land, uit hun huizen en steden, verdreven en in ballingschap naar AssyriŽ gevoerd, naar de zuidelijke kusten van de Kaspische Zee! En vervolgens ... verdwenen zij uit het zicht!
2 Koningen 17:18  Daarom was de Here zeer vertoornd geworden op IsraŽl en had hen van voor zijn aangezicht verwijderd: niets bleef er over dan alleen de stam van Juda.
Wie werd door de Eeuwige verwijderd? IsraŽl! Het is IsraŽl dat werd verwijderd en van voor het aangezicht van de Eeuwige verdreven, totdat zij uit het zicht waren verdwenen.
Wie bleef er over? Alleen Juda – alleen de Joden! IsraŽl was verdwenen! Zij werden bekend als de Verloren Tien Stammen en worden vandaag als zodanig aangeduid.

Heidenen in de plaats van het Huis IsraŽl

Let nu op 2 Koningen 17:22-23:
2 Koningen 17:22  zodat de IsraŽlieten wandelden in al de zonden die Jerobeam begaan had; zij weken daarvan niet af, 23  totdat de Here IsraŽl van voor zijn aangezicht verwijderde, zoals Hij gesproken had door al zijn knechten, de profeten. En IsraŽl [niet Juda – niet de Joden] werd uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur, tot op de huidige dag [geschreven rond 620 v.Chr.].
Merk op dat het volk dat de nationale naam 'IsraŽl' droeg en de beloften van het eerstgeboorterecht had en dat niet uit Joden bestond, uit hun eigen land, Samaria, werd weggevoerd. Zij verlieten dat land – en zijn er tot op heden nooit teruggekeerd!
Nu het volgende vers van dezelfde passage:
Vers 24   De koning van Assur bracht mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en SefarwaÔm en deed hen wonen in de steden van Samaria in plaats van de IsraŽlieten. Zij namen Samaria in bezit en vestigden zich in de steden daarvan.
Het waren deze vreemdelingen die in de tijd van Christus in het land Samaria woonden en die in de evangeliŽn Samaritanen worden genoemd. Het is goed om dit in gedachten te houden. Want de Samaritanen van het Nieuwe Testament waren in geen enkel opzicht een met de IsraŽlieten vermengd ras. Van de verbannen IsraŽlieten keerde slechts ťťn persoon, een priester, terug om de daar geplante heidenen in de verbasterde godsdienst van IsraŽl te onderwijzen (2 Koningen 17:27-28).
Deze mensen uit het land Babylon volgden God echter niet, noch Gods wegen en Zijn godsdienst. De volgende verzen tonen dit aan:
Vers 29   Daarnaast maakte elk volk zijn eigen goden, en zij plaatsten die in de tempels op de hoogten, welke de Samaritanen hadden gebouwd, elk volk voor zich, in de steden waar zij woonden: 30  de mensen van Babel maakten een beeld van Sukkot-benot, de mensen uit Kuta van Nergal, de mensen uit Hamat van Asima, 31  en de Awwieten van Nibchaz en Tartak. De Sefarwieten verbrandden hun kinderen voor Adrammelek en Anammelek, de goden van SefarwaÔm.
De algemene staatsgodsdienst van de AssyriŽrs en de BabyloniŽrs was de Chaldeeuwse mysteriŽnreligie. Dit was de godsdienst van Simon de tovenaar (Handelingen 8), die in de wonderen van Filippus geloofde, zich de naam 'christen' toe-eigende, en een nieuw, vervalst 'christendom' begon, nadat de apostel Petrus hem had afgewezen als "een warnet van ongerechtigheid" – d.w.z. van wetteloosheid. Hij nam de naam Christus, verwierp Gods wet en voegde een losbandige valse 'genade' toe aan de Babylonische mysteriŽnreligie en noemde deze 'christendom'. Tot in deze huidige boosaardige generatie heeft dit valse 'christendom' miljoenen mensen misleid!
Meer details over de ballingschap van IsraŽl zijn te vinden in 2 Koningen 18:9-12 en 17:5-18. Voor het Huis IsraŽl begon een lange periode zonder koning (Hosea 3:4). Omdat zij het volk zijn met de naam "IsraŽl", zijn zij het, en niet Juda, die hun identiteit verloren!

IsraŽl, niet Juda, is 'verdwenen'

De Bijbel zegt ons ondubbelzinnig dat IsraŽl zijn identiteit, zijn taal, zijn godsdienst, zijn land en zijn naam zou verliezen.
In Deuteronomium 32:26 had God hen door Mozes gewaarschuwd:
Deuteronomium 32:26 [Statenvertaling]  Ik zeide: In alle hoeken zoude Ik hen verstrooien; Ik zoude hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden.
Deze waarschuwing kan niet op de Jood worden toegepast! De gedachtenis aan de Joden is niet opgehouden. De gedachtenis aan hen kan niet ophouden, tenzij hun identiteit en hun naam verloren gaan. Dit is op de verloren stammen van toepassing, niet op de Joden.
Lees nu Jesaja 8:17:
Jesaja 8:17  En ik zal wachten op de Here, die zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, ja, op Hem zal ik hopen.
Jakobs naam was veranderd in IsraŽl. Met andere woorden, dit is van toepassing op het Huis IsraŽl, het tienstammige koninkrijk, dat van de tegenwoordigheid van God werd afgesneden. Bijgevolg verloren zij de kennis van de ware God en de ware religie.
De Eeuwige zou niet meer in hun eigen Hebreeuwse taal tot hen spreken, maar "in een vreemde tongval [taal] zal [Hij] tot dit volk spreken" (Jesaja 28:11). Dit kan niet op de Joden slaan, zij lezen hun bijbel immers nog altijd in het Hebreeuws.
Jesaja 62:2  Volken zullen uw heil zien, alle koningen uw heerlijkheid [nadat Christus is teruggekeerd] en men zal u noemen met een nieuwe naam, die de mond des Heren zal bepalen.
Hoewel deze profetie rechtstreeks naar de toekomst verwijst, naar de tijd nadat Christus is teruggekeerd, is dit ook in typische zin in vervulling gegaan, als voorafschaduwing van die toekomstige tijd, door het feit dat IsraŽl in de huidige tijd onder een andere naam bekend is. Dit slaat niet op de Joden. Zij waren en zijn bekend als Joden.

IsraŽl nooit teruggekeerd

Het Huis IsraŽl keerde in de dagen van Ezra en Nehemia niet samen met de Joden naar Palestina terug, zoals sommigen ten onrechte geloven. Degenen die 70 jaar na Juda's wegvoering terugkeerden om in Jeruzalem de Tempel te herbouwen en de eredienst te herstellen, waren uitsluitend mensen van het Huis Juda dat door Nebukadnezar naar Babylon was weggevoerd.
Let goed op de volgende feiten:
1) In de jaren 721-718 v.Chr. werd IsraŽl "uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur" (2 Koningen 17:23). Spoedig waren zij allen verwijderd – geheel. "Niets bleef er over dan alleen de stam van Juda" (2 Koningen 17:18). Juda alleen bleef achter.
2) Meer dan 130 jaar later voerde Nebukadnezar van Babylon de Joden – Juda – die als enigen in Palestina waren achtergebleven, weg naar Babylon.
3) Degenen die naar Palestina terugkeerden om er 70 jaar na Juda's wegvoering de Tempel te herbouwen en de eredienst te herstellen, waren allemaal van het Huis Juda – allen waren Joden – allen behoorden tot hen die door Nebukadnezar waren weggevoerd. Zij keerden terug "naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn stad" (Ezra 2:1).
Degenen die toen terugkeerden waren alleen van de stam Juda, samen met een aantal van de stammen Benjamin en Levi die gezamenlijk het Huis Juda vormden. "Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de priesters en de Levieten, zich gereed" (Ezra 1:5).
Er zijn vanzelfsprekend mensen die deze waarheid, die God nu, in onze tijd, heeft willen openbaren, verwerpen en zij doen het ten onrechte voorkomen alsof alle IsraŽlieten, met inbegrip van het tienstammige Huis IsraŽl, in de tijd van Ezra en Nehemia naar Jeruzalem terugkeerden.
Zij speuren naar bijbelplaatsen waar het woord 'IsraŽl' wordt gebruikt in verband met individuele personen van het Huis Juda en stellen deze dan ten onrechte voor als het Huis IsraŽl. Laten wij nog eens met nadruk herhalen: Joden zijn IsraŽlieten, maar slechts een deel van de IsraŽlieten zijn Joden. De term 'Jood' is een bijnaam voor de nationale naam Juda. Joden zijn inderdaad mannen van IsraŽl, of mensen van IsraŽl, maar zij behoren niet tot de natie die het Huis IsraŽl, of het koninkrijk IsraŽl wordt genoemd.
Zij die weigeren deze waarheid te aanvaarden slaan passages op zoals deze:
Nehemia 11:20  Het overige IsraŽl, de priesters, de Levieten, woonde in al de steden van Juda, ieder in zijn erfdeel.
Omdat het woord 'IsraŽl' wordt gebruikt, beweren zij dat dit alle twaalf stammen zijn. Maar er is specifiek sprake van priesters en Levieten en die behoren tot het Huis Juda, niet tot het tienstammige Huis IsraŽl. Zij vormden inderdaad "het overige IsraŽl" – het "overige" van de twaalf stammen; al waren zij ook IsraŽlieten, zij behoorden niet tot de natie met de naam IsraŽl. Zij keerden terug tot hun erfdeel in het land Juda.
Nehemia zegt duidelijk:
Nehemia 7:6  Dit zijn de bewoners van het gewest, die optrokken uit het midden van de in ballingschap [de ballingschap naar Babylon, de ballingschap van Juda, niet die van het Huis IsraŽl] weggevoerden, welke Nebukadnessar, de koning van Babel, had weggevoerd, en die terugkeerden naar Jeruzalem en naar Juda, ieder naar zijn stad.
Ezra zegt:
Ezra 6:16  Toen vierden de IsraŽlieten, de priesters, de Levieten en de overigen die in de ballingschap geweest waren, de inwijding …
Dit waren mensen van het koninkrijk Juda, niet van het koninkrijk IsraŽl, al waren zij "kinderen IsraŽls".
In Ezra en Nehemia worden de namen en genealogieŽn gegeven van hen die uit Babylon naar Palestina teruggingen en daar was niemand van de Tien Stammen bij! Het Huis IsraŽl werd bekend als de verloren Tien Stammen! Zij zijn nu bekend onder een andere naam en spreken een andere taal!
Onder welke naam zijn zij tegenwoordig bekend? Wie zij ook zijn, waar zij ook zijn, zij zijn het die het eerstgeboorterecht bezitten en niet de Joden. Zij zijn het, niet de Joden, die, na het beŽindigen van hun straftijd in de jaren 1800-1803, de onverbrekelijke beloften aan Abraham van nationale grootheid, rijkdom, welvaart en macht moesten beŽrven. Manasse zou 's werelds machtigste natie worden; EfraÔm zou een machtig gemenebest van naties worden! Wie zouden het in deze tijd zijn?

 

Hoofdstuk VII 

JEREMIA'S MYSTERIEUZE OPDRACHT

Wij komen nu aan een der meest fascinerende en boeiende fasen in deze merkwaardige geschiedenis van IsraŽl – de verbindende schakel zelfs tussen de profetieŽn en de vervulling daarvan in onze tegenwoordige tijd – desalniettemin door de theologen totaal onopgemerkt.
Nadat het Huis IsraŽl, het noordelijke koninkrijk met als hoofdstad Samaria, in 721-718 v. Chr. in Assyrische ballingschap was gedreven, bleef in het zuidelijke deel van Palestina, dat als Judea bekend staat, het koninkrijk Juda voortbestaan. In die tijd had Juda, als natie, nog niet de regering en religie van God verworpen. God had Zijn verbond met David bestendigd. Davids dynastie was op de troon gebleven en over een deel der IsraŽlieten, het Huis Juda de Joden, blijven regeren.
Maar nadat IsraŽl uit het zicht was verdwenen, keerde Juda zich van de wegen en de regering van God af en volgde de gewoonten van de heidense naties, daarbij nog erger zondigend dan IsraŽl, tot de Eeuwige uiteindelijk ook Juda in nationale ballingschap en slavernij dreef.
Vůůr Juda's afvalligheid had God door de profeet Hosea gezegd:
Hosea 4:15  Indien gij, o IsraŽl, al ontucht bedrijft, laat dan toch Juda geen schuld op zich laden! Maar later zei de Eeuwige tot Jeremia:
Jeremia 3:6  De Here zeide tot mij ten tijde van koning Josia: Hebt gij gezien, wat Afkerigheid, IsraŽl, gedaan heeft? Zij placht heen te gaan op elke hoge berg en onder elke groene boom om daar ontucht te plegen.  7  En Ik zeide, nadat zij dit alles gedaan had: Keer weder tot Mij; maar zij keerde niet weder; en dit zag haar zuster, Trouweloze, Juda. 8  Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, IsraŽl, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde; 9   en door haar lichtvaardig gepleegde ontucht ontwijdde zij het land; ja, zij bedreef overspel met steen en met hout. 10  En boven dit alles bekeerde haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet tot Mij met haar gehele hart, maar alleen in schijn, luidt het woord des Heren. 11  En de Here zeide tot mij: Afkerigheid, IsraŽl, heeft zich gerechtvaardigd boven Trouweloze, Juda.
Hier wordt nogmaals zeer duidelijk gemaakt dat de 12 stammen van IsraŽl in twee volkomen onafhankelijke naties waren verdeeld. En toch worden deze duidelijke bijbelteksten miskend door tegenstanders van de waarheid die in het onderhavige boek wordt geopenbaard en zij pogen hen die haar openbaren in diskrediet te brengen.
Zie nu hoe Juda (de Joden), meer dan 130 jaar na IsraŽls wegvoering, eveneens uit zijn land werd verwijderd. Als slaven werden de Joden naar Babylon gebracht niet naar AssyriŽ, waarheen IsraŽl was overgebracht.
2 Koningen 23:27  En de Here zeide: Ook Juda zal Ik van mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik IsraŽl verwijderd heb; en versmaden zal Ik deze stad die Ik verkoren heb, Jeruzalem, en het huis waarvan Ik gezegd heb: Mijn naam zal daar zijn.
En zo brak de tijd aan, meer dan 130 jaar na IsraŽls wegvoering, dat God ook de Joden uit hun land in nationale ballingschap en slavernij liet verdrijven.

Jeremia's opmerkelijke opdracht

In verband met dit plan verwekte God een zeer bijzondere profeet, wiens werkelijke roeping en opdracht slechts door heel weinig mensen worden begrepen. Deze profeet was Jeremia. Jeremia speelde in deze ballingschap een opmerkelijke en weinig bekende rol.
Iets van het belang van deze opdracht kan worden opgemaakt uit dit gewichtige feit: de Bijbel noemt slechts drie mensen die ten behoeve van hun ambt nog vůůr hun geboorte werden geheiligd en van deze drie was Jeremia de eerste. De andere twee waren Johannes de Doper en Jezus Christus!
De Eeuwige sprak voor het eerst tot Jeremia toen hij nog een jonge man was. Tegen de tijd dat zijn opdracht voltooid was, was hij een oude, eerbiedwaardige patriarch.
Deze belangrijke, hoewel weinig bekende roeping en opdracht worden in de openingsverzen van het eerste hoofdstuk van het boek Jeremia beschreven:
Jeremia 1:5  Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld.
Maar Jeremia was bang en geschrokken!
Vers 6   Doch ik zeide: Ach, Here Here, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. 7  De Here echter zeide tot mij: Zeg niet, ik ben jong, want tot een ieder, tot wie Ik u zend, zult gij gaan, en alles wat Ik u gebied, zult gij spreken. 8  Vrees niet voor hen, want Ik ben met u om u te bevrijden, luidt het woord des Heren.
Vervolgens strekte de Eeuwige Zijn hand uit en raakte Jeremia's mond aan.
Vers 9   Toen strekte de Here zijn hand uit en roerde mijn mond aan, en de Here zeide tot mij: Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond; 10  merk op, Ik stel u heden over de volken en de koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten.
Of, zoals deze overweldigende opdracht verwoord zou kunnen worden: "om te ontwortelen en neer te halen, om te verwoesten en omver te werpen, om te bouwen en te planten".
Merk op dat Jeremia over volken, over meer dan ťťn koninkrijk, werd gesteld. Hij was een Joodse jonge man die in Juda woonde. Hij werd tot profeet over Juda gesteld, maar niet over Juda alleen. Over volken, over koninkrijken! Hij werd over deze koninkrijken gesteld om twee dingen te doen: ten eerste, om "uit te rukken'; of te 'ontwortelen', om te "verdelgen" of 'omver te werpen', en ten tweede, om te bouwen en te planten.

Vandaag niet bekend

Sla het op in uw eigen bijbel! Jeremia werd als profeet door God gebruikt om de natie Juda voor hun overtredingen van Gods regering en wegen te waarschuwen. Hij werd uitgezonden om dit opstandige volk te waarschuwen voor een dreigende bestraffing: invasie en verovering door de Chaldeeuwse legers, tenzij zij hun schuld erkenden en hun wegen wijzigden. Hij werd gebruikt als tussenpersoon, als bemiddelaar, tussen de koningen van Juda en Babylon.
Bekend is dat Jeremia werd gebruikt bij het waarschuwen van Juda tegen de dreigende ballingschap en bij het neerhalen of omverwerpen van de troon van David in het koninkrijk Juda.
Het is algemeen bekend dat het Huis Juda door de legers van koning Nebukadnezar werd veroverd; dat de Joden gevankelijk naar Babylon werden gevoerd; dat zij als koninkrijk ophielden te bestaan; dat er niet langer een heerser uit de dynastie van David op de troon van het koninkrijk Juda zat.
Wat betekent dit nu? Vergat God tenslotte toch Zijn verbondsbelofte aan David, dat Davids dynastie nooit zou ophouden te bestaan, dat Davids troon in Salomo werd bevestigd om voor eeuwig door alle generaties te blijven voortduren? Was de Almachtige God vergeten dat Hij had gezworen deze belofte niet te zullen wijzigen, ook al zouden de koningen en het volk opstandig zijn en zondigen? De betrouwbaarheid van GOD staat op het spel. De inspiratie van de Bijbel als Zijn geopenbaarde woord staat op het spel!
Maar let wel! Lees het in uw eigen bijbel! Jeremia kreeg de goddelijke opdracht om de troon van David in Juda neer te halen en omver te werpen, maar let op de tweede helft van de opdracht: om te bouwen en te planten! Om wat te bouwen en te planten?
Welnu, vanzelfsprekend dat wat hij uit Juda moest 'ontwortelen': de troon van David die God had gezworen voor eeuwig in stand te houden! Jeremia werd niet slechts over ťťn natie, Juda, gesteld, maar over naties. Over de koninkrijken: zowel het koninkrijk IsraŽl als Juda!
Hij werd gebruikt om deze troon uit Juda te 'ontwortelen'. Wat was dan Jeremia's opdracht in IsraŽl? Let op de tweede helft van zijn merkwaardige en weinig begrepen opdracht: bouwen en planten!
Voor zover de wereld weet was de laatste koning die op de troon van David zat Zedekia van Juda. In het jaar 585 v. Chr. – bijna 600 jaar voordat Christus werd geboren! – werd Zedekia van de troon gestoten en werd de troon uit Juda ontworteld.
Wat gebeurde er met deze troon? Waar was deze troon tussen 585 v. Chr. en de tijd van Christus, 600 jaar later? Wij weten dat Jeremia hem niet in Babylon plantte en herbouwde. God had beloofd dat Davids troon gedurende alle generaties over IsraŽlieten, niet over heidenen, zou regeren. De geschiedenis van het voortduren van de heidense troon in Babylon is bekend.
Davids troon werd nooit meer onder de Joden geplant of gebouwd! Ten tijde van Christus regeerde deze troon niet over de Joden. De Joden stonden toen onder Romeinse heerschappij. Jezus heeft geen enkele troon bestegen. De troon functioneerde niet in Juda, hij bestond niet op die plaats of bij dat volk, hij bestond daar niet opdat Jezus hem zou overnemen. Bovendien zei Jezus ondubbelzinnig dat Zijn Koninkrijk niet van deze huidige eeuw is! Toch werd Hij geboren om op deze troon van Zijn vader David plaats te nemen (Lukas 1:32)!
Maar deze troon moest in goddelijke opdracht door de profeet Jeremia – nog tijdens diens leven – worden geplant en herbouwd! Jeremia werd over zowel Juda als IsraŽl gesteld. Om gebruikt te worden bij de ontworteling van Davids troon uit Juda. Maar ook: om te planten en te bouwen, noodzakelijkerwijze dus in het Huis IsraŽl, dat al "vele dagen zonder koning" was – in het verloren IsraŽl dat zichzelf inmiddels als heidens zag! Daarom moeten de identiteit en plaats van het herplanten tot onze huidige tijd van het einde voor de wereld verborgen blijven.

Het neerhalen van de troon

Leven en werk van Jeremia vormen een zeer fascinerend verhaal. De eerste hoofdstukken van het boek Jeremia zijn gewijd aan zijn ambt van het aankondigen van de komende ballingschap van de Joden. Hij waarschuwde de koningen, de priesters, profeten en de bevolking van Juda en bracht hun Gods boodschap. Zij wierpen hem in de gevangenis en zij weigerden God te gehoorzamen. Vervolgens bracht God hun ballingschap teweeg.
Het is algemeen bekend dat Babylon Juda in drie verschillende fasen veroverde. In 604 v. Chr. vond het eerste beleg plaats. Het land ging echter niet geheel in de handen van deze heidense BabyloniŽrs over; dit gebeurde pas een volledige tijdcyclus van 19 jaar later, ofwel in 585 v. Chr. Het aandeel van Jeremia in deze ballingschap kunt u lezen in het boek Jeremia.
Maar let nu op een interessant feit. De laatste koning die volgens zowel de Bijbel als de seculiere geschiedschrijving op de troon van David zat, was koning Zedekia van Juda. Houd zijn naam in gedachten. Nu lezen wij 2 Koningen 24:18:
2 Koningen 24:18  Sedekia was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde elf jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal; zij was een dochter van Jirmeja, uit Libna.
Nu volgt in het kort een beschrijving van het uiteindelijke neerhalen en ontwortelen van deze troon van David:
Jeremia 39:1  In het negende jaar van Sedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, was Nebukadressar, de koning van Babel, met zijn gehele leger naar Jeruzalem gekomen om het te belegeren; 2  in het elfde jaar van Sedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd een bres in de stad geslagen; 3  toen trokken al de vorsten van de koning van Babel binnen en vatten post in de Middenpoort, Nebusazban, de hofmaarschalk, Nergal-sareser, de bewindvoerder, en al de overige vorsten van de koning van Babel. 4  Toen Sedekia, de koning van Juda, en al de krijgsbenden hen zagen, namen zij de vlucht en verlieten de stad bij nacht in de richting van de koninklijke tuin, de poort tussen de beide muren door, en zij trokken weg in de richting van de Vlakte. 5  Maar het leger der ChaldeeŽn zette hen na, en zij achterhaalden Sedekia in de vlakten van Jericho; zij namen hem gevangen en brachten hem naar Nebukadressar, de koning van Babel, te Ribla in het land van Hamat, en deze velde vonnis over hem. 6  De koning van Babel bracht de zonen van Sedekia voor diens ogen in Ribla ter dood; ook al de edelen van Juda bracht de koning van Babel ter dood; 7  en hij liet de ogen van Sedekia verblinden en boeide hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren.
In het 52e hoofdstuk, in de eerste 11 verzen, lezen wij een vrijwel gelijkluidend verslag van dezelfde gebeurtenissen met de toevoeging: "… en zette hem [Zedekia] in de gevangenis tot de dag van zijn dood."
Deze passages brengen de volgende punten aan het licht:
1) De koning van Babylon doodde alle zonen van Zedekia die erfgenaam van de troon van David waren.
2) Tevens doodde hij alle edelen van Juda, opdat er geen enkele mogelijke troonopvolger meer zou zijn.
3) Tenslotte werd koning Zedekia die op Davids troon zat, nadat zijn ogen waren uitgestoken, zelf naar Babylon gevoerd, waar hij in de gevangenis is gestorven.
4) Aldus, zo schijnt het en zo gelooft iedereen, kwam er een einde aan de troon van David; er waren geen mogelijke erfgenamen, of zonen, om de dynastie in stand te houden. Zeker is dat vanaf die dag de troon nooit meer in Juda, in Jeruzalem, of onder de Joden heeft bestaan!

Wat gebeurde er met Jojakin?

In die tijd zat een vroegere koning van Juda in Babylon in een kerker en deze had zonen die Davids dynastie konden voortzetten. De vroegere koning Jojakin (Jechonja), die geketend naar Babylon was gevoerd, werd in het 37e jaar van zijn ballingschap in ere hersteld (zie 2 Koningen 25:27-30). Hij kreeg zelfs de titel 'koning', tezamen met een groot aantal andere gevangen vazal-'koningen'.
Een van Jojakins zonen was SealthiŽl (SalathiŽl), die de vader was van Zerubbabel, de zoon van koninklijk zaad via wie Jezus Christus zelf Zijn koninklijke afstamming tot David terugvoert! (Mattheus 1:12.) En Zerubbabel was de man door wie God zorgde dat Cyrus, de koning van PerziŽ, een decreet uitvaardigde, waarbij hij hem het gouverneurschap, niet een koningskroon, gaf. Zeventig jaar na de wegvoering keerde deze naar Jeruzalem terug om er het Huis van God, de Tempel, te herbouwen.
Maar noch Jojakin noch een van zijn zonen of kleinzonen regeerde als koning in Juda! Waarom niet?
Als er een afstammeling van de lijn van David was die de ballingschap overleefde, waarom werd deze dan niet op de troon hersteld nadat hij naar Jeruzalem was teruggekeerd? Waarom niet? Eenvoudig omdat God het niet zou toestaan!
God is degene die koningen aanstelt en hen afzet! God had bepaald de kroon van David van de heersende lijn van Perez af te nemen en hem te plaatsen op het hoofd van een zoon van Zerach. Toch moest er een koninklijke lijn die op David teruggaat in Juda blijven, opdat Christus honderden jaren later als Davids nakomeling kon worden geboren. En bovendien moest God Zijn belofte aan David houden, dat het hem, David, nooit aan een afstammeling op de troon zou ontbreken! Vele ingewikkelde en fascinerende profetieŽn moesten worden uitgevoerd, waarvan sommige schijnbaar met elkaar in tegenspraak zijn. Een zware taak, een ontzagwekkende opdracht van God aan Jeremia!
Jeremia 22:24  Zo waar Ik leef, luidt het woord des Heren, al was Konjahu [Jojakin], de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan mijn rechterhand, toch zou Ik u daar afrukken!
God had besloten aan deze lijn koningen een einde te maken. Hij verwijderde de kroon, stond niet toe dat Jojakins zonen op Juda's troon zouden regeren! God hevelde de troon over naar een andere tak van Juda's nageslacht.
God zei met nadruk tot Jeremia:
Jeremia 22:30  Zo zegt de Here: Schrijf deze man in als kinderloos, een man die in zijn dagen geen geluk heeft, want het zal aan geen van zijn nakomelingen gelukken om te zitten op de troon van David en weer over Juda te regeren.
God sprak! Jeremia schreef! De geschiedenis werd ontworpen en voltrok zich zoals God had gezegd! Jojakin had kinderen. God zelf zorgde ervoor dat dit feit werd geregistreerd (zie 1 Kronieken 3:17; Mattheus 1:12), maar wat de troon van David aangaat was hij kinderloos, geen van zijn nakomelingen zat ooit op deze troon!
De kroon was verwijderd van de Perez-lijn, uit Juda ontworteld, alle onmiddellijke troonpretendenten waren gedood en Jojakin, die in een Babylonische gevangenis zat opgesloten, werd wat de troon aangaat op bevel van de Almachtige God als kinderloos ingeschreven!
Jeremia had toen het eerste deel van zijn grote opdracht voltooid. De troon was ontworteld, het koninkrijk volledig neergehaald. Juda begon aan zijn nationale straf!

Waarheen ging Jeremia?

Maar hoe ging het nu met het tweede deel van Jeremia's belangrijke opdracht?
Jeremia bevond zich bij de gevangengenomen Joden. Hij moest vrij zijn teneinde het tweede deel van zijn opdracht uit te voeren.
Dus:
Jeremia 39:11  Nu had Nebukadressar, de koning van Babel, aangaande Jeremia door middel van Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, deze order gegeven: 12  Neem hem onder uw hoede en doe hem generlei leed, maar handel met hem, zoals hij zelf tot u spreken zal.
Jeremia 40:2  De bevelhebber nu van de lijfwacht had Jeremia laten halen en had tot hem gezegd: De Here, uw God, heeft van deze rampspoed over deze plaats gesproken, 3  en de Here heeft hem doen komen en gedaan, zoals Hij gesproken had, omdat gij tegen de Here gezondigd hebt en niet naar zijn stem hebt gehoord: zo is u dit dan overkomen. 4   Nu dan, zie, ik heb u heden bevrijd van de boeien die om uw handen waren; indien het u behaagt met mij naar Babel te gaan, ga dan en ik zal mijn oog op u vestigen; doch indien het u mishaagt met mij naar Babel te gaan, zo laat het; zie, het gehele land ligt voor u; waarheen ook het in uw ogen goed en recht is te gaan, ga daarheen, 5  en keer terug naar Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel over de steden van Juda heeft aangesteld, en blijf bij hem onder het volk, of waarheen ook het recht is in uw ogen te gaan, ga daarheen. Daarop had de bevelhebber van de lijfwacht hem mondvoorraad en een geschenk [waarschijnlijk geld] gegeven en hem laten gaan.
Jeremia werd dus volkomen vrij gelaten om te doen wat hij wilde. Hij kreeg totale vrijheid, zodat hij de tweede helft van zijn opdracht zou kunnen vervullen. Waar ging hij heen?
Wij komen nu aan een wonderbaarlijk, fascinerend, boeiend gedeelte van het boek Jeremia, dat bijna geheel over het hoofd is gezien.
Vers 6   Zo kwam Jeremia tot Gedalja, de zoon van Achikam, te Mispa en bleef bij hem onder het volk dat in het land [Juda] was overgebleven.
Deze Gedalja nu was door de koning van Babylon aangesteld als gouverneur over een klein aantal in het land achtergebleven Joden en aangezien Jeruzalem was verwoest, had hij Mizpa tot zijn hoofdkwartier gemaakt. De koning van Ammon spande echter samen met een Jood, JismaŽl of IsmaŽl geheten, om Gedalja te vermoorden. Het plan werd uitgevoerd; de gouverneur en een deel van de Joden werden gedood. Jeremia behoorde tot de overlevenden.
Jeremia 41:10  Daarop voerde Jismael de gehele rest van het volk, die in Mispa was, gevankelijk weg, de dochters van de koning en al het volk dat te Mispa overgebleven was, waarover Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht [uit Babylon], Gedalja, de zoon van Achikam, had aangesteld; en Jismael, de zoon van Netanja, voerde hen gevankelijk weg en hij trok heen om naar de Ammonieten uit te wijken.
Aha! Zag u dat staan? Lees deze passage nog eens. Onder deze Joden bevonden zich de dochters van de koning! Dochters van Zedekia, de koning van Juda en van Davids dynastie!
Koning Zedekia stierf in de gevangenis in Babylon (Jeremia 52:11). Al zijn zonen waren gedood. Alle edelen van Juda waren gedood. Alle mogelijke erfgenamen van Zedekia van Davids troon waren gedood – behalve de dochters van de koning! Nu begrijpen wij waarom Jeremia naar Mizpa ging!

Jeremia ontsnapt

Spoedig werd JismaŽl door een zekere Jochanan als leider vervangen. En uit vrees voor represailles van Nebukadnezar en het Chaldeeuwse leger deden Jochanan en de oversten een beroep op de profeet:
Jeremia 42:2  en zij zeiden tot de profeet Jeremia: Laat toch onze smeking bij u gehoor vinden en bid voor ons tot de Here, uw God, voor dit gehele overblijfsel, want wij zijn als weinigen uit velen overgebleven, gelijk uw ogen ons aanschouwen; 3  dat de Here, uw God, ons te kennen geve, welke weg wij moeten gaan en wat wij moeten doen.
Zij waren als zoveel belijdende christenen van tegenwoordig. Zij komen naar Gods dienaar met de plechtige verzekering dat zij beslist Gods wil willen weten; zij beloven, zoals Jochanan en de zijnen, dat zij "naar de stem van de Here, onze God, [zullen] luisteren" (vers 6).
Maar meenden zij dat ook? Dergelijke mensen doen dat zelden. De menselijke natuur wil goed zijn, of denken goed te zijn, maar wil niet goed doen.
Het woord des Heren kwam tot Jeremia en Hij zei hun dat zij niet hoefden te vrezen, dat Hij hen zou beschermen en bevrijden. Het volk wilde echter naar Egypte vluchten. God waarschuwde hen dit niet te doen. Als zij dat deden, zou het zwaard van Nebukadnezar, waarvoor zij bang waren, hen daar overvallen en zij zouden sterven.
Vers 15   nu dan, hoort daarom het woord des Heren, gij overblijfsel van Juda, zo zegt de Here der heerscharen, de God van IsraŽl: Indien gij inderdaad uw aangezicht richt om naar Egypte te gaan en heengaat om daar te verblijven, 16  dan zal het zwaard waarvoor gij bevreesd zijt, u daar in het land Egypte achterhalen, en de honger waarvoor gij beangst zijt, u daar in Egypte op de hielen zitten en daar zult gij sterven.
Maar, zoals de mensen gewoonlijk doen, zij verwierpen Gods waarschuwing.
Jeremia 43:1  Toen Jeremia geeindigd had tot het gehele volk al de woorden van de Here, hun God, te spreken, waarmede de Here, hun God, hem tot hen gezonden had, al die woorden, 2  zeiden Azarja, de zoon van Hosaaja, en Jochanan, de zoon van Kareach, en al die drieste mannen tot Jeremia: Gij spreekt leugens! De Here, onze God, heeft u niet gezonden met de boodschap: Gaat niet naar Egypte om daar te verblijven. 3   Maar Baruch, de zoon van Neria, zet u tegen ons op met de bedoeling ons in de macht der ChaldeeŽn over te geven, ten einde ons te doden en ons in ballingschap naar Babel te voeren. 4  Zo hoorden Jochanan, de zoon van Kareach, en al de legeroversten en het gehele volk niet naar de stem des Heren om in het land van Juda te blijven.
Mensen die luidkeels beweren Gods wil te willen doen, accepteren Gods Woord gewoonlijk niet als Zijn wil, tenzij het hun wil is!
Vers 5  maar Jochanan, de zoon van Kareach, en al de legeroversten namen het gehele overblijfsel van Juda, hen die van alle volken waarheen zij verstrooid waren geweest, teruggekeerd waren om in het land van Juda te verblijven: 6   de mannen, de vrouwen en de kinderen, de dochters van de koning en al de mensen die Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, bij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, had achtergelaten, ook de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Neria [Jeremia's secretaris], 7  en zij trokken naar het land Egypte, want zij luisterden niet naar de stem des Heren; en zij kwamen tot aan Tachpanches.
Nadat zij Egypte hadden bereikt, waarschuwde God deze Joden nogmaals door Jeremia, dat zij daar door het zwaard en van honger zouden omkomen, en dat niemand naar Judea zou terugkeren "behalve enkele vluchtelingen"! (Jeremia 44:12-14.) Inderdaad, enkele mensen in dit gezelschap staan onder goddelijke bescherming. Er moet een goddelijke opdracht worden vervuld. Zij zullen ontsnappen! De Eeuwige vervolgt:
Jeremia 44:28  En, aan het zwaard ontkomen, zullen weinigen in getal uit het land Egypte naar het land van Juda terugkeren; zo zal het gehele overblijfsel van Juda, dat naar het land Egypte kwam om daar te verblijven, weten, wiens woord standhoudt, het mijne of het hunne.

Onder goddelijke bescherming

Baruch was Jeremia's onafscheidelijke metgezel en secretaris. Het is belangrijk om hier te wijzen op Gods belofte hem te beschermen:
Jeremia 45:2  Zo zegt de Here, de God van IsraŽl, van u, o Baruch: 3  Gij zegt: wee mij toch, want de Here heeft smart bij mijn lijden gevoegd, ik ben moede van mijn zuchten en rust vind ik niet. 4  Aldus zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de Here: zie, wat Ik gebouwd heb, breek Ik zelf af en wat Ik geplant heb, ruk Ik zelf uit, 5  en zoudt gij voor u grote dingen zoeken? Zoek ze niet! Want zie, Ik breng rampspoed over al wat leeft, luidt het woord des Heren, maar Ik geef u uw leven ten buit in alle plaatsen waar gij zult heengaan.
Baruchs leven stond, evenals dat van Jeremia, onder goddelijke bescherming!
Eerder had de Eeuwige al tot Jeremia gezegd:
Jeremia 15:11 [Statenvertaling]  De HEERE zeide: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn! [Het enige "overblijfsel" voor Jeremia's opdracht om de troon over te plaatsen bestond uit de dochters van de koning] zo Ik niet, in de tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tussenkome!
Dit heeft God letterlijk gedaan, zoals staat beschreven in hoofdstuk 39:11-12 en hoofdstuk 40:2-6, die eerder zijn behandeld.
Het zal dus goed gaan met het koninklijke materiaal dat aan Jeremia was gegeven om te bouwen en te planten en Jeremia zal worden beschermd en naar een land gaan dat hij niet kent! Wie nog meer waren naar een land gegaan dat zij niet kenden? Het tienstammige koninkrijk van het eerstgeboorterecht, IsraŽl!
Jeremia en zijn kleine koninklijke overblijfsel zouden dus uit Egypte ontsnappen, naar Juda terugkeren en vervolgens – waarheen gaan? Naar de plaats waarheen de verloren tien stammen waren gegaan, zoals wij zullen zien!
Laat nu Jesaja deze profetie completeren:
Jesaja 37:32  Want van Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan, en van de berg Sion wat ontkomen zal; de ijver van de Here der heerscharen zal dit doen. Vers 31  Immers wat van het huis van Juda ontkomen is, wat over is, dat zal opnieuw naar beneden wortel schieten en naar boven vrucht dragen.
Deze zelfde profetie is tevens te vinden in 2 Koningen 19:30-31. Het is een profetie die door middel van Jesaja in het 14e jaar van de regering van koning Hizkia werd gegeven, toen koning Sanherib van AssyriŽ Juda met een invasie bedreigde. Het was een profetie die pas later zou worden vervuld; niet tijdens Hizkia's regering. Sommige critici die deze essentiŽle en belangrijke waarheid wensen te verwerpen, betogen dat ditzelfde overblijfsel eveneens in 2 Kronieken 30:6 wordt genoemd. Maar die gebeurtenis is geen profetie, maar een historisch verslag van een gebeurtenis in het eerste jaar van Hizkia – en dat overblijfsel ontsnapte niet uit Jeruzalem. Dat waren IsraŽlieten die ontkomen waren aan de legers van Assur. En er wordt hier niets gezegd over "naar beneden wortel schieten en naar boven vrucht dragen", zoals in Jesaja 37 en 2 Koningen 19.
Deze profetie is zo belangrijk dat zij tweemaal is vastgelegd! Zij verwijst naar het overblijfsel dat later zou ontkomen, naar Jeremia's ontsnapping. Dit overblijfsel – minstens een van de dochters van de koning – zal met Jeremia naar beneden wortel schieten! Dat wil zeggen, opnieuw worden geplant! En daarna naar boven vrucht dragen! Gebouwd worden! Faalde God in Zijn plechtige belofte om Davids troon in stand te houden? Waar geschiedde dit planten en bouwen? Kunnen wij het in Gods Woord vinden? Inderdaad! De plaats en het volk waar de troon opnieuw werd gevestigd worden duidelijk geÔdentificeerd!

 

Hoofdstuk VIII 

DE MYSTERIEUZE BREUK

Waarheen trok Jeremia met Baruch, zijn secretaris en met een of meer van de koninklijke dochters? De geschiedschrijving laat ons op dit punt in de steek. Serieuze onderzoekers van de bijbelse geschiedenis weten al lange tijd dat de Tien Stammen, met de naam 'Huis IsraŽls', hun identiteit zijn kwijtgeraakt en in de geschiedkundige kennis niet zijn te vinden en dat zij nu, zonder te worden herkend, te midden van de heidense volken leven. Hun identiteit en verblijfplaats heeft God voor de wereld verborgen.
Maar nu, in deze eindtijd, wanneer de kennis zal toenemen, wanneer de "verstandigen" zullen begrijpen (DaniŽl 12:4, 10), zullen wij het geheim ontdekken zoals het is geopenbaard door profetieŽn die pas nu kunnen worden begrepen. Eerst echter moeten wij ons verdiepen in een mysterieuze 'breuk' die in de dagen van Juda, zoon van Jakob, ontstond.
Juda was de vader van een tweeling. De eerstgeborene was koninklijk zaad, door hem zou de scepterbelofte worden doorgegeven. De vroedvrouw blijkt te hebben begrepen dat er een tweeling zou worden geboren. Vlak voor de geboorte stak een van de tweeling zijn handje uit en de vroedvrouw bond er een scharlaken draad om en zei: "Deze komt het eerst uit." Het kind trok echter zijn hand weer terug en het andere kind werd het eerst geboren.
Genesis 38:27 [Statenvertaling]  En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. 28  En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit. 29  Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez. 30  En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera.
Perez betekent 'breuk'.
Waarom zou dit ongewone voorval in de Bijbel zijn opgetekend anders dan omdat deze breuk op een toekomstig tijdstip tussen de twee zonen of tussen hun afstammelingen zou worden geheeld? Het is er echter tijdens hun leven niet van gekomen.
Zerach, die met het scharlaken draadje, kreeg vijf zonen (1 Kronieken 2:6). Heeft een afstammeling van Zerach uiteindelijk de troon ontvangen, waardoor de breuk werd geheeld? David, Zedekia, Christus – zij allen waren van de Perez-tak. Niemand van hen stamde van Zerach af.
Let nu op het volgende: 1) Deze breuk wijst op de overdracht van de scepter van de Perez- naar de Zerach-lijn. 2) Een dergelijke overdracht heeft vůůr koning Zedekia van Juda, die van Perez afstamde, nooit plaatsgevonden. 3) Derhalve moet deze hebben plaatsgevonden nadat Zedekia was onttroond. 4) Davids lijn (Perez) moet gedurende alle generaties en voor eeuwig op de troon blijven; dit was slechts mogelijk door een overdracht van de troon door middel van een huwelijk tussen een erfgenaam van de troon uit de Perez-lijn en iemand uit de Zerach-lijn, waardoor aldus de breuk werd geheeld.

De drie overdrachten

De geschiedenis toont dat de nakomelingen van Zerach wegtrokken; zij reisden naar het noorden, naar de gebieden van de Scythische volken; later, in de dagen van koning David, hebben hun afstammelingen zich in Ierland gevestigd.
Ondertussen was de Perez-David-Zedekia-lijn in het bezit van de scepter – was hoog verheven. De Zerach-lijn, die vond dat zij rechtmatig de scepter zou moeten bezitten en die dat op zekere dag ook zou doen, was laag, vernederd, wat koninklijke macht aangaat.
Laten wij nu een vaak verkeerd begrepen passage van de profetieŽn bekijken. Als wij beginnen te lezen bij vers 18 van EzechiŽl 21, zullen wij zien dat de Eeuwige hier spreekt over de ballingschap van Juda door de koning van Babylon.
Ezechiel 21:18  Het woord des Heren kwam tot mij: 19  En gij, mensenkind, teken twee wegen, waarlangs het zwaard van de koning van Babel komen kan; van hetzelfde land zullen beide uitgaan. En zet een handwijzer; zet er een aan het begin van de weg die naar een stad leidt; 20  teken een weg, opdat het zwaard kan komen tegen Rabba der Ammonieten en ook tegen Juda, naar het versterkte Jeruzalem. 21  Want de koning van Babel zal aan de tweesprong staan, aan het begin van de twee wegen en waarzeggerij plegen; hij zal de pijlen schudden; hij zal de terafim raadplegen; hij zal de lever bezien. 22   In zijn rechterhand zal het lot zijn, dat Jeruzalem aanwijst, om er stormrammen op te stellen, om er de mond te openen tot moordgeschreeuw, er de stem te verheffen tot een krijgskreet, om er stormrammen op te stellen tegen de poorten, een wal op te werpen en een schans te bouwen. 23  Wel is dit in hun ogen een bedrieglijke waarzeggerij (dure eden zwoeren zij) maar hij zal hun ongerechtigheid in herinnering brengen, opdat zij gegrepen worden. 24  Daarom, zo zegt de Here Here, omdat gij uw ongerechtigheid in herinnering brengt, doordat uw overtredingen openbaar worden, zodat uw zonden zichtbaar zijn in al uw handelingen; omdat men zich uwer herinnert, zult gij met de hand gegrepen worden.
En vanaf vers 25 zegt de Statenvertaling het duidelijker:
Vers 25
[Statenvertaling]: 25  En gij, o onheilig, goddeloos vorst van IsraŽl [Zedekia], wiens dag komen zal, ten tijde der uiterste ongerechtigheid; 26  Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af [wat, als eerste helft van Jeremia's opdracht, is gebeurd], deze [de kroon] zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is. 27   Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik geven zal.
Laten wij dit heel goed begrijpen. "Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af." Koning Zedekia, van de dynastie van David, droeg de kroon. Hier staat dat die moest worden verwijderd. De kroon werd ook verwijderd. Zedekia stierf in Babylon; zijn zonen en alle edelen van Juda werden gedood.
"Deze zal dezelfde niet wezen." De kroon zou niet ophouden te bestaan, maar er zou een verandering plaatsvinden: de troon zou worden overgedragen – een ander zou de kroon dragen. Gods belofte aan David zal niet worden veronachtzaamd!
"Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is." Wie is "hoog"? Koning Zedekia van Juda. Hij zal nu worden vernederd. Hij zal de kroon verliezen. Juda was "hoog" geweest, terwijl IsraŽl "laag" was; al jarenlang zonder koning (Hosea 3:4). De Perez-lijn was "hoog" geweest en de Zerach-lijn "laag".
"Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft." Wat zou er worden "omgekeerd", d.w.z. overgedragen? De kroon en de troon. Niet ťťn maal, maar driemaal. De eerste van deze drie overdrachten, het verlagen van Zedekia, van het Huis Juda, van de Perez-lijn en het verhogen van het Huis IsraŽl en iemand van de Zerach-lijn, werd voltrokken in het kader van de eerste helft van Jeremia's opdracht.
"Zij zal niet zijn." Betekent dit dat de troon – de kroon – ophoudt te bestaan? Beslist niet! Hoe zou de troon nog tweemaal kunnen worden "omgekeerd", d.w.z. van de een op de ander worden overgedragen, als hij was opgehouden te bestaan! Hoe zou de kroon, na deze drie overdrachten, kunnen worden gegeven aan Hem – Christus – die er recht op heeft (bij Zijn wederkomst) als hij in het geheel niet meer bestond? Hoe zou hij die "laag" was, nu kunnen worden verhoogd door een kroon die er niet meer was? Nee, de betekenis is: "Zij zal niet meer worden omgekeerd of overgedragen tot aan de wederkomst van Christus"! En dan zal de kroon aan Hem worden gegeven!
God zal Zijn onveranderlijke belofte aan David niet breken! Gedurende iedere generatie zal er een afstammeling van David zijn die deze kroon draagt! De tweede helft van Jeremia's opdracht moet nu worden uitgevoerd. Nu moet de troon worden overgeplant en opnieuw worden opgebouwd. De kroon moet worden overgedragen! Maar waar? Op wie?

Een 'raadsel' en een 'gelijkenis'

De waarheid van het planten en herbouwen van Davids troon wordt onthuld in 'een raadsel en een gelijkenis', gesteld in een symbolische taal die tot deze eindtijd nooit is begrepen. Nu is het echter zo duidelijk dat een kind het kan begrijpen!
Het staat in het 17e hoofdstuk van EzechiŽls profetieŽn. Het gehele hoofdstuk moet zorgvuldig worden gelezen. Let er allereerst op dat deze profetische boodschap niet aan Juda, de Joden, is gericht, maar aan het Huis IsraŽl. Het is een boodschap bedoeld om in deze laatste dagen licht te brengen aan het verloren tienstammige Huis IsraŽl!
In vers 12 zegt God dat EzechiŽl tegen "het weerspannige geslacht" moest spreken. Hiermee bedoelt God het tienstammige IsraŽl (EzechiŽl 12:9), over wie EzechiŽl tot profeet is aangesteld (EzechiŽl 2:3; 3:1, etc.).
Ezechiel 17:1  Het woord des Heren kwam tot mij: 2  Mensenkind, geef een raadsel op, leg een gelijkenis voor aan het huis IsraŽls 3  en zeg: Zo zegt de Here Here: de grote arend met machtige vleugels, breed van vlucht, rijk aan slagpennen, en veelkleurig, kwam naar de Libanon…
De grote machtige arend is Nebukadnezar. De Libanon met zijn prachtige ceders stelt Juda en de inwoners voor.
…en rukte de top van een ceder af.
De top van een ceder is de koninklijke familie (2 Koningen 24:8-16).
Vers 4  Het bovenste van de jonge takjes brak hij af en bracht het naar een handelsland; hij legde het neer in een stad van kooplieden.
Het bovenste van de jonge takjes: de jonge koning Jojakin (Jojachin). Hij was nog maar 18 jaar. Hij werd naar een handelsland gebracht: Babylon.
Vers 5  Toen nam hij een der spruiten van het land,…
Een betere vertaling voor 'spruiten' is zaad, zoals in de meeste andere vertalingen staat. Er staat niet dat dit zaad een zoon van Jojakin was, maar van het land Juda. Hiermee wordt de oom van Jojakin bedoeld, Mattanja. Hij was geen BabyloniŽr, maar van het land Juda, zelfs uit de koninklijke lijn van David. (2 Koningen 24:17  En de koning van Babel maakte Jojakins oom Mattanja koning in zijn plaats en veranderde diens naam in Sedekia.)
…plantte die in een zaaiveld…
Dat is het land Juda.
…waar veel water was,…
Een vruchtbaar land. Kanašn werd immers een land van melk en honing genoemd. Water is ook een symbool voor volk.
…zette die uit als een wilg,…
Die het best groeit in vochtige grond. Maar het wordt geen statige grote boom. Zedekia was onderworpen aan Nebukadnezar.
Vers 6  zodat hij uitsproot en tot een breedvertakte wijnstok werd, laag groeiend,…
Weer een beeld van nederigheid, onderworpen aan Babylon.
…opdat naar hem zijn ranken gekeerd zouden zijn,…
Jeruzalem (Zedekia) richtte zich op Babel, naar de 'arend', Nebukadnezar, aan wie belasting betaald moest worden.
…en zijn wortels onder hem zouden blijven;…
Zedekia mocht in eigen land wortel schieten. Of, als met 'hem' Nebukadnezar wordt bedoeld, betekent het dat de wortels onder het gezag van Nebukadnezar zou blijven.
…zo werd hij tot een wijnstok, maakte takken en schoot twijgen.
Niet meer als een statige ceder, maar als een laaggroeiende wijnstok kwam het koningshuis en Juda tot ontplooiing. En er werden zonen en dochters geboren voor de opvolging.
Vers 7  Maar er was nog een andere grote arend met machtige vleugels en veel slagpennen.
De koning van Egypte.
En zie, de wijnstok strekte zijn wortels naar hem uit…
Zedekia wilde een verbond sluiten met Egypte.
…en deed zijn ranken naar hem toegroeien,…
Zedekia zond gezanten naar Egypte om met de farao een verbond te sluiten.
…opdat deze hem zou drenken en niet het bed waarop hij geplant was.
Zedekia wilde zich binden aan de farao, opdat die hem troepen zou sturen om zich los te kunnen maken van 'het bed' (de voedingsbodem) van Nebukadnezar die hem als koning aangesteld had en aan wie hij belastingplichtig was.
Versd 8  Toch was hij geplant op een goed veld, waar rijkelijk water was, om ranken te schieten en vrucht te dragen en een prachtige wijnstok te worden.
Vers 11  En het woord des Heren kwam tot mij: 12  Zeg toch tot het weerspannige geslacht: weet gij niet, wat dit betekent? Zeg dan: zie, de koning van Babel kwam te Jeruzalem, nam er de koning
[Jojakin] en de vorsten weg en voerde ze naar Babel te zijnent. 13  Vervolgens nam hij een lid van het koninklijke geslacht [Zedekia], sloot een verbond met hem en deed hem een eed zweren; ook nam hij de machtigen des lands weg. 14  Zo zou het een onbeduidend koninkrijk zijn en het hoofd niet kunnen opsteken, maar het verbond moeten houden om te blijven bestaan. 15  Maar hij [Zedekia] kwam in opstand tegen hem [Nebukadnezar] door boden naar Egypte te zenden, opdat dit hem paarden en veel krijgsvolk zou leveren. Zal dat hem gelukken? Zou wie zo iets doet, ontkomen? Zou hij het verbond verbreken en ontkomen? 16  Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, in de woonplaats van de koning, die hem tot koning gemaakt heeft, jegens wie hij de eed veracht en het verbond verbroken heeft, bij hem, in Babel zal hij sterven. 17  Ook zal Farao niet met een grote legermacht en een talrijke schare hem bijstaan in de strijd, wanneer men een wal opwerpt en een schans bouwt om velen van het leven te beroven. 18  Ja, hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken; zie, hoewel hij er de hand op gegeven had, heeft hij dat alles toch gedaan; hij zal niet ontkomen. 19  Daarom, zo zegt de Here Here, zo waar Ik leef, de eed, bij Mij gezworen, die hij veracht, en het verbond, in mijn naam gesloten, dat hij verbroken heeft, zal Ik op zijn hoofd doen neerkomen. 20   Ik zal mijn net over hem uitspreiden, en hij zal in mijn strik gevangen worden, Ik zal hem naar Babel voeren en daar met hem in het gericht treden wegens de ontrouw die hij jegens Mij gepleegd heeft. 21  Alle vluchtelingen van al zijn krijgsbenden zullen door het zwaard vallen, en de overblijvenden zullen naar alle windstreken uiteengedreven worden. En gij zult weten, dat Ik, de Here, het gesproken heb.
Tot zover de eerste helft van Jeremia's opdracht. Zie nu wat er wordt geopenbaard aangaande de tweede helft: het planten van Davids troon! Dit staat in de gelijkenis, vers 22-24:
Vers 22  Zo zegt de Here Here: Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder een twijgje nemen en dat in de grond zetten; van de bovenste der jonge takjes zal Ik een twijgje plukken en Ik zelf zal dat planten op een hoge en verheven berg; 23  op de hoge berg IsraŽls zal Ik het planten, en het zal takken dragen, vrucht voortbrengen en tot een prachtige ceder worden. En allerhande vogels van allerlei gevederte zullen onder hem wonen; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen. 24  Alle bomen des velds zullen weten, dat Ik, de Here, de hoge boom vernederd en de nederige verhoogd heb, de sappige boom heb doen verdorren en de dorre heb doen uitspruiten. Ik, de Here, heb het gesproken en Ik zal het doen.

Terug naar vers 22: "Zo zegt de Here Here: Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder een twijgje nemen." Uit Gods eigen verklaring weten wij dat de ceder het volk Juda voorstelt; de top ervan is de koninklijke familie. We hebben gelezen in vers 20 dat Nebukadnezar Zedekia naar Babel heeft gebracht. De gelijkenis zegt ons nu dat Godniet Nebukadnezar, maar Godvan de top zal nemen. Niet de top zelf, maar van de top: van Zedekia's kinderen. Maar Nebukadnezar nam en doodde al zijn zonen.
God zal nu, door middel van Zijn profeet Jeremia, van de top nemen en "dat in de grond zetten" (vers 22). "Van de bovenste der jonge takjes zal Ik een twijgje plukken en Ik zelf zal dat planten op een hoge en verheven berg", vervolgt de Almachtige! Aha! "Een twijgje"! De twijgen van deze hoogste tak stellen de kinderen van koning Zedekia voor! Dan moet een twijgje een dochter voorstellen! In plaats van 'twijgje' spreekt de Statenvertaling van een tedere: "van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken". God gaat verder: "en Ik zelf zal dat planten." Kan in symbolische taal duidelijker worden uitgedrukt dat deze jonge Joodse prinses het koninklijke zaad voor het herplanten van Davids troon zal worden? Waar? "… op een hoge en verheven berg", zegt de Eeuwige! Een 'berg' is altijd het symbool van een natie.

Maar welke natie?

"Op de hoge berg IsraŽls zal Ik het planten", antwoordt de Eeuwige! Davids troon zal nu worden geplant in IsraŽl, na uit Juda te zijn uitgerukt! Kan het duidelijker worden gezegd? "… en het [het tedere jonge twijgje – de dochter van de koning] zal takken dragen, vrucht voortbrengen en tot een prachtige ceder worden."
Hield Davids troon met Zedekia van Juda op te bestaan? Vergat God Zijn verbond? Nee! Vergelijk deze woorden met de passage in Jesaja 37:31-32:
Jesaja 37:31  Immers wat van het huis van Juda ontkomen is, wat over is, dat zal opnieuw naar beneden wortel schieten [geplant worden] en naar boven vrucht dragen. 32  Want van Jeruzalem zal een overblijfsel uitgaan, en van de berg Sion wat ontkomen zal; de ijver van de Here der heerscharen zal dit doen.
Het werd geplant in IsraŽl dat van Juda was weggetrokken! Nadat deze Hebreeuwse prinses op de troon is 'geplant', nu in IsraŽl, dat uit het oog was verloren, zal deze troon vrucht dragen. Zij zal trouwen, kinderen krijgen en haar zonen zullen Davids dynastie voortzetten!
"En allerhande vogels van allerlei gevederte zullen onder hem wonen; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen" (EzechiŽl 17:23). Het 'verloren' IsraŽl, dat nu de troon heeft verworven en opnieuw een autonome natie is geworden, zal zich mettertijd rond de aarde verspreiden en wereldmacht verkrijgen. Zij zullen de onvoorwaardelijke beloften van het eerstgeboorterecht erven, in overeenstemming met Gods verbond met Abraham!
"Alle bomen des velds …" (vers 24). In dit raadsel en deze gelijkenis wordt een 'boom' vergeleken met een volk. Met andere woorden: alle volken op aarde "… zullen weten, dat Ik, de Here, de hoge boom vernederd [heb]". Juda, de hoge boom, dat nog 130 jaar nadat IsraŽl in ballingschap was weggevoerd, de troon bezat, wordt nu teruggebracht tot de lage positie van slavernij. "… en de nederige [boom] verhoogd heb". IsraŽl was 130 jaar lang een "nederige boom". Nu wordt IsraŽl verhoogd, wordt weer een bloeiende natie met een Davidische koning. "... de sappige boom [Juda] heb doen verdorren en de dorre [IsraŽl] heb doen uitspruiten."
Ezechiel 21:26  zo zegt de Here Here: Neem weg die tulband! zet af die kroon! Zo zal het niet blijven. Verhoog wat laag is; verlaag wat hoog is.
Hier is sprake van de overdracht van de troon van Juda op IsraŽl.
IsraŽl had al vier eeuwen in Ierland een onafhankelijk bestaan geleid. In Ierland had IsraŽl reeds een koninklijk geslacht waarop Zedekia's dochter werd geŽnt. De Ierse IsraŽlieten vormden een oude kolonie die niet in Assyrische ballingschap was geweest.
IsraŽl, met aan het hoofd de stammen EfraÔm en Manasse, die in het bezit van het eerstgeboorterecht zijn, zal zich nu ontplooien en te zijner tijd welvarend worden. "Ik, de Here, heb het gesproken en Ik zal het doen" (EzechiŽl 17:24).
Ja, het eerstgeboorterecht bevindt zich in IsraŽl. Hoewel uit het oog verloren, hoewel beschouwd als een heidense natie, is dit het volk dat tot de beloofde menigte zou uitgroeien: de grote natie en de groep naties, in het bezit van de poorten van de hun vijandige landen, een koloniserend volk dat zich rond de wereld verspreidt, gezegend met nationale rijkdommen en welvaart. En vergeet niet dat, wanneer zij machtig worden, Davids troon te midden van hen geplant en dus te vinden zal zijn!
Maar waarheen begaf Jeremia zich, tezamen met het koninklijke zaad bestemd voor het overplanten, op zoek naar het verloren Huis IsraŽl? Waar bevindt het zich tegenwoordig? Hoe werd de "breuk" geheeld en hoe besteeg een zoon van Zerach de troon? Kunnen wij het weten?
Ja! De exacte locatie wordt in de bijbelse profetieŽn nauwkeurig onthuld! Bovendien kunnen wij in de feitelijke geschiedenis het spoor van Jeremia volgen!

 

Hoofdstuk IX

ISRAňLS NIEUWE LAND

Wij zijn nu gereed om de huidige verblijfplaats van de tien stammen van het verdreven Huis IsraŽl op te sporen. Wij weten dat zij bestaan als een natie en als een groep naties, dat zij machtig zijn en als heidenen worden beschouwd. En wanneer wij hen vinden, vinden wij tevens de troon van David!
Vele passages in de profetieŽn spreken over deze mensen in deze laatste dagen, profetieŽn die vůůr deze 'tijd van het einde' niet konden worden begrepen, profetieŽn met een boodschap die naar deze mensen moet worden uitgedragen door hen aan wie God haar openbaart!
Prent allereerst de volgende feiten in gedachten:
In de dagen van de 13e van de 19 koningen van het Huis IsraŽl (Amos 1:1) schreef de profeet Amos:
Amos 9:8   Zie, de ogen des Heren Heren zijn tegen het zondige koninkrijk [het Huis IsraŽl, Juda had nog niet gezondigd], en Ik zal het verdelgen van de aardbodem. Evenwel zal Ik het huis Jakobs niet geheel en al verdelgen, luidt het woord des Heren. 9  Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van IsraŽl onder al de volken, gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen.
Deze profetie past men gewoonlijk toe op de verspreid wonende Joden. Zij heeft echter niets te maken met de Joden, of het Huis Juda, maar verwijst naar het tienstammige Huis IsraŽl, dat in Assyrische ballingschap was gedreven en vandaar was weggetrokken en onder andere volken verspreid voordat de Joden naar Babylon werden gevoerd. Deze profetie zegt dat IsraŽl (niet Juda) onder de andere volken zou worden "geschud", waarbij deze IsraŽlieten hun identiteit zouden verliezen, ofschoon God hen toch beschermt en bewaart: "geen steentje zal ter aarde vallen."

Een nieuw vaderland

Over die tijd wordt gezegd:
Hosea 3:4  Want vele dagen zullen de IsraŽlieten blijven zitten zonder koning …
Dat deze mensen onder alle volken werden verstrooid is duidelijk. Vele nieuwtestamentische passages wijzen hierop. Hoewel velen van hen in de eerste eeuw n.Chr. nog altijd onder verscheidene naties verspreid waren, had een deel van hen zich in Jeremia's tijd – 140 jaar na het begin van hun ballingschap – op een definitieve eigen plaats gevestigd.
De IsraŽlieten die het eerstgeboorterecht bezaten, zouden uiteindelijk naar een nieuw, eigen land komen. In 2 SamuŽl 7:10 en 1 Kronieken 17:9 zegt de Eeuwige:
2 Samuel 7:10  Ik zal een plaats bepalen voor mijn volk, voor IsraŽl, en het planten [Jeremia had als opdracht te midden van hen de troon te planten], zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, zonder dat het meer opgeschrikt [verdreven] wordt en boosdoeners het onderdrukken zoals vroeger, 11  sedert de tijd dat Ik richters over mijn volk IsraŽl aangesteld heb.
Uit de context van deze hele passage blijkt dat dit niet naar Palestina verwijst, maar naar een ander land waar deze verstrooide IsraŽlieten zouden worden bijeengebracht na te zijn verwijderd uit het beloofde land Palestina, dat ondertussen braak lag en in het bezit van de heidenen was.
Let hier goed op! Na uit Palestina te zijn verdreven, na onder alle volken te zijn uitgeschud, na vele dagen zonder koning en het verlies van hun identiteit, zouden zij in een ver vreemd land worden "geplant", dat vervolgens hun bezit zou worden. En merk ook op, dat zij na deze plaats te hebben bereikt, niet meer zouden worden opgeschrikt of verdreven! Dat wil zeggen, gedurende deze tegenwoordige wereld, natuurlijk.
Al wijzen andere profetieŽn erop dat deze geboorterechthouders een koloniserend volk zouden worden, dat zich rond de wereld zou verspreiden, het is duidelijk dat dit verspreiden moet geschieden vanuit deze bestemde plaats, die ten behoeve van Davids troon de 'thuis'-zetel van de regering moet blijven.
Let er vooral goed op dat, als eenmaal deze "eigen plaats" was bereikt en de troon van David daar was geplant, zij niet meer zouden wegtrekken. Derhalve is de tegenwoordige verblijfplaats van dit volk de plaats waar Jeremia meer dan 2500 jaar geleden Davids troon plantte!
Derhalve zullen profetieŽn die op onze tijd betrekking hebben, of op de verblijfplaats van dit volk vlak voor de terugkeer van Christus, ons de plaats zeggen waar Jeremia de planting verrichtte. Het Huis IsraŽl moet nog, bij Christus' komst, naar Palestina terugkeren, zij zullen nog wijngaarden planten in Samaria, hun oorspronkelijke land. ProfetieŽn die zeggen vanwaar zij op die toekomstige dag zullen komen, openbaren de verblijfplaats van het 'verloren' tienstammige IsraŽl! De twee daaropvolgende "omkeringen" (EzechiŽl 21:27) of overdrachten van de troon moeten eveneens in ongeveer deze zelfde omgeving worden gesitueerd.

Het verloren IsraŽl opgespoord

Laten wij nu zonder verder uitstel zien waar de profetieŽn deze geboorterechthouders plaatsen, die nu in het bezit van de troon van David zijn en die de rijkste nationale zegeningen van de aarde hebben ontvangen. Vergeet niet dat zij van Juda – de Joden – worden onderscheiden door diverse namen: EfraÔm, Jozef, Jakob, Rachel (de moeder van Jozef), Samaria (hun vroegere land), IsraŽl.
Volgens Hosea 12:1 "jaagt [EfraÔm] de oostenwind na". Een oostenwind gaat naar het westen. EfraÔm moet vanuit AssyriŽ westwaarts zijn gegaan. Toen de Eeuwige God aan David zwoer dat Hij diens troon zou bestendigen, zei Hij:
Psalmen 89:25 [andere vertalingen vers 26]  ook zal Ik zijn hand [scepter] leggen op de zee …
De troon zal "op de zee" worden "gelegd" of geplant.
Door Jeremia zei de Eeuwige:
Jeremia 3:11  En de Here zeide tot mij: Afkerigheid, IsraŽl, heeft zich gerechtvaardigd boven Trouweloze, Juda. 12   Ga heen en roep deze woorden uit naar het Noorden en zeg: Keer weder, Afkerigheid, IsraŽl, luidt het woord des Heren, Ik zal u niet donker aanzien, want Ik ben genadig, luidt het woord des Heren, Ik zal niet altoos blijven toornen.
IsraŽl wordt duidelijk van Juda onderscheiden. Natuurlijk bevond IsraŽl zich in Palestina ten noorden van Juda – maar toen deze woorden door Jeremia werden opgeschreven, was IsraŽl al meer dan 130 jaar uit Palestina verdreven en was sindsdien allang, met de AssyriŽrs, weggetrokken naar plaatsen ten noorden (en westen) van AssyriŽ's oorspronkelijke verblijfplaats.
En in deze laatste dagen moeten boodschappers "naar het noorden" (ten opzichte van Jeruzalem) gaan om het verloren IsraŽl te achterhalen en deze waarschuwing bekend te maken.
De plaats is, zoals wij nu zien, in het noorden en het westen en op de zee.
Het 18e vers van dit zelfde hoofdstuk zegt:
Jeremia 3:18  In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van IsraŽl gaan, en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb.
In de toekomstige exodus, bij Christus' komst, zullen zij uit het noorderland naar Palestina terugkeren!
Hosea 11:8  Hoe zou Ik u prijsgeven, EfraÔm, u overleveren, IsraŽl? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adma, u maken als Seboim? Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt mijn erbarming opgewekt.
Vers 10  Zij zullen achter de Here aan gaan, als een leeuw zal Hij brullen. Wanneer Hij brult, dan zullen zonen uit het westen bevend komen.
Jeremia 31:8  Zie, Ik breng hen uit het land van het noorden en verzamel hen van de einden [kusten] der aarde; onder hen blinden en lammen, zwangeren en barenden tezamen; in een grote schare zullen zij hierheen terugkeren.
Deze profetie is ter overweging in "het laatst der dagen":
Jeremia 30:24  De brandende toorn des Heren zal zich niet afwenden, totdat Hij de plannen van zijn hart volvoerd en verwerkelijkt heeft; in het laatst der dagen zult gij dat inzien. Jeremia 31:1   Te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal Ik voor alle geslachten van IsraŽl tot een God zijn en zullen zij Mij tot een volk zijn.
Deze profetie betreft het laatst der dagen en is gericht aan IsraŽl, ook vermeld als Samaria of EfraÔm:
Jeremia 31:2  Zo zegt de Here: Het volk der ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn, IsraŽl, op weg naar zijn rust.
Vers 4   Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw IsraŽls … 5  gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria … 6  Want de dag is daar, dat de wachters roepen op het gebergte van EfraÔm: Komt, laat ons opgaan naar Sion, tot de Here, onze God! Vers 9  Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik ben IsraŽl tot een vader, en EfraÔm, die is mijn eerstgeborene.

Er wordt nog een aanwijzing gegeven: "de einden [of kusten] der aarde" (vers 8) waaruit blijkt dat zij een belangrijke zeemogendheid zijn en dat zij zich door kolonisatie overal hebben verspreid.
In Jesaja 49:12 geeft God nog een aanwijzing. Als we eerst de verzen 3 en 6 lezen, weten we dat het over IsraŽl gaat, niet over Juda.
Jesaja 49:3  En Hij zeide tot mij: Gij zijt mijn knecht, IsraŽl, in wie Ik Mij zal verheerlijken. 6  Hij zegt dan: Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van IsraŽl terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde.
Doelend op het Huis IsraŽl, niet op Juda zegt God:
Vers 12   Zie, dezen komen uit de verte, genen uit het noorden en het westen, weer anderen uit het land Sinim.
In het Hebreeuws, de taal waarin dit oorspronkelijk werd geÔnspireerd, bestaat er geen woord voor 'noordwest', maar dit wordt weergegeven door de uitdrukking "het noorden en het westen". Dit betekent letterlijk het noordwesten! "Sinim" wordt door de Vulgaat weergegeven als "Australi" of "AustraliŽ". Dus wij hebben nu de locatie ten noordwesten van Jeruzalem en ook het verspreid zijn rond de aarde.
Het IsraŽl van vandaag – het IsraŽl uit de tijd dat Jeremia Davids troon 'plantte' – wordt daarom specifiek als ten noordwesten van Jeruzalem en in zee gesitueerd! Laten wij dit land nog nauwkeuriger situeren!
Hetzelfde 49e hoofdstuk van Jesaja begint met:
Vers 1   Hoort naar Mij, gij kustlanden [eilanden; Statenvertaling], en luistert, gij natiŽn in de verte.
Het volk dat wordt aangesproken, IsraŽl, wordt in het eerste vers "gij kustlanden" of "gij eilanden" genoemd en "IsraŽl" in het derde vers.
Het 31e hoofdstuk van Jeremia, dat IsraŽl in "het land van het Noorden" situeert, zegt:
Jeremia 31:9  … Want Ik ben IsraŽl tot een vader, en EfraÔm, die is mijn eerstgeborene. 10  Hoort het woord des Heren, o volken [EfraÔm, Manasse], verkondigt het in verre kustlanden [in de eilanden, die verre zijn; Statenvertaling].
Nogmaals:
Jesaja 41:1  Hoort Mij zwijgend aan, gij kustlanden [eilanden] … Vers 8  Maar gij, IsraŽl, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb …
In Jeremia 31:10 moet de boodschap "in de eilanden, die verre zijn" worden verkondigd en worden uitgeroepen tot "het hoofd der volkeren" (vers 7).
Jeremia 31:7  Want zo zegt de Here: Jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: de Here heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van IsraŽl.
Dus het Huis IsraŽl, het hoofd van de volken, moet zich vandaag op de eilanden, die "op de zee" zijn, ten noordwesten van Jeruzalem bevinden. Een aan de kust wonend en dus zeevarend volk. Er kan beslist geen vergissing worden gemaakt bij het vaststellen van deze identiteit!
Neem een kaart van Europa. Trek vanuit Jeruzalem een lijn naar het noordwesten dwars over het Europese continent, tot u bij de zee komt en dan verder naar de eilanden in zee! Deze lijn voert u rechtstreeks naar de Britse eilanden!
Het bewijs dat onze blanke, Engelstalige volken – Groot-BrittanniŽ en Amerika – in feite en in waarheid de eerstgeboorterechtstammen EfraÔm en Manasse van het 'verloren' Huis IsraŽl zijn, is zo uitgebreid dat wij er in deze publicatie slechts voor een klein deel ruimte aan kunnen geven.

Engelands Hebreeuwse namen

Een buitengewoon interessant feit is de Hebreeuwse betekenis van de namen van het Britse volk. Het Huis IsraŽl is het verbondsvolk. Het Hebreeuwse woord voor 'verbond' is beriyth, of berith. Na de dood van Gideon volgde IsraŽl de valse heidense god Bašl. In Richteren 8:33 en 9:4 wordt het woord 'verbond', samen met de naam 'Bašl', als een eigennaam gebruikt. Deze wordt meestal onvertaald weergegeven als 'Bašl-Berith', dat 'afgod van het verbond' betekent.
Het Hebreeuws voor 'man' is iysh; of ish. In het Engels betekent de uitgang '-ish' van of behorend tot (een bepaald volk of individu). In de spelling van de oorspronkelijke Hebreeuwse taal werden klinkers nooit weergegeven. Dus, met weglating van de klinker 'e' in berith, maar met behoud van de 'i' in de verengelste vorm om de 'y'-klank te bewaren, hebben wij het verengelste Hebreeuwse woord voor verbond: brith.
De HebreeŽn spraken de 'h' evenwel nooit uit. Ook vandaag zal nog menige Jood de naam 'Shem' uitspreken als 'Sem'.
Toevallig is dit oude Hebreeuwse trekje tevens een hedendaags Brits trekje. Het Hebreeuwse woord voor 'verbond' wordt, in zijn verengelste vorm, dus uitgesproken als brit.
En het woord voor 'verbondsman' of 'verbondsvolk' is daarom eenvoudig 'brit-ish'. Is het dan louter een samenloop van omstandigheden dat de hedendaagse naam van het ware verbondsvolk 'the British' (de Britten) is? En zij hebben hun woonplaats op de "British Isles" (de Britse Eilanden)!
Het Huis IsraŽl zou niet alleen zijn identiteit, maar ook zijn naam verliezen. Het zou met een nieuwe naam worden genoemd, aangezien zij niet langer zouden weten dat hun identiteit IsraŽl is, zoals God in Jesaja 62:2 met verwijzing naar deze laatste dagen en het Millennium duidelijk had gezegd.
Tot Abraham zei God:
Genesis 21:12 [Statenvertaling]  Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Isašk zal uw zaad genoemd worden.
Romeinen 9:7
[Statenvertaling]  Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izašk zal u het zaad genoemd worden.
Hebreen 11:18
[Statenvertaling]  (Tot denwelken gezegd was: In Isašk zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, [hem] ook uit de doden te verwekken.
Hoewel dit verwijst naar Christus en de belofte, is het opvallend dat de naam 'Isašk' door de IsraŽlieten wordt meegedragen.
In Amos 7:16 worden de IsraŽlieten "het huis van Isašk" genoemd.
Zij stamden van Isašk af en zij zijn daarom Isašks zonen. Laat de 'i' van 'Isašk' of 'Isašc' vallen (in de Hebreeuwse spelling worden immers geen klinkers gebruikt) en wij hebben de hedendaagse naam 'Saac's sons', dat wordt samengetrokken tot 'Saxons'!
Dr. W. Holt Yates zegt: "Het woord 'Saxons' is afgeleid van de 'sons of Isaac' door het laten vallen van het prefix 'I'."
Velen verwarren de Angelsaksen met de Germaanse of Oud-Saksen die nog altijd in Duitsland wonen. De Duitse Saksen hebben hun naam echter van het Oudhoogduitse woord Sahs, dat 'zwaard' of 'mes' betekent. Deze zwaarddragende Germanen zijn een heel ander volk dan de Angelsaksen die zich in Engeland hebben gevestigd.

Dan een slangenspoor

Daar de Eeuwige wilde dat het 'verloren' IsraŽl in deze laatste dagen zou worden opgespoord en ontdekt, mogen wij verwachten een soort tekens of wegwijzers aan te treffen langs het pad dat het oude IsraŽl volgde op zijn reis vanuit AssyriŽ, het land van hun ballingschap.
Sprekend tot EfraÔm (vers 20) zegt de Eeuwige in Jeremia 31:21:
Jeremia 31:20  Is EfraÔm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weder aan hem denken moet? Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des Heren. 21  Richt u merkstenen op, zet u wegwijzers neer, zet uw hart op de heerbaan, de weg die gij gaat; keer terug, jonkvrouw IsraŽls, keer terug naar uw steden hier!
In de Bijbel vinden wij de "wegwijzers" die zij langs hun weg hebben opgesteld.
In Genesis 49 voorspelt Jakob wat elk der twaalf stammen zou overkomen en in vers 17 zegt hij:
Genesis 49:17  Moge Dan een slang op de weg zijn …
Een andere vertaling van het oorspronkelijke Hebreeuws is: "Dan zal een slangespoor zijn." Het is een veelbetekenend feit dat de stam Dan, een van de Tien Stammen, iedere plaats waar deze kwam naar hun stamvader Dan noemde.
Oorspronkelijk bewoonde de stam Dan een strook land langs de kust van de Middellandse Zee ten westen van Jeruzalem.
In Jozua en Richteren lezen wij:
Jozua 19:47  Daar het gebied der Danieten hun te klein geworden was, trokken de Danieten op en streden tegen Lesem. Zij veroverden het, sloegen het met de scherpte des zwaards en namen het in bezit. Toen vestigden zij zich daar en gaven aan Lesem de naam Dan, naar de naam van hun vader Dan.
Richteren 18:11  Toen braken vandaar, uit Sora en Estaol, zeshonderd man van het geslacht der Danieten op, aangegord met krijgswapenen. 12  Zij trokken op en legerden zich bij Kirjat-jearim in Juda. Daarom noemt men die plaats Machane-dan tot op de huidige dag; zij ligt achter Kirjat-jearim.
Kort daarna kwam ditzelfde gezelschap van 600 gewapende Danieten te LaÔs, zij veroverden het, en "noemden de stad Dan, naar de naam van hun stamvader Dan" (vers 29). Zo zien wij hoe deze Danieten hun 'slangespoor' langs de weg achterlieten – hoe zij wegwijzers oprichtten waardoor men hen vandaag op het spoor kan komen.
Vergeet niet dat in het Hebreeuws de klinkers niet werden geschreven. De klinkers moesten bij het spreken worden aangevuld. Zo kan het woord 'Dan' dus eenvoudig zijn gespeld als 'Dn' en worden uitgesproken als 'Dan', 'Den', 'Din', 'Don', of 'Dun' en daarbij kan het steeds dezelfde oorspronkelijke Hebreeuwse naam zijn.
Vůůr de Assyrische ballingschap bezat de stam Dan in het Heilige Land twee verschillende districten of provincies. Eťn kolonie woonde langs de kust van Palestina. Ze bestond hoofdzakelijk uit zeelieden.
Richteren 5:17  Gilead bleef rustig aan de overzijde van de Jordaan; en Dan, waarom toefde het bij de schepen? Aser zat aan het strand der wijde zee, bleef rustig wonen aan zijn zeeboezems.
Toen AssyriŽ IsraŽl veroverde, ontkwamen deze Danieten in hun schepen en over de Middellandse Zee voeren zij naar het westen en verder naar het noorden naar Ierland. Vlak voor zijn dood profeteerde Mozes over Dan:
Deuteronomium 33:22  En van Dan zeide hij: Dan is een leeuwewelp, die uit Basan te voorschijn springt.
Jakob had Dan vergeleken met een slang vanwege zijn list en het spoor dat hij achterliet en Mozes vergeleek hem met een leeuw vanwege zijn moed en onverwachte aanvallen.
Langs de kusten van de Middellandse Zee lieten zij hun spoor achter in namen met 'Den', 'Don' en 'Din'.
De Ierse annalen en geschiedenis tonen dat de nieuwe bewoners van Ierland in diezelfde tijd de 'Tuatha de Danaans' waren, dat de 'Stam van Dan' betekent. Soms verschijnt hun naam als 'Tuathe De', dat het 'volk van God' betekent. En in Ierland zien wij dat zij de volgende 'wegwijzers' achterlieten: Dans-Laugh, Dan-Sower, Dun-dalk, Dun-drum, Don-egal Bay, Don-egal City, Dun-gloe, Din-gle, Dunsmor (dat 'meer Danieten' betekent). Bovendien betekent de naam Dunn in het Iers hetzelfde als Dan in het Hebreeuws: rechter.
De noordelijke kolonie van de Danieten werd echter in de ballingschap naar AssyriŽ gevoerd en vandaar trokken zij met de rest van de Tien Stammen over land.
Na de Assyrische ballingschap bewoonden zij enige tijd het land in de buurt van de Zwarte Zee. In dat gebied vinden wij de rivieren Dnjepr, Dnjestr en de Don.
Vervolgens vinden wij in de oudere en de meer recente aardrijkskunde deze wegwijzers: Don-au, de Dan-inu, de Dan-aster, de Dan-dari, de Dan-ez, de Don, de Dan en de U-don; de En-don, tot aan de Denen. Denemarken betekent "Dans merk".
Toen zij op de Britse Eilanden kwamen, hebben zij 'wegwijzers' opgericht als Dun-dee, Dun-raven; in Schotland zijn de 'Dans', 'Dons' en 'Duns' even overvloedig als in Ierland. Het 'slangespoor' van Dan bestaat dus uit wegwijzers die rechtstreeks naar de Britse Eilanden leiden!

Oude annalen van Ierland

Laten wij nu een korte blik werpen op wat er te vinden is in de oude annalen, legenden en geschiedenis van Ierland, dan hebben wij het toneel van Jeremia's 'planten' en de huidige verblijfplaats van het 'verloren' IsraŽl.
De ware oude geschiedenis van Ierland is zeer omvangrijk, zij het gekleurd door legenden. Maar met de feiten van de bijbelse geschiedenis en de profetieŽn in gedachten, kan men bij het bestuderen van oude Ierse annalen de legende gemakkelijk scheiden van de ware geschiedenis. Als wij verwerpen wat duidelijk legendarisch is, leiden wij uit de verschillende geschiedenissen van Ierland het volgende af:
Lang vůůr 700 v.Chr. arriveerde er in schepen een sterke kolonie, die 'Tuatha de Danaan' (stam van Dan) werd genoemd; zij verdreven andere stammen en vestigden zich daar. In de tijd van David, arriveerde uit het Nabije Oosten een kolonie van de lijn van Zerach.
Vervolgens kwam er in 569 v.Chr. (het jaartal van het overplanten door Jeremia) een oude, witharige patriarch, naar wie soms wordt verwezen als een 'heilige', naar Ierland. Met hem was een prinses, de dochter van een oosterse koning en een metgezel die 'Simon Brach' heette, in diverse geschiedenissen gespeld als Breck, Berech, Brach of Berach. De prinses droeg de Hebreeuwse naam Tephi, een koosnaam; haar volledige naam was Tea-Tephi.
Hedendaagse literatuur van mensen die de nationale identiteit van de Britse en Amerikaanse volken erkennen, verwart deze Tea-Tephi, een dochter van Zedekia, met een eerdere Tea, een dochter van Ith, die in de tijd van David leefde.
Tot dit koninklijke gezelschap behoorde de zoon van de koning van Ierland die ten tijde van het beleg in Jeruzalem was geweest. Daar had hij met Tea-Tephi kennis gemaakt. Kort na 585 (toen de stad viel) trad hij met haar in het huwelijk. Hun zoon, die nu ongeveer 12 jaar oud was, ging met hen mee naar Ierland. Behalve de koninklijke familie bracht Jeremia nog een aantal merkwaardige dingen mee, waaronder een harp, een kist en een wonderlijke steen die 'lia-fail' of 'steen der bestemming' werd genoemd. Een bijzonder toeval (?) is dat Hebreeuws van rechts naar links wordt gelezen en Engels van links naar rechts. Van welke kant u deze naam ook leest, het blijft "lia-fail".
Een ander vreemd toeval – of is het wel toeval? – is dat vele koningen in de geschiedenis van Ierland, Schotland en Engeland zittend op deze steen zijn gekroond – met inbegrip van de huidige koningin. Tot november 1996 bevond de steen zich in de Westminster Abbey te Londen en de kroningszetel was erover en eromheen gebouwd. Op een bordje erbij stond: "Jacob's pillar-stone" (Jakobs stenen hoofdkussen – Genesis 28:18). In 1996 is de steen teruggebracht naar Schotland.
De koninklijke echtgenoot van de Hebreeuwse prinses Tea ontving bij het bestijgen van de troon van zijn vader de titel Herremon. Deze Herremon wordt doorgaans verward met een veel eerdere Gede de Herremon uit Davids tijd. Deze huwde Tea, de dochter van zijn oom Ith. De zoon van de latere koning Herremon en de Hebreeuwse prinses continueerde de troon van Ierland en deze zelfde dynastie werd ononderbroken voortgezet met alle koningen van Ierland, werd vervolgens "omgekeerd" of overgeplant naar Schotland, nogmaals "omgekeerd" en overgeplant naar Londen, waar deze zelfde dynastie vandaag wordt voortgezet in de regering van koningin Elisabeth II.
Nog een interessant feit is dat de kroon die door de koningen uit de lijn van Herremon en door de andere vorsten van het oude Ierland werd gedragen twaalf punten had!

Koningin Elisabeth op Davids troon

Als de bijbelse geschiedenis, de profetieŽn en de Ierse geschiedenis met elkaar in verband worden gebracht, kan men dan ontkennen dat deze Hebreeuwse prinses de dochter van koning Zedekia van Juda was en daarom erfgenaam van de troon van David? Dat de bejaarde patriarch in feite Jeremia was en zijn metgezel Jeremia's secretaris Baruch? Dat koning Herremon een afstammeling van Zerach was, nu gehuwd met een dochter van Perez, zodat de oude breuk werd geheeld? Dat de troon van David, toen hij door Jeremia voor het eerst werd overgeplant, in Ierland werd herplant, later een tweede maal werd omgekeerd en in Schotland herplant, nog een derde maal werd omgekeerd en geplant in Londen? Wanneer Christus naar de aarde terugkeert om op deze troon plaats te nemen, zal Hij een levende, een bestaande troon overnemen, niet een niet-bestaande (Lukas 1:32).
En 'the British Commonwealth of Nations' (het Britse Gemenebest van Naties) is de enige groep naties in de gehele geschiedenis. Kunnen de Britse en Amerikaanse volken zo precies de bijzonderheden van het eerstgeboorterecht vervullen zonder het volk van het eerstgeboorterecht te zijn?
Na 1800 namen de Verenigde Staten zeer snel toe in nationale rijkdom en welvaart, maar bereikten de wereldheerschappij later dan het Britse Gemenebest. Het werd een reusachtige wereldmacht aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.

De Verenigde Staten zijn Manasse

Uit de profetische zegeningen die door de stervende Jakob werden doorgegeven blijkt dat EfraÔm en Manasse voor een groot deel het eerstgeboorterecht gezamenlijk zouden beŽrven, dat zij lange tijd bij elkaar zouden blijven en tenslotte zouden scheiden.
In Genesis 48 gaf Jakob het eerstgeboorterecht eerst aan de twee zonen van Jozef gemeenschappelijk en sprak over hen beiden gezamenlijk. Vervolgens sprak hij over hen individueel: Manasse zou de ene grote natie worden, EfraÔm de groep naties.
En in zijn profetie voor deze laatste dagen zei Jakob:
Genesis 49:22  Een jonge vruchtboom is Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur uit.
Met andere woorden, Jozef – EfraÔm en Manasse samen – zou in deze laatste dagen een koloniserend volk zijn; zijn koloniŽn zouden zich vanuit de Britse Eilanden over de aarde verspreiden.
EfraÔm en Manasse groeiden gezamenlijk uit tot een menigte, vervolgens gingen zij uit elkaar, in overeenstemming met Jakobs profetische zegening van Genesis 48. De V.S. en Groot-BrittanniŽ hebben deze profetie vervuld.
Maar hoe kunnen de V.S. Manasse zijn als een groot deel van dit volk uit andere naties dan Engeland afkomstig is? Het antwoord is als volgt: Een groot deel van Manasse bleef bij EfraÔm tot de afscheiding van Nieuw-Engeland. Maar voorvaderen van het Huis IsraŽl zouden over vele naties worden verstrooid, als graan door een zeef, maar er zou niets op de aarde vallen en verloren gaan (Amos 9:9).
Amos 9:9   Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van IsraŽl onder al de volken, gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen.
De Amerikanen en Britten kwamen inderdaad uit vele naties. EfraÔm en een groot deel van Manasse vestigden zich later gezamenlijk in Engeland, maar vele anderen van Manasse, die in andere naties waren verspreid, bleven daar, totdat zij, als immigranten, naar de Verenigde Staten kwamen nadat de kolonie Nieuw-Engeland een afzonderlijke natie was geworden. Dit betekent niet dat alle buitenlanders die naar de V.S. zijn geÔmmigreerd van de stam van Manasse zijn, maar velen ongetwijfeld wel. IsraŽl heeft evenwel altijd heidenen opgenomen; zij werden IsraŽlieten door in IsraŽls land te wonen en door huwelijksverbintenissen.
Zo zijn de V.S. bekend geworden als de 'smeltkroes' van de wereld. Dit feit weerlegt niet de afstamming van Manasse, maar bevestigt het juist. Manasse zou zich van EfraÔm afscheiden en de grootste, rijkste zelfstandige natie uit de geschiedenis worden. Alleen de V.S. hebben deze profetie vervuld. Manasse was in feite een dertiende stam. Er waren oorspronkelijk twaalf stammen. Jozef was een van deze twaalf. Maar toen Jozef zich in twee stammen verdeelde en Manasse zich als een onafhankelijke natie afscheidde, werd Manasse een dertiende stam.
Zou het slechts toeval zijn dat Manasse als natie begon met dertien koloniŽn?
Maar hoe is het nu met de andere stammen van de zogenaamde 'Verloren Tien Stammen'? Hoewel het eerstgeboorterecht aan Jozef behoorde en de zegeningen ervan het Britse Gemenebest van Naties en de Verenigde Staten van Amerika zijn ten deel gevallen, waren de andere acht stammen van IsraŽl eveneens Gods volk. Ook zij zijn in grote mate met materiŽle welvaart gezegend, maar niet met het overwicht dat tot het eerstgeboorterecht behoort.
Het ontbreekt ons aan ruimte voor een gedetailleerde uiteenzetting van de specifieke identiteit van al deze andere stammen in de naties van onze eenentwintigste eeuw. Wij volstaan hier met te zeggen dat er overvloedig bewijsmateriaal is dat deze andere acht stammen zich hebben voortgezet in Noordwest-Europese naties als Nederland, BelgiŽ, Denemarken, Noord-Frankrijk, Luxemburg, Zwitserland, Zweden, Noorwegen. Het volk van IJsland is eveneens van de Viking-stam. De politieke grenzen van Europa, zoals die vandaag bestaan, geven niet noodzakelijkerwijze de verdelingslijnen aan tussen de nakomelingen van deze oorspronkelijke stammen van IsraŽl.

 

Hoofdstuk X

EERSTGEBOORTERECHT 2520 JAAR UITGESTELD!

De meest opmerkelijke vervulling van bijbelse profetie in de moderne tijd was het plotselinge uitspruiten van de twee machtigste mogendheden: de ene, een gemenebest van naties dat het grootste wereldrijk aller tijden vormde; de andere, de welvarendste, machtigste natie op aarde in deze tijd. Deze eerstgeboorterechtvolken kwamen ongelooflijk plotseling in het bezit van meer dan tweederde – bijna driekwart – van alle ontgonnen rijkdommen en welvaart ter wereld! Deze sensationele opkomst in zo'n korte tijd levert het onomstotelijke bewijs van goddelijke inspiratie. Nimmer, in de hele geschiedenis, was iets dergelijks gebeurd.
Maar waarom vielen deze ongekende nationale welvaart en macht de erfgenamen van het eerstgeboorterecht pas na het jaar 1800 ten deel? Waarom is deze wereldmacht de stammen EfraÔm en Manasse niet reeds duizenden jaren geleden ten deel gevallen – in de tijd van Mozes, of Jozua, of David, of Elia?

Een 'natie' en een 'gemenebest van naties'

U herinnert zich dat de eerstgeboorterechtbelofte aan de twee stammen EfraÔm en Manasse werd gedaan; niet aan de andere stammen of hun nakomelingen. Deze twee eerstgeboorterechtstammen maakten deel uit van het noordelijke koninkrijk IsraŽl.
Zie nog eens de oorspronkelijke belofte:
Genesis 35:10  en God zeide tot hem: Gij heet Jakob; gij zult niet meer Jakob heten, maar IsraŽl zal uw naam zijn. En Hij noemde hem IsraŽl. 11  En God zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen.
Toen hij de eerstgeboorterechtbelofte doorgaf zei de stervende Jakob (IsraŽl) aangaande EfraÔm en Manasse, de zonen van Jozef: "... dat in hen mijn naam genoemd worde" (Genesis 48:16; Statenvertaling). Daarom zijn zij het – de afstammelingen van EfraÔm (de Britten) en Manasse (Amerikanen), niet de Joden, naar wie in de profetieŽn met de namen Jakob en IsraŽl wordt verwezen. Jakob voegde er verder nog aan toe: "… en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte."
Sprekend over Manasse en EfraÔm en hun afstammelingen afzonderlijk profeteerde Jakob:
Genesis 48:19  Maar zijn vader weigerde het en zeide: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; ook hij [Manasse] zal tot een volk [natie] worden en ook hij zal groot worden; nochtans zal zijn jongere broeder [EfraÔm] groter zijn dan hij, en diens nageslacht zal een volheid [een groep of gemenebest] van volken [naties] worden.
In het jaar 1800 waren het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten te midden van de andere naties op aarde nog niet belangrijk. Het Verenigd Koninkrijk bestond slechts uit de Britse Eilanden, een klein deel van India plus Canada en een paar eilandjes. De Verenigde Staten bestonden slechts uit de oorspronkelijke 13 koloniŽn en drie nieuwe staten. Geen van beide naties bezat grote welvaart of macht.
Maar vanaf 1800 begonnen deze twee naties uit te spruiten en hun nationale rijkdommen en macht begonnen te groeien zoals geen volk ooit was overkomen. Weldra strekte het Britse rijk zich rond de gehele aarde uit, tot de zon nooit meer boven de bezittingen ervan onderging. Canada, AustraliŽ, Zuid-Afrika kregen de 'dominion'-status: werden vrije en onafhankelijke naties, die zichzelf onafhankelijk van Engeland bestuurden: een groep of gemenebest van naties verenigd, niet door ťťn regering, maar enkel en alleen door de troon van David!
Maar waarom werd dit kolossale eerstgeboorterecht, dat onvoorwaardelijk aan Abraham, en opnieuw aan Isašk en Jakob was beloofd, duizenden jaren lang nooit geschonken, maar wel pas na het jaar 1800? Het antwoord is fascinerend!
Om dit miraculeuze plotselinge opschieten tot wereldheerschappij te begrijpen, is het nodig een studie te maken van de spil van alle oudtestamentische profetieŽn: het 26e hoofdstuk van Leviticus.

Een profetie voor nu

Deze opmerkelijke profetie heeft betrekking op onze tijd, evenzeer als ze een waarschuwing was voor het volk IsraŽl van Mozes' tijd. Weinig mensen weten dat de profetieŽn van het Oude Testament in de eerste plaats op onze tijd betrekking hebben; in veel gevallen helemaal niet op oudtestamentische tijden.
De meeste geestelijken en kerkelijke leiders in deze wereld ontvangen hun opleiding op een theologisch seminarie van hun eigen kerkgenootschap. Zij worden bijna geheel uit sektarische boeken onderwezen, niet uit de Bijbel. Velen van hen zullen zeggen: "Wij zijn een nieuwtestamentische kerk", in de veronderstelling dat de oudtestamentische profetieŽn slechts op oudtestamentische tijden betrekking hadden en dat ze voor ons vandaag geen betekenis hebben. Dit is een vergissing en een dwaling! Vele oudtestamentische profetieŽn werden nooit geschreven voor, of gelezen door of voor, de IsraŽlieten van die tijd. De nieuwtestamentische Gemeente van God is gebouwd op het fundament van de oudtestamentische profeten, evenzeer als op de apostelen (Efeze 2:20).
DaniŽl schreef nadat zowel IsraŽl als Juda in slavernij uit Palestina waren weggevoerd. Hij had geen mogelijkheid om zijn profetieŽn aan zijn in slavernij verkerende landgenoten mede te delen en bovendien was de betekenis ervan verborgen en verzegeld tot onze tijd van nu.
Daniel 12:8  Ik nu hoorde het wel, maar begreep het niet en zeide: Mijn heer, waarop zullen deze dingen uitlopen? 9  Doch hij zeide: Ga heen, Daniel, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd.
EzechiŽl was geen profeet voor de Joden van het Huis Juda, hoewel hij in hun ballingschap bij hen vertoefde. Maar zijn profetie was bestemd voor het Huis IsraŽl, dat ongeveer 130 jaar daarvoor was verdreven en dat in EzechiŽls tijd uit het zicht was verdwenen. Zijn profetieŽn moesten aan het Huis IsraŽl van vandaag, in deze 21e eeuw, worden overgebracht door Gods dienaren die nu hun identiteit kennen! En deze profetie van Leviticus 26 is, hoewel door Mozes geschreven voordat de IsraŽlieten het beloofde land binnengingen, een profetie met een tweeledige vervulling. Het was een waarschuwing voor de mensen van Mozes' tijd, maar de tweede en laatste vervulling ervan heeft in onze tijd plaatsgevonden en vindt nu nog plaats. En door de tweeledige vervulling, die voor zoveel profetieŽn kenmerkend is, is het eveneens een waarschuwing voor het Amerikaanse en het Britse volk voor komende gebeurtenissen! Leviticus 26 is de fundamentele profetie van het Oude Testament. Het bevat een essentiŽle, levende, geweldige boodschap en waarschuwing voor deze volken van vandaag!

De centrale profetie

In deze centrale profetie, bevestigde God opnieuw voor de mensen van Mozes' tijd de belofte van het eerstgeboorterecht – maar met voorwaarden! De eerstgeboorterechtstammen EfraÔm en Manasse bevonden zich in die tijd bij de andere stammen; ze vormden er ťťn natie mee. Door gehoorzaamheid aan Gods wetten zouden de onmetelijke nationale welvaart en zegeningen van het eerstgeboorterecht niet alleen EfraÔm en Manasse ten deel vallen, maar de hele natie zou er in die tijd automatisch in hebben gedeeld.
Let erop dat twee van de Tien Geboden met nadruk worden genoemd. Dit waren de belangrijkste testgeboden! Dit waren de test van gehoorzaamheid en van geloof in en trouw aan God. God zei:
Leviticus 26:1  Gij zult u geen afgoden maken; een gesneden beeld noch een gewijde steen zult gij u oprichten; ook een steen met beeldhouwwerk zult gij in uw land niet zetten, om u daarvoor neder te buigen, want Ik ben de Here, uw God. 2  Mijn sabbatten zult gij houden en mijn heiligdom ontzien, Ik ben de Here.
Er was een voorwaarde een zeer groot 'indien' voor het verkrijgen van de feitelijke vervulling in hun tijd van deze enorme geboorterechtbelofte! God zei:
Vers 3  Indien gij in mijn inzettingen wandelt en mijn geboden nauwgezet in acht neemt, 4  dan zal Ik u te rechter tijd uw regens geven, zodat het land zijn opbrengst geeft en het geboomte des velds zijn vrucht draagt.
Alle rijkdom komt uit de grond. Zij zouden het gehele jaar door zeer rijke oogsten hebben, de ene vlak na de andere.
Vers 6   En Ik zal vrede in het land geven, zodat gij nederliggen zult, zonder dat iemand u opschrikt; Ik zal de wilde dieren uit het land uitroeien, en het zwaard [van oorlog] zal uw land niet teisteren.
Wat een zegen! Welk land kan zich verheugen in onafgebroken vrede, zonder vrees voor een invasie?
Uiteraard heeft ieder land in deze wereld vijanden. Wat zou er gebeuren als vijandelijke landen zouden aanvallen?
Vers 7  En gij zult uw vijanden vervolgen, en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. 8  Vijf van u zullen honderd achtervolgen, en honderd van u zullen tienduizend achtervolgen, en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
Aangezien vele naties in deze wereld altijd oorlogszuchtig zijn, zou IsraŽl worden aangevallen. Een natie met militaire superioriteit zou weldra de heersende, machtigste natie op aarde worden – in het bijzonder met rijkdommen en grote schatten uit de grond.
Vers 9: En Ik zal Mij tot u wenden, u vruchtbaar doen zijn en u talrijk maken, en Ik zal mijn verbond met u bevestigen.

Het grote indien

Maar nu komt het alternatief indien aan de voorwaarden niet wordt voldaan:
Vers 14  Maar indien gij naar Mij niet luistert en al deze geboden niet doet, 15  indien gij mijn inzettingen versmaadt en van mijn verordeningen een afkeer hebt, zodat gij geen van mijn geboden doet en mijn verbond verbreekt, 16  dan zal Ik ook aldus met u doen en met verschrikking u bezoeken: tering en koorts, die de ogen verteren en het leven doen verkwijnen; dan zult gij tevergeefs uw zaad zaaien, want uw vijanden zullen het eten. 17  Ik zal mijn aangezicht tegen u keren, zodat gij voor uw vijanden geslagen zult worden, en die u haten, zullen over u heersen, en gij zult vluchten, zonder dat iemand u vervolgt.
Zij zouden worden veroverd, onderworpen, opnieuw slaven worden – zoals in Egypte voordat God hen bevrijdde.

Wat gebeurde er?

Deze IsraŽlieten jammerden, mopperden, klaagden en twijfelden aan God bijna vanaf dezelfde nacht dat zij Egypte verlieten. Bij de Rode Zee redde God hen op wonderbaarlijke wijze van het Egyptische leger dat hen achtervolgde. God zond manna en kwartels uit de hemel om hen te voeden. God liet drinkwater uit de grote rots stromen. Maar zij bleven klagen en legden steeds een opstandige houding aan de dag.
Onder Mozes kwamen de IsraŽlieten in de woestijn aan de voet van de berg SinaÔ. Mozes werd de berg opgeroepen waar God met hem sprak. God bood IsraŽl toen de gelegenheid om Zijn natie te worden – onder Zijn heerschappij en bij gehoorzaamheid en trouw aan Zijn regering zouden zij het fabelachtige nationale eerstgeboorterecht van wereldheerschappij kunnen ontvangen.
De Eeuwige zei:
Exodus 19:5  Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij.
Merk op dat God hen niet dwong Zijn volk te worden – een 'uitverkoren' volk, verschillend van de afvallige heidense koninkrijken. De keuze was aan hen!

Het begin van een natie

Mozes keerde naar het kamp terug. Hij legde de door God voorgestelde overeenkomst (een verbond) voor aan die grote verzameling van wellicht twee of drie miljoen mensen.
Vers 8  En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden van het volk weder aan de Here over.
Gedurende twee dagen werden de mensen speciaal voorbereid op een machtige gebeurtenis: zij zouden vanaf de berg de stem van God zelf horen. Op de derde dag klonk, te midden van een fantastisch, geweldig bovennatuurlijk schouwspel van donder en bliksem en dikke wolken die boven de berg kolkten, Gods machtige stem, buitengewoon sterk, die met donderend geluid de fundamentele wet van Zijn regering sprak – de grote geestelijke wet die in principe Gods levenswijze bepaalt: de weg om al het kwaad dat de wereld bestookt te voorkomen, de weg die vrede, geluk, welvaart zou teweegbrengen.
De enorme menigte hoorde daadwerkelijk de stem van de eeuwige God, die hun de Tien Geboden meedeelde! De mensen waren geschrokken! Zij beefden! Het was een ontzagwekkende ervaring, iets wat nooit eerder had plaatsgevonden – en sindsdien ook nooit meer plaatsgevonden heeft!
Daarna gaf God, door middel van Mozes, meer details van Zijn voorstel om hen als Gods natie te vestigen. Opnieuw antwoordde het volk eenstemmig:
Exodus 24:3  Toen kwam Mozes en deelde het volk al de woorden des Heren en al de verordeningen mee, en het gehele volk antwoordde eenstemmig: Al de woorden, die de Here gesproken heeft, zullen wij doen.
Mozes noteerde alle voorwaarden van dit verbond, deze overeenkomst waarbij deze ex-slaven Gods natie werden, deze overeenkomst die tevens een huwelijksverbond was, met de Eeuwige als echtgenoot, waarbij de vrouw (IsraŽl) verplicht was haar man te gehoorzamen.
Mozes las de voorwaarden – het 'boek des verbonds' – aan het hele volk voor. Opnieuw kwam de unanieme beslissing van hun kant:
Vers 7  Hij nam het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen.

Het oude verbond was een huwelijk

De verbondsovereenkomst tussen God en dit volk – 'het oude verbond' – werd toen met bloed bekrachtigd en in werking gesteld (Exodus 24:5-8).
Dit 'oude verbond' werd bemiddeld door Mozes. Het bond officieel een sterfelijk, menselijk volk aan de Eeuwige God. Het werd Zijn natie. Zij hadden als staatsburgers trouwe gehoorzaamheid beloofd.
Dit 'oude verbond' was gebaseerd op de eerstgeboorterechtbelofte die God aan Abraham had gedaan. Maar sterfelijke mensen, die zijn vervuld van de ijdelheid, naijver, wellust en hebzucht van de menselijke natuur, blijven zelden trouw aan hun beloften. Daarom komt de levende Christus nu spoedig als de Middelaar van het nieuwe verbond, dat op betere beloften is gebaseerd (HebreeŽn 8:6-10 en 9:15). Het nieuwe verbond zal echter niet worden gesloten met sterfelijke mensen die hun beloften niet nakomen. God bereidt een volk voor om onsterfelijk te worden gemaakt. Deze onsterfelijken zullen met Christus in het huwelijk worden verbonden. Hij stierf, stond op en zond Gods heilige Geest om deze nieuwtestamentische 'vrouw' te heiligen en te reinigen (Efeze 5:26-27).
Het nieuwe verbond zal worden gesloten met een volk dat al beproefd is, door hun christelijke leven van gehoorzaamheid, geloof, van groeien in goddelijk karakter en geestelijke kennis, en van overwinnen, een volk dat pas dan onsterfelijk en heilig en volmaakt zal worden.
Het nieuwe verbond is gebaseerd op de scepterbelofte die aan Abraham is gedaan, door middel van de komende Koning der koningen, Jezus Christus, van de dynastie van David.

Zij gaan tot afgoderij over

Maar zie nu hoe deze sterfelijke IsraŽlieten handelden.
Nadat het oude verbond tussen God en IsraŽl was geratificeerd, riep God Mozes de berg op. Mozes moest daar veertig dagen blijven om er uitvoerige instructies voor de vergadering (Gemeente) en voor de natie te ontvangen (want bij de IsraŽlieten waren kerk en staat verenigd).
Toen Mozes na enkele dagen nog niet terug was, zei het volk tegen Ašron:
Exodus 32:1  Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen, verzamelde het zich rondom Ašron, en zeide tot hem: Welaan, maak ons goden, die voor ons uit gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd, wij weten niet, wat er van hem geworden is. 2   En Ašron zeide tot hen: Rukt de gouden ringen af, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen en uw dochters zijn, en brengt ze mij. 3   Toen rukte het gehele volk zich de gouden ringen die in hun oren waren, af en zij brachten ze aan Ašron. 4  Hij nam ze van hen aan, gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden: Dit is uw god, IsraŽl, die u uit het land Egypte heeft gevoerd.
Mozes kwam de berg af met de twee stenen tafelen waarop de Eeuwige met Zijn eigen vinger de Tien Geboden had gegraveerd. Toen hij dit gouden afgodsbeeld zag en het volk dat het met vrolijkheid en dansen aanbad, verloor hij zijn geduld en in woede smeet hij de stenen tafelen neer en brak ze.
Evenals grote godsdienstige organisaties van vandaag die beweren christelijk te zijn, zeiden zij natuurlijk dat dit kalf God alleen voorstelde, het vormde voor hen een uitbeelding van hoe zij zich God dachten.
Nadat dit gegoten gouden kalf was gemaakt, kondigde Ašron een feest "voor de Here" aan, waarop zij het afgodsbeeld aanbaden.
Vers 5  Toen Ašron dat zag, bouwde hij daarvoor een altaar en riep uit: Morgen is er een feest voor de Here!
Ga een Anglicaanse kerk of een rooms-katholieke kerk binnen en vraag de priester of dienstdoende geestelijke of de afbeeldingen van 'Christus' en van 'Maria' afgoden zijn, of zij al of niet afgodsbeelden aanbidden. Verontwaardigd zullen zij zeggen: "Nee! Wij aanbidden geen afgoden. Wij aanbidden geen beelden. Wij beweren niet dat de afbeeldingen werkelijk Christus of Maria zijn, alleen dat zij voorstellen, of voor ons uitbeelden, hoe Christus en Maria eruitzien!"
Welnu, dat is precies de manier waarop alle heidenen altijd afgoden hebben aanbeden! Vanzelfsprekend is beeldenaanbidding een type van valse geestelijke aanbidding, een leer van valse doctrines, behoudens Gods ware Gemeente in praktijk gebracht door alle religies, waaronder het protestantisme en de vele denominaties. Toen IsraŽl van Gods weg afweek, ontbrandde Gods toorn hierbij zeer hevig.
Vers 7  En de Here sprak tot Mozes: Ga, daal af, want uw volk, dat gij uit het land Egypte hebt gevoerd, heeft het verdorven. 8  Zij hebben zich gehaast om af te wijken van de weg die Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, waarvoor zij zich hebben nedergebogen en waaraan zij geofferd hebben, terwijl zij zeiden: dit is uw god, IsraŽl, die u uit het land Egypte heeft gevoerd. 9  Vervolgens zeide de Here tot Mozes: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een hardnekkig volk. 10  Nu dan, laat Mij begaan, dat mijn toorn tegen hen ontbrande en Ik hen vernietige, maar u zal Ik tot een groot volk maken.
Een dergelijke verering zal God niet accepteren! Zie ook Deuteronomium 12:30-31.
Deuteronomium 12:30  neem u er dan voor in acht, dat gij u niet laat verleiden na hun verdelging hun voorbeeld te volgen, en dat gij hun goden niet zoekt, zeggende: hoe dienden deze volken hun goden? zo wil ik het ook doen. 31  Niet alzo zult gij de Here, uw God, dienen; want al wat de Here een gruwel is, wat Hij haat, doen zij voor hun goden; zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij voor hun goden met vuur.

Uitstel van 40 jaar

In het tweede jaar na het verlaten van Egypte, had God de IsraŽlieten naar een nieuw kamp in de woestijn Paran geleid (Numeri 10:11-12). God zei toen tot Mozes om twaalf mannen, ťťn leider of heerser uit elke stam, naar het beloofde land te sturen om het te bespieden en over het land en zijn bewoners verslag uit te brengen (Numeri 13:1-2).
Deze mannen bleven 40 dagen weg. Toen zij waren teruggekeerd, gaven zij allen op twee na, Jozua en Kaleb, een valse voorstelling van wat zij hadden gezien in de vorm van een zeer ongunstig verslag. Toen Jozua en Kaleb de waarheid vertelden, trachtte het volk hen te stenigen. De mensen namen het slechte verslag aan, klaagden tegen God, twijfelden, kwamen in opstand, waren ongehoorzaam.
Heeft u zich wel eens afgevraagd waarom deze IsraŽlieten op weg naar het beloofde land 40 jaar in de verlaten, dorre, woeste, bergachtige wildernis waren? Dat was niet omdat de reis 40 jaar in beslag nam. De mannen die erheen waren gezonden om er verslag van uit te brengen, reisden erheen, doorkruisten het van het ene eind naar het andere en keerden terug, een retourreis, in 40 dagen. Maar het volk mopperde, geloofde God niet, was ongehoorzaam en weigerde er rechtstreeks heen te gaan om het in bezit te nemen; in plaats van te beslissen op te trekken en deze grote beloning die God hun wilde geven in bezit te nemen, verachtten zij het, ontbeerden het geloof er binnen te gaan en het in bezit te nemen, weigerden op te trekken.
Dit beloofde land is een type van het glorieuze Koninkrijk van God, dat de levende Verlosser, Jezus Christus, ons aanbiedt. Maar wij, de afstammelingen van die IsraŽlieten, verachten het, hebben liever de 'slavernij' van de zonde, schieten te kort in geloof om door te gaan en Gods Koninkrijk in bezit te nemen. Ook wij komen in opstand, geloven niet en zijn ongehoorzaam. En zij die het aldus verachten zullen dat glorieuze Koninkrijk, waar eeuwig leven in geluk en vervulling is, niet binnengaan.
Tot dit opstandige volk zei God:
Numeri 14:29  In deze woestijn zullen uw lijken vallen, namelijk zovelen als er van u geteld zijn, naar uw volle getal, van twintig jaar oud en daarboven, omdat gij tegen Mij gemord hebt. 30  Voorwaar, gij zult niet komen in het land, waarvan Ik gezworen heb u daarin te doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun! 31  En uw kinderen, van welke gij gezegd hebt: Die zullen tot een buit zijn; hen zal Ik er brengen, opdat zij het land leren kennen, dat gij veracht hebt. 32  Maar wat u betreft, uw lijken zullen vallen in deze woestijn, 33  en uw zonen zullen veertig jaar lang in de woestijn rondzwerven en uw overspelig gedrag boeten, totdat uw lijken alle in de woestijn liggen.
En nu volgt het 'een-dag-voor-een-jaar principe':
Vers 34  Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag een jaar, opdat gij weet wat het betekent, als Ik Mij afkeer.
In feite was deze straf een uitstel van de beloofde zegening voor de duur van veertig jaar.

Opnieuw afgoderij

Die generatie IsraŽlieten werd niet toegestaan het beloofde land binnen te gaan. Zij brachten veertig jaar in de woestijn door. Hun kinderen gingen onder leiding van Jozua het Heilige Land binnen.
En toen?
Zij kregen het zo druk met het innemen van het hun beloofde land, met het verdrijven van de vele kleine koninkrijkjes, dat zij gedurende Jozua's leven en enige tijd daarna God dienden en voorspoed hadden. Zij begonnen goed op weg naar het beŽrven – in hun tijd – van de geweldige zegeningen van het eerstgeboorterecht.
Maar nadat Jozua was gestorven en:
Richteren 2:10  Nadat ook dat gehele geslacht tot zijn vaderen vergaderd was, kwam na hen een ander geslacht op, dat de Here niet kende, noch het werk, dat Hij voor IsraŽl gedaan had. 11  Toen deden de IsraŽlieten wat kwaad is in de ogen des Heren en gingen de Baals dienen. 12  Zij verlieten de Here, de God hunner vaderen, die hen uit het land Egypte geleid had, liepen andere goden achterna uit de goden der volken rondom hen, bogen zich daarvoor neer en krenkten de Here. 13  Wanneer zij de Here verlieten en de Baal en de Astartes dienden, 14  ontbrandde de toorn des Heren tegen IsraŽl: Hij gaf hen in de macht van plunderaars, die hen uitplunderden, en Hij gaf hen over in de macht van hun vijanden rondom hen, zodat zij niet meer tegen dezen konden standhouden. 15  Telkens als zij uittrokken, was de hand des Heren tegen hen ten verderve, zoals de Here hun onder ede aangezegd had, en zij kwamen in grote benauwdheid.
Dus precies zoals God in vers 14-17 van Leviticus 26 had gewaarschuwd, bracht God inderdaad verschrikking over hen; zij zaaiden inderdaad tevergeefs hun zaad, want hun vijanden aten de opbrengst op. God keerde inderdaad Zijn aangezicht tegen hen!
Gods woord staat vast! Wat jammer dat individuele personen noch volken in staat schijnen dat te geloven!
Maar dit was niet het einde. God is een barmhartige, vergevende God. Herhaaldelijk gaf Hij hun nog een kans.
Vers 16  dan verwekte de Here richters, die hen verlosten uit de macht van hun plunderaars. 17  Ook naar hun richters luisterden zij echter niet, maar liepen overspelig andere goden na en bogen zich daarvoor neder; zij haastten zich om af te wijken van de weg die hun vaderen bewandeld hadden door te luisteren naar de geboden des Heren; zij handelden niet naar behoren.
Dit gebeurde herhaaldelijk. Iedere keer als zij als vazallen onder het juk van een ander land kwamen, riepen zij God aan om bevrijding. Maar ook keerden zij zich, iedere keer als God een richter had gezonden om hen te bevrijden, weer zeer snel van God af. Zodra het hen goed ging, gingen deze mensen opnieuw over tot afgoderij.
Maar waren zij anders dan wij, hun hedendaagse nakomelingen? De meesten van ons zoeken God alleen als er moeilijkheden zijn, alleen als wij vinden dat wij Hem in ons eigen belang nodig hebben!
Tot in die tijd hadden zij toch nog altijd God als hun enige Heerser erkend, al hadden zij geklaagd, geloof ontbeerd, al waren zij herhaaldelijk tegen God ingegaan. Al vertrouwden zij misschien niet op Hem, of waren aan Hem en Zijn bestuur ongehoorzaam, zij erkenden evenwel geen andere Machthebber.

Zij verwerpen God als Koning

In de dagen van SamuŽl echter verwierpen zij God ook als hun nationale Koning, als hun burgerlijke Machthebber. Zij eisten een menselijke koning, zoals alle ongelovige heidenen (1 Samuel 8:1-7).
God als Heerser te verwerpen was de grootste zonde. Tot dan toe hadden zij Hem erkend, hadden niemand anders als Koning beschouwd. Dit lijkt de jaren van complete zonde te hebben ingezet, waarvoor God hen strafte.
Desalniettemin waren zij, onder 'het oude verbond' van de berg SinaÔ, nog altijd Gods natie. God hield zich nog altijd met hen bezig. Hij 'scheidde' pas van hen in 721-718 v.Chr., zoals wij zullen zien.
Onder Saul leden zij. Onder koning David begon het hun goed te gaan en tijdens Salomo's regering bereikten zij een aanzienlijke staat van welvaart. Maar zij waren niet opgebloeid tot de volledige status van overheersende wereldmacht die met het eerstgeboorterecht was beloofd. En Salomo's voorspoed bracht hem tot afgoderij. Opnieuw schonden zij de voorwaarde voor het ontvangen van het eerstgeboorterecht.
Toen Salomo's zoon Rechabeam koning werd, dreigde hij het volk nog zwaardere belastingen op te leggen. Daarop verwierp de natie Rechabeam en stelde Jerobeam, van de stam EfraÔm, als koning aan.

Een verdeelde natie

Dit veroorzaakte verdeeldheid! Om de Davidische dynastie te behouden, scheidde Juda zich af. Met Benjamin en het grootste deel van Levi, vormden zij een nieuwe natie: het koninkrijk Juda! Zij droegen niet langer de nationale naam 'IsraŽl'. De mensen van dit nieuwe koninkrijk Juda zijn degenen die als de Joden bekend werden. De mensen van het koninkrijk IsraŽl, die het noordelijke deel van Palestina (ten noorden van Jeruzalem) bewoonden, werden nooit Joden genoemd.
Nu werden de beloften van het eerstgeboorterecht en van de scepter over twee naties verdeeld. U herinnert zich dat EfraÔm en Manasse het eerstgeboorterecht deelden. Als dat toen was beŽrfd, zouden de anderen van de tienstammige natie IsraŽl er automatisch deel aan hebben gehad. Zij waren immers een deel van dezelfde natie!
Onder Jerobeam schond de tienstammige natie IsraŽl Gods wetten echter totaal, in het bijzonder de twee testgeboden. Bijna het eerste wat Jerobeam deed, was het oprichten van afgodsbeelden. Gods herfstfeesten verschoof hij van de zevende naar de achtste maand. Er zijn aanwijzingen dat hij ook Gods sabbat van de zevende naar de 'achtste' dag (de eerste dag van de week) verschoof.
Zelfs na dit alles gaf God de natie nog iedere kans om zich voor de geweldige zegeningen van het eerstgeboorterecht te kwalificeren. Gedurende de regering van 19 koningen van zeven verschillende dynastieŽn drong God er door middel van Zijn profeten bij hen op aan zich te bekeren. Maar deze opstandige natie vertoonde geen neiging zich tot Gods wegen te keren. Herhaaldelijk waren zij gestraft. Maar zij weigerden de les te leren die de ervaring hun had moeten leren.

De zeven profetische tijden

Nu verder in Leviticus 26:
Leviticus 26:18  En indien gij desniettegenstaande niet naar Mij luistert, dan zal Ik u blijven tuchtigen wegens uw zonden, tot zevenmaal toe.
Het is belangrijk dit te begrijpen!
Deze uitdrukking "zevenmaal" is een vertaling van een Hebreeuws woord met een tweeledige betekenis. Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord dat Mozes neerschreef is sjibah. Dit wordt omschreven als 'zevenmaal' en ook als 'zevenvoudig'. 'Zevenmaal' (of 'zeven tijden'; cf. Eng. 'seven times') houdt in de duur of voortzetting van de straf. Maar het woord drukt ook de betekenis 'zevenvoudig' uit, ofwel een zevenmaal grotere intensiteit van de straf; een straf die zevenmaal zo zwaar is. In deze zin is de betekenis hetzelfde als in DaniŽl 3:19, waar koning Nebukadnezar in woede het bevel gaf, dat de oven waarin DaniŽls drie vrienden moesten worden geworpen zevenmaal zo heet moest worden gestookt.
Laten wij nu kijken naar de betekenis van de "zevenmaal", of zeven profetische 'tijden'. Want dit is een profetie. In de profetieŽn is een 'tijd' een profetisch jaar van 360 dagen. En gedurende IsraŽls straf vertegenwoordigde iedere dag een jaar in de vervulling.
Dit 'een-dag-voor-een-jaar principe' wordt verklaard in twee andere passages over de duur van IsraŽls straf. Een daarvan hebben wij al besproken. God strafte die generatie IsraŽlieten, die door Mozes uit Egypte was geleid, door de toegang tot het beloofde land veertig jaar uit te stellen. Dit beloofde land was een eerste deel van het eerstgeboorterecht. God strafte hen volgens het principe van een jaar voor iedere dag – een veertig jaar durende straf voor de 40 dagen van overtreding.

EzechiŽls 'dag voor een jaar'

Om de profeet EzechiŽl te doordringen van de ernst van IsraŽls jaren van opstandigheid jegens Gods bewind en Gods wetten, die grote zegeningen zouden hebben gebracht, legde God hem ditzelfde principe op; alleen werd het omgekeerd toegepast.
Vanaf hun verwerping van God als Koning hadden de zonden van het Huis IsraŽl 390 jaar voortgeduurd. God kon natuurlijk niet van deze profeet verwachten dat hij in ťťn mensenleven de straf van deze jaren van zonden zou ondergaan op basis van het dragen van iedere dag van zondigen voor de duur van een jaar. Dat zou 2000 levens hebben vereist. Daarom paste God het principe omgekeerd toe. EzechiŽl moest IsraŽls zonden dragen gedurende een dag voor elk jaar dat zij hadden gezondigd. Het blijft evenwel hetzelfde 'een-dag-voor-een-jaar principe'!
EzechiŽl werd gezegd op zijn linkerzij te gaan liggen, als een denkbeeldig beleg van Jeruzalem, dat op een tichelsteen vůůr hem was afgebeeld.
Ezechiel 4:1  Gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, leg die voor u en teken daarop een stad, Jeruzalem. 2  En breng haar in staat van belegering: bouw een schans tegen haar, werp een wal op tegen haar, sla legerkampen tegen haar op, breng aan alle kanten stormrammen tegen haar in stelling. 3  En gij, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Richt uw blikken vast op haar, zodat zij in staat van belegering komt; en beleger haar. Dit zal voor het huis IsraŽls een teken zijn. 4  En gij, ga op uw linkerzijde liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis IsraŽls; naar het getal der dagen dat gij daarop liggen zult, zult gij hun ongerechtigheid dragen. 5  En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op, naar het getal der dagen: driehonderd en negentig dagen. Zo zult gij de ongerechtigheid van het huis IsraŽls dragen. 6   Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op.
Het wordt verder ook in vers 9 genoemd.
Maar bij de andere toepassing van het 'een-dag-voor-een-jaar principe', die eerder werd verklaard en waar het eveneens werd toegepast op de duur van de straf die het volk werd opgelegd, moest de straf door hen worden gedragen op basis van een jaar straf voor iedere dag. Ook in dit geval was de straf het aantal jaren dat een beloofde zegen werd uitgesteld.
Nu komen wij aan de uitdrukking "dan zal Ik u blijven tuchtigen wegens uw zonden, tot zevenmaal toe" in Leviticus 26. Het is duidelijk, zowel door het woordgebruik in de zin als door het feit van de daadwerkelijke vervulling, dat hier sprake is van de duur van zeven profetische 'tijden' of jaren. En volgens dit 'een-jaar-voor-een-dag principe' wordt dit zeven jaar van 360 dagen – een totaal van 2520 dagen. En als iedere dag een jaar straf is – in dit geval, evenals in dat van Numeri 14:34, een uitstel van een beloofde zegen – wordt de straf een intrekking en uitstel van de beloofde zegeningen gedurende 2520 jaar! Want dat is precies wat er is gebeurd!

Wat is een 'tijd'?

Maar is het u opgevallen dat we zeiden dat een profetische 'tijd' een 360 dagen tellend jaar is? Waarom geen jaar van 365ľ dagen? Waarom geen zonnejaar?
In oude bijbelse tijden werd een jaar berekend op grond van twaalf maanden van 30 dagen. Al vůůr de tijd dat God, in de dagen van Mozes, Zijn volk de door Hem vastgestelde kalender gaf, werd de 30 dagen tellende maand gebruikt.
Zie Genesis 7:11:
Genesis 7:11  In Noachs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend.
Vers 24   En de wateren hadden de overhand over de aarde, honderd vijftig dagen lang.
Vervolgens Genesis 8:3-4:
Genesis 8:3  en de wateren vloeiden gestadig van de aarde weg. Aldus namen de wateren na verloop van honderd vijftig dagen af. 4  En in de zevende maand, op de zeventiende dag der maand, bleef de ark vastzitten op het gebergte van Ararat.
Dus, de zondvloed begon op de 17e dag van de tweede maand. Na 150 dagen rustte de ark op de berg Ararat, op de 17e dag van de 7e maand. Dat is op de dag af vijf maanden. Vijf maanden van 30 dagen zijn precies 150 dagen. Maanden waren dus maanden van 30 dagen!
Wij zien dit ook precies zo berekend in zowel DaniŽl als Openbaring. In Openbaring 12:6 wordt in een profetie aangaande een gebeurtenis die in de feitelijke geschiedenis 1260 zonnejaren duurde, gesproken over "twaalfhonderd zestig dagen". Hier is dus opnieuw een profetische dag een jaar in de vervulling. In Openbaring 13:5 (waar naar een andere gebeurtenis wordt verwezen, maar naar een zelfde periode van tijd) wordt deze zelfde periode van 1260 dagen, die in 1260 zonnejaren werden vervuld, aangeduid als "tweeŽnveertig maanden". Nu zouden 42 maanden volgens de kalender die nu in gebruik is, niet 1260 dagen zijn, maar 1276 dagen – of, als er een schrikkeljaar is, 1277. Of, als het extra halve jaar in de laatste helft van het jaar mocht vallen, zouden het 1278, 1279 of 1280 dagen zijn. Maar de 42 maanden van Openbaring 13:5 is dezelfde hoeveelheid tijd als de 1260 dagen van Openbaring 12:6. Dus de 42 maanden waren maanden van 30 dagen.
Over hetzelfde aantal dagen wordt in Openbaring 12:14 in weer andere taal gesproken: "een tijd en tijden en een halve tijd". De "tijd" is ťťn profetisch jaar; de "tijden" zijn nog twee profetische jaren; de hele uitdrukking is 3Ĺ profetische 'tijden', precies 1260 dagen – 3Ĺ jaar van 30 dagen tellende maanden. Zeven van deze 'tijden' zouden dus 2520 dagen zijn en op basis van een-dag-voor-een-jaar 2520 jaar!
In DaniŽl 12:7 wordt dezelfde uitdrukking "een tijd, tijden en een halve tijd" genoemd.
Wij nemen hier voldoende ruimte om dit begrip duidelijk, helder en begrijpelijk te maken. Want het is fundamenteel voor verscheidene van de belangrijkste profetieŽn.
Een profetische 'tijd' is dus een jaar van 360 dagen, of eenvoudig 360 dagen. En gedurende die jaren van IsraŽls straf was, zoals is duidelijk gemaakt door Leviticus 26:18 in verband te brengen met EzechiŽl 4:4-6, Numeri 14:34 en Openbaring 13:5 en 12:6, iedere dag van een profetische 'tijd' ťťn jaar in de vervulling. In Leviticus 26:18 en in Openbaring 12:6 en 13:5 wordt deze betekenis geverifieerd en bewezen door het feit dat de profetie in precies de aangegeven tijd werd vervuld.

Eerstgeboorterecht 2520 jaar uitgesteld

Nu weer terug naar de centrale profetie van Leviticus 26.
Deze IsraŽlieten hadden niet naar God geluisterd; hadden zich niet gekwalificeerd om de fabelachtige, overweldigende nationale zegen van het eerstgeboorterecht te ontvangen. In het bijzonder hadden zij de twee testgeboden geschonden waarop in de verzen 1 en 2 van dit hoofdstuk de nadruk wordt gelegd. God had hen gestraft zoals Hij had gezegd in de verzen 14-17.
Nu zei God:
Leviticus 26:18  En indien gij desniettegenstaande [desniettegenstaande alles waarmee Hij hen had gestraft, beschreven in de verzen 14-17] niet naar Mij luistert, dan zal Ik u blijven tuchtigen wegens uw zonden, tot zevenmaal toe.
Door de manier waarop deze waarschuwing onder woorden is gebracht, vergeleken met de manier waarop de 'zevenmaal' opnieuw wordt genoemd – en omdat het eerstgeboorterecht daadwerkelijk precies 2520 jaar werd uitgesteld – staat het vast dat de betekenis van de 'zevenmaal' in vers 18 een duur van zeven jaar van 360 dagen is, met elke dag als een jaar in de vervulling – totaal: 2520 feitelijke jaren! En de kracht van het 'een-dag-voor-een-jaar principe' impliceert tevens een vermenigvuldigde intensiteit van de straf.
In feite hadden zij de 390 jaar die in EzechiŽls profetie worden genoemd gezondigd (EzechiŽl 4:4-5). Gedurende al deze jaren bleef God profeten sturen om te waarschuwen en er bij hen op aan te dringen zich te bekeren. Hadden zij berouw getoond en zich weer tot God en Zijn wegen gewend, dan zouden zij alsnog de rijkste nationale zegen uit de hele geschiedenis hebben kunnen ontvangen. Maar zij wilden niet. Erger nog, zij vermeerderden hun zonden!
Tenslotte nam God deze gelegenheid om enorme materiŽle welvaart en macht te oogsten geheel van hen weg – voor de duur van 2520 jaar.

IsraŽl raakt zoek

Tenslotte verdreef God hen uit het beloofde land!
Al deze 390 jaar van nationale zonde (EzechiŽl 4:5), waarin zij Hem en Zijn wegen verwierpen, bleef God zich met hen bezighouden. Hij hield contact met hen. Hij zond Zijn profeten tot hen. Op ieder tijdstip gedurende deze jaren van opstandigheid hadden zij zich kunnen bekeren, zich tot God kunnen wenden en deze hoge nationale positie kunnen ontvangen.
Nu echter verdreef God hen tenslotte uit Zijn land! Hij "had hen van voor zijn aangezicht verwijderd" (2 Koningen 17:18).
Er wordt nog eens herhaald (vers 23) dat "de Here IsraŽl van voor zijn aangezicht verwijderde, zoals Hij gesproken had door al zijn knechten, de profeten. En IsraŽl werd uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur, tot op de huidige dag".
Vanaf die tijd zond God hun geen profeten meer. Hij gaf hun niet meer de kans om de grootste nationale zegen uit de geschiedenis te ontvangen – tot na het einde van de 2520 jaar! Hij verborg, als het ware, Zijn aangezicht voor hen! Hij verwijderde hen van voor Zijn aangezicht. Hij trachtte niet langer hen op andere gedachten te brengen. Zij hadden zich niet voor Zijn zegeningen waardig getoond en ze evenmin verdiend! Nu liet Hij hen in slavernij gaan, liet hen zichzelf redden. Hij liet hen aan hun lot over!
Zij hadden zelfs het identificatieteken verworpen waardoor zij als Gods volk IsraŽl konden worden gekend en herkend. Spoedig verloren zij nu ook hun identiteit! De wereld kende hen niet langer als Gods volk. Zij noemden zich niet langer Gods volk.
Zij raakten zoek, verloren! De 'verloren tien stammen'. Zij hadden hun naam verloren. Zij hadden hun identiteit verloren. Geestelijk waren zij verloren! Zij hadden hun enorme eerstgeboorterecht verloren – voor een periode van vele generaties! Na verloop van tijd kwam er een tweede en derde generatie en verloren zij zelfs hun Hebreeuwse taal! Zij beschouwden zichzelf als heidenen! De wereld dacht dat zij heidenen waren!

De apostelen naar Engeland?

Generaties later zond Jezus van Nazareth, die wist waarheen zij waren getrokken, zijn twaalf oorspronkelijke apostelen om hun Zijn kostbare evangelie van Gods Koninkrijk – Gods regering – bekend te maken! De apostel Paulus werd naar de heidenen gezonden.
Heeft u zich nooit afgevraagd waarom wij na Handelingen 15 niets meer over de twaalf apostelen lezen? Afgezien van een reis naar Babylon door Petrus waren zij allen naar het 'verloren' IsraŽl gegaan!
Met betrekking tot de oorspronkelijke apostelen zegt de Bijbel:
Mattheus 10:5  Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen [heidenen] binnen; 6  begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis IsraŽls.
Inderdaad! De verloren Tien Stammen.
Maar Jezus smeekte of dwong nooit iemand 'behouden te worden'! Dat deden Zijn apostelen evenmin! Dat is een hedendaagse methode van protestanten en aanverwante denominaties. Zij verkondigden alleen de waarheid en lieten het aan iedere toehoorder over om zijn eigen beslissing te nemen er al of niet naar te handelen.
Ja, de Britse Eilanden hoorden Christus' evangelie! Maar zij aanvaardden in plaats daarvan de afgodendienst van de DruÔden, een heidense godsdienst en het valse 'christendom' van de Babylonische mysteriŽnreligie van Rome en brachten zelfs de duivelse godsdienst van de evolutie-idee voort.

Het eerstgeboorterecht tenslotte toegekend!

Toen evenwel het 2520-jarige uitstel van het eerstgeboorterecht was verstreken, was God trouw aan Zijn onvoorwaardelijke belofte aan Abraham! Niet wegens enige Britse of Amerikaanse goedheid, superioriteit of verdienste, maar wegens Gods trouw aan Zijn belofte, sprongen vanaf 1800 deze twee eerstgeboorterechtvolken, plotseling als de grootste wereldmachten van de geschiedenis te voorschijn!
Deze nationale welvaart en macht kwamen niet doordat onze volken zich er uiteindelijk op enigerlei wijze voor hadden gekwalificeerd. Dat hebben zij nooit gedaan! Maar zie:
Dat het eerstgeboorterecht gedurende een bepaalde periode is uitgesteld impliceert dat het aan het einde van de 2520 jaar zou worden gegeven. En vergeet niet dat God dit eerstgeboorterecht onvoorwaardelijk aan de afstammelingen van Abraham had beloofd wegens Abrahams trouw en gehoorzaamheid (Genesis 26:5). God was er door Zijn belofte aan gebonden deze enorme nationale zegen te verlenen ongeacht de gerechtigheid of zondigheid van de afstammelingen. God had zich echter niet gebonden om het aan enige speciale generatie te schenken.
Daarom kon God het in en na de tijd van Mozes met voorwaarden aan het oudtestamentische IsraŽl aanbieden. De mensen van die generaties hadden het kunnen krijgen als zij aan de voorwaarden hadden voldaan! Dat het die speciale generaties werd ontzegd, dat het zelfs 2520 lange jaren werd uitgesteld, was geen schending van Gods onvoorwaardelijke belofte aan Abraham.
Maar het feit zelf van een uitstel voor de bepaalde periode van 2520 jaar impliceert de onmiddellijke toekenning van die nationale zegen na afloop van die bepaalde periode van uitstel, ongeacht enige verdere kwalificatie of verdienste van de kant van het volk. Dit moet zo zijn wegens Gods trouw aan Zijn onvoorwaardelijke belofte aan Abraham.
Dus zorgde God ervoor – vanaf 1800-1803, na 2520 jaar – dat de eerstgeboorterechtnaties – en zij alleenplotseling zo'n nationale welvaart, grootheid en macht ontvingen als geen natie of wereldrijk ooit eerder had verworven! Samen kwamen zij – de Britten en Amerikanen, de afstammelingen van slechts ťťn oorspronkelijke stam, Jozef – in het bezit van meer dan tweederde (bijna driekwart) van alle ontgonnen rijkdommen en welvaart in de wereld!
Het klinkt ongelooflijk! Alle andere naties bij elkaar deelden slechts iets meer dan een kwart van de rijkdom van de wereld. En daar zijn de naties die van de andere stammen van IsraŽl afstammen bij inbegrepen. En ook naties als Duitsland, ItaliŽ, Rusland, China – alle andere landen van de hele aarde.
Het meest verbazingwekkende feit uit de hele geschiedenis is dit plotselinge omhoogschieten van twee naties tot de meest fabelachtige welvaart en economische macht ooit door enig volk bezeten. BrittanniŽ werd Groot-BrittanniŽ, een gigantisch, enorm welvarend gemenebest van naties; en de Verenigde Staten werden de machtigste natie uit de geschiedenis.
Nog verbazingwekkender zijn de ongelooflijk schokkende feiten van het heden, van hoe en waarom, zij het sneller verliezen dan het kwam!
Waarom? De ongelooflijke feiten, de redenen en wat nu voor ons ligt, zullen nu worden behandeld!

 

Hoofdstuk XI

WAAROM ISRAňL ZIJN IDENTITEIT VERLOOR

Het mysterie is nu onthuld! Niet alleen het antwoord op wat de 'verloren Tien Stammen' is overkomen, maar ook waarom zij zo volkomen hun identiteit zijn verloren!
De hoofdvoorhoede der IsraŽlieten, het noordelijke koninkrijk, dat de nationale naam 'koninkrijk IsraŽl' droeg, werd een natie die in de geschiedenis totaal zoek is geraakt.
Wat historische verslagen betreft had de aarde evengoed haar mond geopend kunnen hebben en hen kunnen hebben verzwolgen.
De geschiedenis vermeldt wel hun wegvoering door AssyriŽ in 721 - 718 v.Chr. Zij werden uit hun steden, dorpen en boerderijen in het noordelijke deel van Palestina gehaald en als slaven naar AssyriŽ, naar de zuidelijke kuststreken van de Kaspische Zee gevoerd. Maar rond 604 - 585 v.Chr., toen het zuidelijke koninkrijk Juda door Nebukadnezar van Babylon in ballingschap werd gevoerd, waren de AssyriŽrs naar het noordwesten gemigreerd – en het tienstammige IsraŽl met hen!

Volkomen zoek

Zij waren volkomen zoek! Zij waren uit het zicht verdwenen! Hoe ver zij naar het noordwesten trokken en waar zij zich tenslotte vestigden, vormt een blanco bladzijde in de geschiedenis.
Hoe wordt dit door historici en theologen verklaard?
Doordat zij het ware antwoord niet weten, geven zij een onjuiste verklaring. Ten onrechte nemen zij aan, dat alle IsraŽlieten Joden waren en dat de vijftien miljoen Joden in de wereld van vandaag de totale bevolking van IsraŽlieten van deze tijd zijn. Sommige theologen beweren dat alle tien stammen die in 721 - 718 v.Chr. in Assyrische ballingschap gingen, naar Jeruzalem zijn teruggekeerd samen met de Joden die zeventig jaar na Juda's wegvoering in 604 - 585 v.Chr. terugkeerden om de tempel te herbouwen. Maar dit is een grove dwaling. Slechts een deel van Juda ging terug. En degenen die terugkeerden waren allemaal van de drie stammen Juda, Benjamin of Levi. Zie de genealogieŽn in Ezra en Nehemia.
Men neemt aan dat de Joden IsraŽl zijn – en geheel IsraŽl – omdat de Joden nooit hun identiteit hebben verloren! Er is een reden waarom de Joden hun identiteit niet verloren en het Huis IsraŽl wel!
God had hun een zeer bijzonder eeuwigdurend verbond gegeven dat een teken van identiteit bevatte.

Het speciale identiteitsverbond

Het is niet algemeen bekend of erkend dat God nog bij de berg SinaÔ met Zijn volk een apart, speciaal, eeuwig bindend verbond sloot, dat in een identiteitsteken voorzag.
Hier moet erop worden gewezen dat dit volk IsraŽl het enige volk op aarde was waarmee God zich toen persoonlijk als Zijn volk bezighield.
Zoals bekend hadden Adam en Eva de symbolische boom die Gods heilige Geest voorstelde alsmede een vader-en-zoon relatie met Hem afgewezen. Hun nakomelingen, die van God waren afgesneden, dwaalden zo ver van Gods wegen af dat tegen de tijd van Noach de aarde met verdorvenheid en geweld was vervuld.
Na de Zondvloed volgde de wereld binnen twee generaties in haar geheel de afvallige wegen van Nimrod (Genesis 10:8-12; 11:1-9). Zijn moeder, tevens echtgenote, stichtte de afvallige heidense godsdienst die sindsdien de wereld heeft overspoeld en misleid. Dit afvallige religieuze systeem, dat door Semiramis is begonnen, drong alle landen binnen. Met zijn verdraaiingen van de waarheid ontwikkelde het zich in verschillende landen tot verschillende variŽteiten en verscheen onder verschillende nationale namen. Maar fundamenteel was het hetzelfde systeem van afvalligheid. Het sneed de wereld af van God! En het heeft ook vandaag, in zijn diverse vormen, met de namen van diverse religies, een misleide wereld in zijn greep.
God koos deze IsraŽlieten uit wegens de gehoorzaamheid van Abraham, Isašk en Jakob. Toen zij zich in slavernij bevonden, riep Hij hen als Zijn volk waaraan Zijn waarheid, Zijn ware religie en levenswijze en de bestemming van de mensheid  zou worden geopenbaard.
Gods waarheid en Gods weg, die aan deze IsraŽlieten werden geopenbaard, zijn eenvoudig Gods waarheid en Zijn weg voor alle volken in alle tijden en eeuwen! IsraŽl, had het Gods wegen gevolgd, was bestemd een levend voorbeeld voor alle naties te worden.
Jezus kwam, niet om Gods waarheid of Gods weg af te schaffen, niet om een nieuwe religie te brengen, maar om aanvullende waarheid te openbaren over het komende Koninkrijk van God en hoe wij daarin kunnen worden geboren.
Het oudtestamentische IsraŽl kreeg weliswaar bepaalde offerriten, maar die dienden slechts om aan de zonde te herinneren (HebreeŽn 10:1-4; 9:10), alleen als tijdelijke vervanging van Christus tot Hij zou komen. Toen de realiteit kwam, verviel de vervanging. Gods waarheid en weg blijven echter voor eeuwig! Daarom openbaarde God aan IsraŽl wat Zijn weg is voor alle volken van alle tijden, inclusief vandaag!
Dit speciale identificerende verbond nu, dat voor eeuwig is ingesteld, is van toepassing op alle christenen van nu, op allen die met God zijn verzoend als Zijn volk!
Dit speciale eeuwig bindende verbond is te vinden in Exodus 31:12-17. Het heeft te maken met een van de twee testgeboden, die, zoals wij in het vorige hoofdstuk hebben gezien, door IsraŽl werden geschonden, waarvoor zij werden verdreven en van het eerstgeboorterecht werden beroofd.

Het identificatieteken

Exodus 31:12  De Here zeide tot Mozes: 13  Gij dan, spreek tot de IsraŽlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden …
Let erop welke dag 'de dag des Heren' is. God noemt de sabbatten "mijn sabbatten". De sabbatten zijn van Hem – zij waren niet van IsraŽl – het zijn niet onze dagen, maar de dagen des Heren. Het zijn niet 'de Joodse sabbatten' of 'de heidense sabbatten'. De sabbat is een tijdvak. Deze tijd is, steeds wanneer die aanbreekt, niet van ons, maar van God.
En dit is in deze tijd op ons evenzeer van toepassing als op onze voorvaderen in die tijd. Als wij die tijd voor onszelf gebruiken, hetzij voor werk, plezier of voor wat dan ook, stelen wij die tijd van God!
Lees het nogmaals! Hij zei: "Mijn sabbatten moet gij onderhouden." In Exodus 20:8 gebood Hij ons de sabbat te "heiligen" – God maakte deze tijd heilig en gebood ons die heilig te houden – niet te ontheiligen wat voor God heilig is.
Bestudeer nu dit speciale verbond wat nader:
Verder met vers 13: … want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de Here ben, die u heilig.
Wat een enorme betekenis schuilt er in dit deel van deze zin! Toch lezen de meeste mensen er overheen en missen de essentiŽle waarheid ervan!
Let hier goed op! Dit is het doel van de sabbat: "... want dat is een teken ..." Wat is een teken?
Als u door een winkelstraat van een stad loopt of over een industriepark rijdt, ziet u overal tekens in de vorm van uithangborden e.d., die winkels, kantoren, bedrijven identificeren. Het teken identificeert van wie het daarbinnen gevestigde bedrijf, instituut of kantoor is.

Het identificeert

Een dergelijk teken is een publiekelijk getoond merk op een gebouw, een kantoor enz., om bekendheid te geven aan de zaken die daar worden gedaan, of aan de naam van de persoon of firma die de zaken leidt. Iets wat het bestaan van iets aangeeft; een merk. Verder zijn er natuurlijk de specifieke technische betekenissen in de wiskunde, geneeskunde, astronomie.
Het woord dat Mozes in het Hebreeuws opschreef en dat als "teken" is vertaald, is 'owth, dat wel is omschreven als signaal, als van een vlag; baken, monument, bewijs, enz. – merk, wonder, sein, kenteken.
Een vlag identificeert een land. Een baken is een signaal om het bestaan van iets waarvoor gewaarschuwd wordt aan te duiden. Een sein is een zichtbaar teken, iets wat dient als identificerend signaal om iets kenbaar te maken, zoals een witte vlag een teken van overgave is.
God gebood Zijn volk Zijn sabbat te onderhouden als een teken. Het is een teken tussen Gods volk en God: "... een teken tussen Mij en u", aldus het gebod. Het is een kenmerk van identiteit. Het maakt bekend, of duidt aan, of verkondigt bepaalde identificerende kennis. Maar wat voor kennis? God antwoordt: "... . zodat gij weet, dat ik de Here ben, die u heilig."

Wie is God?

Let goed op deze woorden! Het is het teken dat voor hen identificeert wie hun God is! Het is het teken waardoor wij kunnen weten dat Hij de Heer is! Het identificeert God!
Maar weet niet iedereen wie God is? Absoluut niet! Deze hele wereld is misleid. Dat staat in de Bijbel.
Deze wereld heeft weliswaar een god, maar het is een valse god: Satan de duivel! Hij pretendeert "een engel des lichts" te zijn (2 Corinthe 11:14). Hij heeft zijn godsdienstige organisaties, zijn kerken. Die zijn niet allemaal boeddhistisch, shintoÔstisch, taoÔstisch of confucianistisch. Vele hebben zich de naam 'christelijk' toegeŽigend, maar de dienaren ervan, zegt de Bijbel, zijn in feite Satans dienaren:
2 Corinthe 11:14  Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. 15  Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken.
Maar noemen zij zich daadwerkelijk de dienaren van Christus? Lees het vers vůůr de twee die zojuist zijn aangehaald.
Vers 13   Want zulke lieden zijn schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus.
Inderdaad, Satan is de grote vervalser. Hij geeft zich uit voor God. In de Bijbel wordt hij de god van deze eeuw of wereld genoemd (2 Corinthe 4:4). Hij zendt zijn dienaren uit als dienaren van Christus – en zij beschuldigen de ware dienaren van Christus ervan "valse apostelen" te zijn teneinde de verdenking van zichzelf af te wentelen!
Kent het 'christendom' van deze wereld werkelijk de ware God? Men is misleid dit te geloven en een misleide wereld kan in dit valse geloof oprecht zijn. Iemands god is wie of wat hij dient en gehoorzaamt. Maar de ware God is Degene die wij behoren te gehoorzamen.
Deze wereld wordt niet geleerd God te gehoorzamen! Haar valse 'christendom' leert dat Gods wet is 'afgeschaft'. In feite stelt het het menselijk geweten, dat wordt beÔnvloed door Satans valse leer, in de plaats van Gods wet! Het leert niet, zoals Christus deed, dat wij daadwerkelijk bij ieder woord van God (de gehele Bijbel) moeten leven! Het gehoorzaamt Satan door te zondigen! Daarom is Satan de god van deze wereld!

Het doel van de sabbat

God gaf de mens Zijn sabbat met als doel de mensheid in de ware kennis en ware aanbidding van de ware God te houden. Maar hoe wordt God door de sabbat geÔdentificeerd, hoe wijst de sabbat op de ware God en niet op de valse? Is de zondag niet even goed? Beslist niet!
Let op vers 17 van Exodus 31 van dit speciale sabbatverbond:
Exodus 31:17  Tussen Mij en de IsraŽlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.
Het was op de zevende dag van die scheppingsweek dat Hij van het scheppingswerk rustte. Niet op zondag, de eerste dag van de week. Alleen de zevende dag van de week wijst terug op de schepping.
Hoe identificeert dat wie God is?
Als u gelooft dat iemand of iets anders God is, zullen we bewijzen dat onze God de ware God is, want al het andere waarvan u mocht denken dat het God is, werd gemaakt of geschapen door de ware God. Hij die al het andere geschapen en gemaakt heeft, is groter dan alles wat Hij gemaakt heeft – verheven boven alles wat god genoemd zou kunnen worden.
De schepping is het bewijs van God – van Zijn bestaan. De scheppingsdaad identificeert Hem!
Daarom nam God het meest duurzame, bestendige, onvergankelijke wat de mens kent: een steeds terugkerend tijdvak – de enige dag die een herdenking van de scheppingsdaad is. Hij nam de enige dag die voortdurend, iedere zevende dag van de week, wijst naar Gods rust van het scheppen op de zevende dag van de scheppingsweek, de dag die wijst op het bestaan van de Almachtige, alles regerende God – de Schepper!
En God zette deze bijzondere dag apart van de andere als Zijn dag, God maakte deze speciale dag heilig en gewijd aan Hem bestemd als de ware dag waarop Hij Zijn volk gebiedt voor de eredienst bijeen te komen – de dag waarop de mens wordt geboden van zijn eigen werk en fysieke plezier te rusten – en verkwikt te worden door in geestelijke gemeenschap bijeen te komen met andere gehoorzame gelovigen!
Geen enkele andere dag is een herdenking van en herinnering aan de schepping. Satan heeft een begoochelde wereld misleid tot de veronderstelling dat Christus' opstanding op zondagmorgen bij zonsopgang plaatsvond precies het tijdstip van de heidense zonaanbidding. Maar deze veronderstelling is onjuist! Lees onze publicatie De opstanding was niet op zondag. U zult verbaasd staan! Lees eveneens de publicatie De Bijbel verbiedt 'christelijk' Pasen. Het zijn onthullende publicaties – en de waarheid kunt u verifiŽren en bewijzen in uw plaatselijke bibliotheek.
De opstanding van Christus vond in werkelijkheid op de sabbat plaats, niet op zondag! En bovendien zegt God ons nergens in de Bijbel de dag van Christus' opstanding te vieren! Dat is een heidense gewoonte van mensen, alleen op gezag van de afvallige mens, in strijd met de geboden van God!

Het identificeert het volk van God

Wij zien hier dus dat de sabbat een groot doel inhoudt. Hij identificeert God! De dag die door God is afgezonderd om bijeen te komen voor de eredienst wijst als een gedenkteken naar degene die wij moeten eren: de Schepper-Heerser van alles wat bestaat!
Maar dat is niet alles! De sabbat werd tevens gegeven als teken dat identificeert wie de mensen van God zijn en wie niet! Niet alleen zegt dit speciale verbond:
Exodus 31:13  Gij dan, spreek tot de IsraŽlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de Here ben, die u heilig.
Dit heeft een bijzondere betekenis!
Wat betekent het woord 'heiligen'? Het betekent 'afzonderen voor een heilig gebruik of doel'. Op de zevende dag van dezelfde scheppingsweek heiligde God de sabbatdag, dat wil zeggen, Hij zette de sabbatdag apart voor heilig gebruik. Maar nu zien wij dat God zegt dat het een teken is dat Hij, God, tevens degenen die Zijn volk vormen heiligt – hen van andere volken afzondert als het Zijne, voor Zijn heilige doel.
In oudtestamentische tijden was Zijn volk het volk IsraŽl. In nieuwtestamentische tijden bestaat Zijn volk uit de leden van Gods eigen Gemeente: de waarlijk bekeerde, door de Geest verwekte christenen!
Maar op welke wijze zet de sabbat hen apart – scheidt hen – van degenen die niet Gods eigen ware mensen zijn?
Welnu, als u bent begonnen Gods sabbat te onderhouden, zoals Hij gebiedt, dan heeft u het antwoord reeds gevonden, door feitelijke ervaring. Als u er nog niet mee bent begonnen, begin dan Gods sabbat te heiligen zoals Hij u gebiedt en spoedig zult u bemerken dat u automatisch van alle andere mensen apart wordt gezet! De wereld, de mensen die u kent, sommigen van uw gezin en familie, uw zakenrelaties of contacten, zij zullen u apart zetten!
De sabbat is Gods teken, dat niet alleen God als Schepper-Heerser identificeert, maar het identificeert ook degenen die waarlijk Zijn volk zijn!
Maar hoe?

Definitie van God

Laten wij nog een andere definitie van God geven. Ofschoon de enige wijze en ware God de Grote Schepper-Heerser van het universum is, zijn er vele valse of namaakgoden. Aan de misleide mensen doet Satan zich als God voor. En inderdaad noemt de Bijbel hem ondubbelzinnig de god van deze wereld. Afgodsbeelden werden als goden aanbeden. En dat is vandaag nog zo, zelfs in zogenaamd 'christelijke' kerken. Wie of wat u dient of gehoorzaamt is uw god.
Het woord 'Here' betekent heerser, meester, baas: degene die u gehoorzaamt! Jezus riep uit:
Lukas 6:46  Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg?
Als zij Hem niet gehoorzaamden, dan was Hij hun Heer niet! Dus waarom noemden zij Hem Heer terwijl Hij niet hun Heer was?
Jezus zei dan ook:
Mattheus 7:21  Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is.
Alleen zij die God gehoorzamen kunnen Zijn kinderen zijn en Zijn Koninkrijk binnengaan! Uw God is wie u gehoorzaamt!
En:
Romeinen 6:16  Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
Aangaande afgodsbeelden als valse en namaakgoden zegt het tweede gebod:
Exodus 20:5  Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen [d.w.z. hen gehoorzamen]; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid [ongehoorzaamheid] der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 6  en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

Het ware testgebod

Het is veelbetekenend dat het sabbatgebod het enige van de tien is dat een teken is waardoor de werkelijke en ware christenen van vandaag worden geÔdentificeerd! Het is het ware testgebod!
Iemand kan eerlijk en oprecht zijn in zijn omgang met anderen, hij kan een reputatie hebben van niet te liegen en te stelen. Maar dat identificeert hem niet, zet hem niet apart, als een christen!
Vele niet-christenen eren hun ouders, tenminste voor zover andere mensen weten. Velen worden door anderen beschouwd als waarheidlievend, als trouw aan man of vrouw; velen vloeken niet en bezigen geen godslasterlijke taal; en de meeste mensen zijn geen moordenaars – in de ogen van anderen.
Maar hun veronderstelde onderwerping aan deze geboden stempelt hen niet tot anderstot Gods volk! In feite houden maar weinig mensen deze geboden ook in de geest, maar dat is voor de wereld niet zichtbaar. Maar het is voor de wereld zeer zichtbaar als iemand Gods sabbat houdt!
Daarom doen zo weinig mensen dat! De mensen wensen niet te worden geÔdentificeerd als apart van de wereld, als behorend aan God! De mensen willen, in de ogen van anderen, worden geÔdentificeerd als behorend tot de wereld. Zij voelen zich beschaamd als zij, in de ogen van vrienden, zakenrelaties, verwanten, worden geÔdentificeerd als behorend aan God.
De mensen van de wereld zijn bereid de andere negen geboden te erkennen, maar het sabbatgebod is het gebod waartegen zij stellig in opstand komen! Het is het enige dat de beslissende test van gehoorzaamheid is! Het identificeert degenen die hun wil aan God hebben overgegeven, die God gehoorzamen, ongeacht vervolging of de prijs!
O, en of het u apart zet! Wat een teken!
Het identificeert de ware God op precies de dag die Hij heeft apart gezet voor samenkomst en de eredienst. Het identificeert het ware volk van God! Het identificeert degenen die de sabbat houden als Gods volk – voor de wereld, welteverstaan! In werkelijkheid zijn er maar weinig Joden die de sabbat heilig houden! Het identificeert hen wellicht niet in geestelijke zin voor God als Zijn volk! Maar zij erkennen tenminste wel deze speciale dag! En ook al ontheiligen zij de sabbat in Gods ogen, dan nog identificeert hij hen voor de wereld!
Gods teken is iets wat u vrijwillig aanvaardt, uit eigen vrije wil, of helemaal niet. Maar het 'beest' (het symbool van het komende, herleefde, zogeheten Heilige Roomse Rijk in Europa) heeft een merkteken waarmee de mensen spoedig zullen worden gebrandmerkt, door fysiek geweld! En het heeft iets te maken met "kopen en verkopen", met handelen, met zaken doen, met het hebben van een baan (Openbaring 13:16-17; Openbaring 13 en 17). Ja, dit is het testgebod, het gebod waarvan uw behoud en eeuwig leven afhangen!
Zoals gezegd, maakte God de sabbat tot een afzonderlijk, eeuwig en vast verbond, geheel losstaand van wat wij 'het Oude Verbond' noemen, dat bij de berg SinaÔ werd gesloten. In welke zin is het dan een verbond?

Is het wel een verbond?

Laten wij het woord 'verbond' eens definiŽren. Een verbond is: een overeenkomst tussen personen of partijen. Een plechtig verdrag. Een verbond is een contract of overeenkomst, waarbij de ene partij bepaalde beloningen of betalingen toezegt in ruil voor bepaalde bedongen prestaties van de andere partij.
Het Oude Verbond tussen God en de IsraŽlieten, dat bij de berg SinaÔ werd gesloten, verplichtte het volk tot het voldoen aan bepaalde voorwaarden: gehoorzaamheid aan de Tien Geboden. Het verbond beloofde de beloning dat IsraŽl een natie "boven alle volken" zou worden. De beloften waren zuiver nationaal en materieel, alleen voor deze wereld. Het Nieuwe Verbond berust op betere beloften (HebreeŽn 8:6), die bestaan uit een "eeuwige erfenis" (HebreeŽn 9:15).
Is een verbond eenmaal getekend, verzegeld of geratificeerd, bekrachtigd, dan kan er niets meer aan worden toegevoegd (Galaten 3:15). Alles wat onder de handtekening komt, maakt wettelijk gezien geen deel uit van het verbond. U leest over het feitelijke sluiten van het Oude Verbond en de bezegeling ervan met bloed in Exodus 24:6-8. En let erop (vers 8) dat het wordt besloten met de woorden "het verbond dat de Here met u sluit". Het werd op dat moment gesloten – voltooid.
Pas zeven hoofdstukken verder komen wij aan het sluiten van dit speciale eeuwige sabbatverbond. Het vormt derhalve geen onderdeel van het Oude Verbond!
Maar, nogmaals, is het een verbond?
Volgens de woorden van de Bijbel wel! Let op Exodus 31:16:
Exodus 31:16  De IsraŽlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond. 17  Tussen Mij en de IsraŽlieten is deze een teken voor altoos.
'Altoosdurend' of 'altoos' betekent permanent en ononderbroken. De Statenvertaling spreekt van "een eeuwig verbond" en "een teken in eeuwigheid".
Wat is nu de voorwaarde waaraan moet worden voldaan? Het heilig houden van de sabbat! "Deze is iets heiligs voor u", zegt God (vers 14). En wat is de beloning die voor het voldoen aan de voorwaarde wordt toegezegd? Het is niet alleen een teken; maar tevens een verdrag of verbond "tussen Mij en u", zegt God, "zodat gij weet, dat Ik de Here ben, die u heilig".
Dat is het! God belooft hen te heiligen – Hij zal hen apart zetten als heilig – als Zijn heilige volk! Kunt u om een grotere belofte vragen?
Inderdaad, het is een verbond! Het is een afzonderlijk, volkomen ander verbond. Zelfs al tracht men te beweren dat het Oude Verbond is 'afgeschaft' en dat derhalve de Tien Geboden zijn afgeschaft, dan nog kan men niet beweren dat dit verbond slechts tot het kruis zou gelden. Het verbond is bindend "van geslacht tot geslacht" (vers 13), "een altoosdurend verbond" (vers 16) en "voor altoos" (vers 17).

Teken voor IsraŽl alleen?

"Ja, maar", zegt de opstandige die zijn ongehoorzaamheid wil wegredeneren, "het is tussen God en de IsraŽlieten. Het is voor alle generaties van IsraŽl; het is voor eeuwig tussen God en de IsraŽlieten."
Aha – dus u erkent dat het voor eeuwig voor IsraŽlieten bindend is – en voor al hun generaties? Er zijn op dat argument twee antwoorden die u, als u zo redeneert, veroordelen tot de poel des vuurs.
1) Niemand kan ontkennen dat dit het volk IsraŽl definitief bindt de sabbat voor altijd te houden, gedurende al hun generaties. Hun generaties duren nog altijd voort. Derhalve is het vandaag bindend voor hen.
Bovendien zult u moeten toegeven dat behoud en het christendom voor Joden en alle IsraŽlieten openstaan. Het evangelie is de "kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de jood, maar ook voor de Griek" (Romeinen 1:16).
Dus de Jood kan een bekeerde christen zijn! En inderdaad, aanvankelijk bestond de Gemeente van God bijna geheel uit Joden! Dus de Jood is, hoewel hij een christen in Gods Gemeente is, gebonden Gods sabbat als een permanent verbond te onderhouden, in al zijn generaties, voor eeuwig!
Welnu, heeft God twee soorten christenen? Is het voor een Joodse christen een zonde de sabbat te schenden en voor alle anderen zonde hem te houden? Moeten Joodse christenen op de sabbat bijeenkomen en christenen van andere nationaliteiten op zondag? Zei Jezus niet dat een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zou vallen?
Zijn er twee soorten christenen? Lees Galaten 3:28-29:
Galaten 3:28  Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers ťťn in Christus Jezus. 29  Indien gij [heidenen] nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
Aangezien dus de sabbat vandaag bindend is voor het Joodse deel van Gods Gemeente en daar er geen verschil is – wij zijn immers allen ťťn in Christus – is hij ook bindend voor heidenen!

Wij zijn IsraŽl

2) Maar er is nog een antwoord op dit argument: de volken van de Verenigde Staten, van de naties van het Britse Gemenebest en van de naties van Noordwest-Europa zijn, in werkelijkheid, de volken van de tien stammen van het Huis IsraŽl. Het Joodse volk is het Huis Juda.
Maar indien de sabbat Gods teken is om Zijn volk IsraŽl te identificeren, waarom houden onze naties hem tegenwoordig dan niet?
Het antwoord op deze vraag is het antwoord op een andere vraag: waarom worden de Tien Stammen van het Huis IsraŽl 'de verloren Tien Stammen' genoemd? En waarom denken onze naties dat zij heidenen zijn? Waarom kennen zij hun ware identiteit niet?
Nu moeten wij een opzienbarende, wonderlijke waarheid onthullen! Dit is een waarheid die nog vreemder is dan fictie!
Dit zijn feiten, die eeuwenlang verborgen waren en die intrigerender zijn dan een mysterieuze roman! Waarom wordt de sabbat minachtend en spottend 'de Joodse sabbat' genoemd? Waarom denkt de wereld dat alle IsraŽlieten Joden zijn en dat de Joden alle IsraŽlieten zijn?
Hier volgt een fascinerende verrassing voor allen die dit denken! De Joden vormen slechts een klein deel van de IsraŽlieten.

IsraŽl verloor het teken

Nergens in de gehele Bijbel worden de tien stammen van de natie IsraŽl Joden genoemd. Deze naam – Joden – is alleen van toepassing op het koninkrijk Juda. Joden zijn IsraŽlieten, inderdaad – maar slechts een deel van de IsraŽlieten zijn Joden!
Bijna meteen nadat Jerobeam tot koning was uitgeroepen, werd hij bang dat zijn volk, als het voor de jaarlijkse feesten naar Jeruzalem zou gaan, Rechabeam zou zien en hem weer als koning zou wensen. Hij nam snel maatregelen om zijn eigen positie veilig te stellen.
De stam Levi vormde het priesterschap. Zij waren de leiders, de best opgeleide mensen. De Levieten, die van de tienden leefden, hadden een inkomen dat twee- of driemaal groter was dan dat van de andere stammen. In ťťn klap zette Jerobeam de Levieten uit hun ambt en stelde uit de lagere standen de minst ontwikkelde mensen als priester aan. Die zou hij kunnen controleren! En aldus zou hij de godsdienst controleren, zoals heidense koningen altijd deden. Daarop gingen de meeste, zoniet alle Levieten terug naar het koninkrijk Juda – en werden bekend als Joden.
Onmiddellijk richtte Jerobeam twee grote afgodsbeelden op die zijn volk kon aanbidden. Hij gaf bevel dat de herfstfeesten in de achtste maand moesten worden gehouden, op een plaats van zijn keuze, in het noorden van Palestina – in plaats van in de zevende maand en te Jeruzalem, zoals God gebood (1 Koningen 12:28-32). Tevens veranderde Jerobeam, volgens deskundige commentatoren, de sabbat van de zevende naar de achtste dag – dat wil zeggen, naar de dag volgend op de zevende dag, naar de eerste dag van de week dus. Zo liet hij de dag voor de eredienst samenvallen met de heidense dag van de zon, de zondag!
Tijdens de regering van 19 koningen van zeven opeenvolgende dynastieŽn volhardde het tienstammige Huis IsraŽl in de twee fundamentele zonden van Jerobeam: afgodendienst en sabbatschending. Verscheidene koningen voegden er nog andere zondige praktijken aan toe.
Maar in 721-718 v.Chr. bracht God de verovering van het Huis IsraŽl door het koninkrijk AssyriŽ teweeg. Deze IsraŽlieten werden uit hun boerderijen en hun steden gehaald en als slaven naar AssyriŽ aan de zuidelijke kusten van de Kaspische Zee gevoerd. Maar het Huis Juda, de Joden, een afzonderlijke en andere natie, werd pas in 604 v.Chr. veroverd.
Twee of drie generaties na de wegvoering van IsraŽl echter klommen de ChaldeeŽn op tot wereldmacht en vormden het eerste wereldregerende imperium. Onder Nebukadnezar veroverden de ChaldeeŽn (Babylon) Juda (604-585 v.Chr.).
Reeds vůůr 604 v.Chr. verlieten de AssyriŽrs hun land ten noorden van Babylon en trokken naar het noordwesten, door de landen die tegenwoordig GeorgiŽ, de OekraÔne, Polen worden genoemd, naar het land dat nu Duitsland heet. Wij kennen de afstammelingen van deze AssyriŽrs in onze tijd als het Duitse volk.
Het volk van het tienstammige IsraŽl trok eveneens naar het noordwesten. Hoewel de AssyriŽrs de IsraŽlieten in ballingschap hadden weggevoerd, bleven de IsraŽlieten in Europa geen slaven van de AssyriŽrs. Zij trokken verder naar West-Europa, het Scandinavische schiereiland en de Britse Eilanden!
Waarom nu werden zij bekend als de 'verloren Tien Stammen'? Zij waren hun nationale identificatieteken kwijtgeraakt!
Als koning Jerobeam hun heilige rustdag al niet had verschoven van de zevende naar de eerste dag van de week – naar de dag van de zon: de zondag! – en alle koningen daarna deze praktijk volgden en ook de afgodendienst, dan hadden ze in ieder geval de sabbat verlaten in ballingschap.
Zolang zij in het LAND IsraŽl verbleven en zich 'het koninkrijk IsraŽl' noemden, was hun identiteit bekend. Maar in AssyriŽ waren zij niet langer een natie met een eigen regering en een eigen koning. Zij waren niets meer dan slaven. Naarmate de volgende generaties opgroeiden, namen zij de taal van de AssyriŽrs over. Zij raakten de Hebreeuwse taal kwijt, zoals de bijbelse profetie had gezegd. Zij verloren elke nationale identiteit.
Na verscheidene generaties begon de stam Jozef, die in de twee stammen EfraÔm en Manasse was verdeeld, zich 'British' te noemen. Zij behielden een klein aantal Hebreeuwse kenmerken. Berith of b'rith in het Hebreeuws betekent 'verbond', en ish betekent 'man'. In het Hebreeuws betekent British dus 'verbondsman', wat zij ook inderdaad zijn.
De stam Ruben vestigde zich in het land dat nu Frankrijk heet. Zij hadden hun nationale identiteit verloren. De Fransen hebben evenwel dezelfde karakteristieken als hun stamvader Ruben. De tien stammen, die als het Huis IsraŽl bekend zijn, verloren hun identificatie-label: Gods sabbat.
Dat is de reden waarom zij hun nationale identiteit zijn kwijtgeraakt!

Waarom Joden wel worden herkend

Maar Juda hield de sabbat! Zij hielden niet lang vol om hem heilig te houden, of hem op Gods wijze te houden, maar zij erkenden hem wel, zoals zij in deze tijd nog doen, als de rustdag die zij onderhouden. Gevolg? Iedereen beschouwt hen als het uitverkoren volk van God! De wereld denkt dat zij IsraŽl zijn, niet slechts Juda!
De identiteit van de Joden is niet verloren gegaan! En aangezien hun identiteit als afstammelingen van het oude IsraŽl bekend is en die van de veel talrijkere 'verloren tien stammen' niet, neemt de wereld aan dat de Joden IsraŽl zijn, in plaats van Juda. Het Joodse volk gelooft dit zelf ook! En zo is, ook op dit punt, de wereld misleid, evenals wat betreft de ware identiteit van wie werkelijk het uitverkoren eerstgeboorterechtvolk van God is!
Inderdaad, de sabbat, Gods dag, de ware dag des Heren, is, alles welbeschouwd, in tweeŽrlei opzicht de dag voor de Britse volken over de hele wereld, waaronder de voormalige dominions, voor de Verenigde Staten, voor een deel van West- en Noordwest-Europa (Zwitserland, Noord-Frankrijk, BelgiŽ, Nederland en de Scandinavische landen): ten eerste, omdat hij voor alle mensen van God is, ook voor mensen van heidense afkomst die nu van Christus zijn; ten tweede, ook naar ras, naar onze vleselijke afkomst, is het onze rustdag die God aan onze voorvaderen gaf en die Hij hun gebood voor eeuwig te onderhouden!

Waarom IsraŽl in slavernij ging

Weet u waarom het koninkrijk IsraŽl door AssyriŽ werd veroverd en in 721-718 v.Chr. in slavernij uit het land werd weggevoerd? Weet u waarom de Joden (het koninkrijk Juda) later eveneens werden weggevoerd en over de wereld werden verstrooid? De beide huizen van IsraŽl werden in nationale straf en ballingschap gezonden omdat zij Gods sabbat schonden!
Maakt het wat uit? Voor God maakte het wel degelijk heel wat uit! En Hij zegt dat Hij niet is veranderd: Hij is gisteren, heden en voor eeuwig dezelfde! (HebreeŽn 13:8.)
Laten wij eerst zien waarom de Joden werden verslagen en gedurende de jaren 604-585 v.Chr. door Nebukadnezar in Babylonische ballingschap werden gevoerd.
Jeremia 29:10  Want zo zegt de Here: Neen, als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen.
Zeventig jaar na die wegvoering keerden vele van de Joden, overeenkomstig Jeremia's profetie, naar Palestina terug om de Tempel te herbouwen en de eredienst te herstellen. De profeet Nehemia vertelt waarom zij 70 jaar daarvoor in slavernij waren gedreven:
Nehemia 13:15  In die dagen zag ik in Juda mensen, die wijnpersen traden op de sabbat en vrachten koren binnenhaalden en op ezels laadden, alsook wijn, druiven en vijgen en allerlei last, en deze op de sabbatdag naar Jeruzalem brachten. Ik gaf een waarschuwing, toen zij levensmiddelen verkochten. 16  De Tyriers die daar woonden, brachten vis en allerlei koopwaar en verkochten ze op de sabbat aan de Judeeers, zelfs in Jeruzalem. 17  Toen onderhield ik de edelen van Juda hierover en zeide tot hen: Wat doet gij daar voor slechts, dat gij de sabbatdag ontheiligt? 18  Hebben ook uw vaderen niet zo gedaan en heeft onze God niet daarom al deze rampspoed over ons en over deze stad gebracht? Zult gij nu nog heviger toorngloed over IsraŽl brengen door de sabbat te ontheiligen?
Daar staat het in duidelijke taal! Het schenden van de sabbat was een der voornaamste redenen van Juda's ballingschap! Voor God was dit zo belangrijk dat Hij Zijn eigen uitverkoren volk strafte met de zwaarste nationale bestraffing: een nederlaag in de oorlog, deportatie uit het eigen land en slavernij in een vreemd land! Zonde wordt door God gedefinieerd als overtreding van Zijn Wet (1 Johannes 3:4). Zijn Wet zegt: "Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt ... de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God." Werken op de sabbat, hem schenden door uw eigen plezier te zoeken, zaken te doen, enz., is een hoofdzonde, die met de eeuwige dood kan worden bestraft!

De Joden werden gewaarschuwd

De Joden hadden geen excuus. Zij waren door de profeten gewaarschuwd. Lees de waarschuwing door Jeremia:
Jeremia 17:21  zo zegt de Here: Hoedt u ervoor, om uws levens wil, dat gij op de sabbatdag geen last draagt en door de poorten van Jeruzalem binnenbrengt. 22  Ook zult gij op de sabbatdag geen last naar buiten brengen uit uw huizen of enigerlei werk doen; gij zult de sabbatdag heiligen, gelijk Ik aan uw vaderen geboden heb. Vers 27   Maar indien gij niet naar Mij hoort om de sabbatdag te heiligen en op de sabbatdag geen last te dragen en binnen te komen door de poorten van Jeruzalem, dan zal Ik een vuur ontsteken in zijn poorten, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren zonder te worden geblust.
Dit was de waarschuwing. De Joden sloegen er geen acht op. Zie nu wat er gebeurde!
Jeremia 52:12  Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand (dat jaar was het negentiende jaar van koning Nebukadressar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die voor het aangezicht van de koning van Babel stond, te Jeruzalem, 13  en verbrandde het huis des Heren en het koninklijk paleis; alle huizen van Jeruzalem, althans alle huizen der aanzienlijken, verbrandde hij met vuur.
Als God waarschuwt, is de straf zeker!

Waarom IsraŽl werd verslagen

Zie nu wat er 117 jaar voor de wegvoering van Juda gebeurde met de andere natie van IsraŽlieten, het koninkrijk IsraŽl.
God had deze volken in de dagen van Mozes, lang voordat zij in twee naties werden verdeeld, voor de keuze gesteld. Dit is volledig behandeld in het voorgaande hoofdstuk, aangaande Leviticus 26. Zie nu wat God erover zei door de profeet EzechiŽl.
EzechiŽl kreeg van God een boodschap voor het Huis IsraŽl (niet voor Juda – de Joden). EzechiŽl bevond zich onder de Joodse ballingen na hun wegvoering, die meer dan honderd jaar na IsraŽls wegvoering plaatsvond. In die tijd hadden de AssyriŽrs allang hun land aan de zuidelijke kuststreken van de Kaspische Zee verlaten, waren naar het noordwesten gemigreerd om zich tenslotte in het huidige Duitsland te vestigen.
Het volk van het Huis IsraŽl trok eveneens door Europa naar het noordwesten. Zij bleven echter niet in Duitsland. Zij trokken verder naar het westen en het noorden – naar West-Europa: Frankrijk, BelgiŽ, Nederland, de Scandinavische landen en de Britse Eilanden – waar zij tot op deze dag zijn, met uitzondering van de stam Manasse, die veel later naar Noord-Amerika trok en uitgroeide tot de Verenigde Staten.
De profeet EzechiŽl kreeg opdracht zich van waar hij was (te midden van de Joden) naar het Huis IsraŽl te begeven.
Ezechiel 3:1  Hij zeide tot mij: Mensenkind, eet wat gij hier voor u ziet; eet deze rol en ga heen, spreek tot het huis IsraŽls. Vers 4  Hij zeide tot mij: Mensenkind, ga, begeef u naar het huis IsraŽls en spreek tot hen met mijn woorden.
EzechiŽl heeft die boodschap echter nooit naar het verloren Huis IsraŽl gebracht. Dat kon hij niet. Hij was slaaf met de andere Joden.
Toch brengt hij haar tot hen en wel vandaag, door middel van het door hem geschreven boek in de Bijbel. Gods Gemeente attendeert hen hier op sinds de jaren zestig van de 20e eeuw. Het is een profetie! Het is een boodschap voor onze volken in deze tijd! U bent haar nu aan het lezen! God helpe u haar ter harte te nemen!

Profetie voor ons, vandaag

Eerst sprekend over het IsraŽl van de Oudheid zegt God in EzechiŽl 20:
Ezechiel 20:10  Ik leidde hen uit het land Egypte en bracht hen in de woestijn. 11  Ik gaf hun mijn inzettingen en maakte hun mijn verordeningen bekend; de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. 12  Ook gaf Ik hun mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de Here, hen heilig.
Merk op dat deze passage een woordelijke herhaling is van het voor eeuwig bindende sabbatverbond van Exodus 31:12-17! Nu verder:
Vers 13   Maar het huis IsraŽls was weerspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden niet naar mijn inzettingen en verwierpen mijn verordeningen; de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Mijn sabbatten ontheiligden zij ten zeerste, zodat Ik overwoog mijn grimmigheid in de woestijn over hen uit te storten ter vernietiging.
Vervolgens richtte God zich een generatie later tot hun kinderen:
Vers 18   Toen zeide Ik tot hun zonen in de woestijn: Wandelt niet naar de inzettingen van uw vaderen, onderhoudt hun verordeningen niet en verontreinigt u niet met hun afgoden. 19  Ik ben de Here, uw God, wandelt naar mijn inzettingen en onderhoudt naarstig mijn verordeningen. 20  Heiligt mijn sabbatten, dan zullen deze een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet, dat Ik, de Here, uw God ben.
De nadruk ligt hier geheel op het onderscheid tussen Gods inzettingen, verordeningen en sabbatten aan de ene kant en de verschillende sabbatten, inzettingen en verordeningen van hun vaderen aan de andere. Dezen hielden een andere dag dan Gods sabbat! Zij hadden zich toen reeds gewend tot de dag van de heidenen, tegenwoordig zondag geheten, de dag van de zon en zonaanbidding!
Vers 21   Maar die zonen waren weerspannig tegen Mij; zij wandelden niet naar mijn inzettingen en onderhielden geenszins mijn verordeningen; de mens die ze opvolgt, zal daardoor leven. Mijn sabbatten ontheiligden zij, zodat Ik overwoog mijn grimmigheid over hen uit te storten, mijn toorn ten volle over hen te doen komen in de woestijn.
Wat deed God dus tenslotte, generaties later?
Vers 22   Maar Ik trok mijn hand terug en handelde ter wille van mijn naam, om die niet te ontheiligen ten aanschouwen van de volken voor wier ogen Ik hen had uitgeleid. 23  Nochtans zwoer Ik in de woestijn, dat Ik hen zou verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen.
Hij verstrooide hen, in nationale ballingschap en slavernij. Maar waarom?
Vers 24   omdat zij mijn verordeningen niet opvolgden, mijn inzettingen verwierpen, mijn sabbatten ontheiligden en omdat hun ogen gevestigd waren op de afgoden van hun vaderen.
Daarom! Maakte het enig verschil uit?
Maar nu verder in deze wonderbaarlijke profetie! Let op de profetie voor ons, vandaag!
Sprekend over een tijd, die niet meer veraf is, die nog in onze tijd zal aanbreken, zegt God tot onze volken:
Vers 33  Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u heersen.
De uitdrukking "uitgestorte grimmigheid" slaat op de zeven laatste plagen, ten tijde van de wederkomst van Christus (vergelijk Openbaring 16:1). De tijd dat Christus over ons zal heersen is bij en na Zijn wederkomst. Dus dit is een profetie voor onze tijd!
Iedere profetie in de Bijbel die toont waar ons volk (IsraŽl) zich ten tijde van de wederkomst van Christus en de komende grote exodus terug naar Palestina bevindt, toont hen eens te meer in ballingschap en slavernij.
Verder met de profetie:
Vers 34   Ik zal u voeren uit het midden der volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid. 35  Ik zal u brengen naar de woestijn der volken [de komende exodus, Jeremia 23:7-8] en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht.
Degene die hier spreekt is het Woord – Christus! Hij zal dan opnieuw in eigen persoon op aarde zijn! En Hij zal dan van aangezicht tot aangezicht ons volk (IsraŽl) richten.
Het is tijd de ogen te openen voor de spoedige komst en de grote ernst hiervan!
Misschien wordt u door slechts ťťn eenzame stem gewaarschuwd! Maar God gebruikte ook slechts ťťn eenzame stem om in Noachs tijd de wereld te waarschuwen; ťťn eenzame stem in Elia's tijd; ťťn eenzame stem in de tijd van Johannes de Doper; en nadat Johannes de Doper in de gevangenis was gezet, ťťn stem in de persoon van Christus zelf! Als u afgaat op de meerderheid van de zondigende mensen, zult u met hen hun straffen ondergaan!
Zie nu hoe Hij met hen in het gericht zal treden!
Vers 36   Zoals Ik met uw vaderen in het gericht getreden ben in de woestijn van het land Egypte, zo zal Ik ook met u in het gericht treden, luidt het woord van de Here Here. 37  Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond. 38   Ik zal de weerspannigen uit u uitschiften en hen die tegen Mij overtreden hebben; wel zal Ik hen leiden uit het land waarin zij als vreemdelingen vertoeven, maar in het land van IsraŽl zullen zij niet komen. En gij zult weten, dat Ik de Here ben.
Hoe richtte Hij hen? Hij zei: "Heiligt Mijn sabbatten, in plaats van die van uw vaderen, zodat gij weet dat Ik de Here ben." En diegenen van ons die inderdaad naar Palestina gaan, zullen weten dat Hij de Here is.
Hoe zullen wij dat weten?
Door Zijn sabbatteken!
Lees de verzen 42-44!
Vers 42   En gij zult weten, dat Ik de Here ben, als Ik u in het land van IsraŽl brengen zal, in het land dat Ik gezworen heb aan uw vaderen te geven. 43  Daar zult gij terugdenken aan alle handel en wandel, waarmee gij u verontreinigd hebt, en van uzelf walgen om al de slechte daden die gij bedreven hebt. 44  En gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik ter wille van mijn naam niet met u doen zal naar uw verkeerde wandel en naar uw verdorven handel, huis IsraŽls, luidt het woord van de Here Here.
Dat is krachtige leer! Het is het Woord van God gericht aan het Huis IsraŽl, waarvan wij ook deel uitmaken.

 

Hoofdstuk XII

HET EERSTGEBOORTERECHT – OP HET TOPPUNT – EN NU!

Hoe groot, hoe machtig en hoe rijk zijn het Britse en Amerikaanse volk geworden? En wat overkomt hen nu plotseling? Hoe komt het dat Engeland reeds de meeste van zijn koloniŽn, zijn bezittingen, zijn rijkdommen, welvaart, macht en invloed in de wereld, is kwijtgeraakt? Waarom wordt BrittanniŽ niet langer als Groot-BrittanniŽ beschouwd, als een grote wereldmacht?
Hoe komt het dat de Verenigde Staten tegenwoordig door zo'n groot deel van de wereld in diskrediet worden gebracht, worden geminacht en gehaat? Waarom konden zij de Koreaanse oorlog niet winnen? Waarom konden de Verenigde Staten het kleine Noord-Vietnam niet verslaan?
Laten wij ons eerst eens realiseren hoe groot, hoe rijk en machtig, het Amerikaanse en het Britse volk wel werden.
De mensen zijn geneigd hun status – en die van hun land – als vanzelfsprekend te nemen. Weinigen beseffen wat een ongeŽvenaarde overvloed deze landen hebben genoten. Wij beoordelen alles door te vergelijken. De meeste Britten, AustraliŽrs en Canadezen hebben nooit rondgereisd door de analfabetische, straatarme, door ziekten geteisterde, achtergebleven gebieden van China, India, het Midden-Oosten of zwart-Afrika. Zij hebben niet het vuil, de stank, de armoede en ellende gezien waarin het grootste deel van de mensheid leeft.
Ook de meeste Amerikanen hebben niet die uitgestrekte, niet-bevoorrechte gebieden bezocht, noch ook de landen van Europa – welvarend vergeleken bij de krioelende analfabetische massa's, maar toch nog arm in vergelijking met Amerikaanse maatstaven. Nee, in het algemeen beseffen de Amerikanen dit niet. Evenmin dankt men God, of accepteert men de verantwoordelijkheid die de overvloedige zegeningen met zich meebrengen.
Weinigen realiseren zich dat bezit tot verantwoordelijk gebruik ervan verplicht. Is een achtjarige jongen die van zijn ouders een gloednieuwe fiets krijgt zich bewust van de verantwoordelijkheid, tenzij deze hem door zijn ouders op het hart wordt gedrukt, voor de zorg ervoor en van de voorzichtigheid waarmee hij erop moet rijden om te voorkomen dat hijzelf of anderen worden gewond?
Toen God op deze volken deze rijkdom en macht en materiŽle bezittingen uitstortte, zegeningen die geen enkel volk ooit eerder had genoten, waardeerden zij toen wat zij hadden en hadden zij het evenredige verantwoordelijkheidsbesef voor een wijs en juist gebruik ervan?
Absoluut niet! Zij zagen zelfs niet in hoe groot hun zegen was, laat staan dat zij iets voelden van de plicht jegens onze Schepper om alles verstandig te beheren! Maar hoe groot was deze zegen van het eerstgeboorterecht dan?

Rijkdom van het eerstgeboorterecht

Lees de profetische beloften van Genesis 22:17 nog eens.
God zei tot Abraham:
Genesis 22:17  zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen.
En ook de geÔnspireerde afscheidszegen voor Rebekka, die haar familie verliet om de vrouw van Isašk te worden:
Genesis 24:60  En zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar: Onze zuster, moogt gij tot duizenden van tienduizenden worden, en uw nageslacht bezitte de poort van zijn haters.
Andere vertalingen spreken over 'de poorten', meervoud. Zoals eerder uiteengezet zijn de 'poorten' van vijandige landen de strategische zeepoorten die de ingang of uitgang van deze landen vormen. Hoewel alle rijkdom uit de grond komt, zijn welvaart en overvloed op nationale schaal ook altijd door industrie en handel ontstaan. En de handel tussen de landen heeft altijd bijna geheel via de zeestraten van de wereld plaatsgevonden, met schepen en op het vasteland per spoor.
Hoe veelzeggend is het dan ook dat in 1803 Robert Fulton het eerste stoomschip liet varen – precies toen Groot-BrittanniŽ en Amerika plotseling sterk in nationale rijkdom toenamen! En tevens dat het de 19e eeuw was die de ontwikkeling van de spoorwegen te zien gaf!
Zoals eerder verklaard, zijn de 'poorten' van de Britse en Amerikaanse vijanden doorgangen als Gibraltar, Suez, Singapore, het Panamakanaal, etc.
Groot-BrittanniŽ en Amerika kwamen in het bezit van alle belangrijke 'poorten' van deze wereld! Zij moeten dus wel het hedendaagse IsraŽl zijn. De Tweede Wereldoorlog draaide om deze 'poorten'. Het waren niet alleen strategische doorgangen, maar tevens 's werelds grootste fortificaties. Vandaag zijn zij ze echter bijna allemaal kwijtgeraakt, het meest recent het Panamakanaal en het lijkt erop dat spoedig ook Gibraltar verloren zal zijn. Hoe komt dat?
Let op Genesis 39:2, 23:
Genesis 39:2  En de Here was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man werd, en hij woonde in het huis van zijn heer, de Egyptenaar. Vers 23  De overste der gevangenis keek niet om naar iets dat hem was toevertrouwd, omdat de Here met hem was; en wat hij verrichtte, deed de Here gelukken.
En God liet ook Jozefs afstammelingen, Groot-BrittanniŽ en Amerika, welvaren met het fabelachtige eerstgeboorterecht dat aan Jozefs zonen was beloofd!
Bestudeer de profetische zegening door de stervende Mozes, die voorspelde wat elk der stammen in deze laatste dagen zou overkomen.
Deuteronomium 33:13  Van Jozef zeide hij: Zijn land zij door de Here gezegend met de kostelijkste gave des hemels, met de dauw, en met de watervloed die beneden ligt; 14  met de kostelijkste gave, die de zon voortbrengt, en met de kostelijkste gave, die de maan doet uitspruiten; 15  met het uitnemendste der aloude bergen, 16  en met de kostelijkste gave der eeuwige heuvelen, en met de kostelijkste gave van de aarde en haar volheid; met het welbehagen van Hem, die in de braamstruik tegenwoordig was; dat moge komen op het hoofd van Jozef [EfraÔm ťn Manasse], op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders. 17  De eersteling [eerstgeborene – de eerstgeboorterechthouder] zijner runderen is zijn trots en diens horens zijn horens van een woudos [Statenvertaling: des eenhoorns – zie het hedendaagse nationale wapen van Groot-BrittanniŽ]; daarmee zal hij de volken stoten, alle einden der aarde. Dit zijn de tienduizenden van Efraim en dit zijn de duizenden van Manasse.
Wie in onze tijd EfraÔm of Manasse ook is, hij moet in het bezit zijn (geweest) van de meest uitgelezen landbouwgronden, delfstoffen en andere bodemschatten van de aarde: de grote goud- en zilvermijnen; ijzer, olie en steenkool; hout en andere rijkdommen.
Welke landen vervullen deze profetieŽn? Welnu, alleen Groot-BrittanniŽ en Amerika!
Meer dan de helft van alle landstreken van deze aarde die in de gematigde klimaatzones liggen en die in cultuur kunnen worden gebracht, kwamen na 1800 in het bezit van deze twee grootmachten alleen! De rijke landbouwgronden van de Mississippi Vallei, de uitgestrekte tarwe- en graanvelden van het Midden-Westen, van Canada en AustraliŽ; de grote bosrijke streken in het noordwesten aan de Grote Oceaan en vele andere delen van de wereld; de goudmijnen van Zuid-Afrika, AustraliŽ, Alaska en de Verenigde Staten; de grote steenkoolmijnen van de Verenigde Staten en de Britse Eilanden; de natuurlijke watervallen en andere energiebronnen en de daaruit voortvloeiende welvaart in de industriedistricten van Engeland en de oostelijke Verenigde Staten; de meest uitgelezen fruitlanden langs de kust van de Grote Oceaan en in Florida. Welke andere landen bezaten ooit zo'n materiŽle welvaart?
En bijna al deze rijkdom kwam na 1800 in hun bezit!

De statistische feiten

Tot in welke mate heeft de Almachtige God in deze laatste jaren sinds 1800 in deze naties Zijn beloften aan de afstammelingen van Jozef vervuld, beloften van "de kostelijkste gave, die de zon voortbrengt … het uitnemendste der aloude bergen ... de kostelijkste gave van de aarde"?
De staalmagnaat Charles M. Schwab zei op 5 januari 1921 voor de Massachusetts Bankers Association: "Onze Verenigde Staten zijn door God begiftigd met alles wat nodig is om hen tot het voornaamste industrie- en handelsland ter wereld te maken en te houden."
In 1950 bedroeg de wereldproductie van olie bijna 3,8 miljard barrels. Hiervan produceerden de Verenigde Staten alleen meer dan de helft: bijna 52%. Samen produceerden het Britse Gemenebest en de Verenigde Staten 60% van de ruwe olie, daarbij afgezien van de productie door hun enorme buitenlandse investeringen. Maar in 1966 – het noodlottige jaar waarin het British Colonial Office (het Britse ministerie van koloniŽn) in Londen zijn deuren sloot, als officieel teken van de dood van het Britse wereldrijk – was deze 60% van de totale wereldproductie van ruwe olie tot 32% gereduceerd.
Groot-BrittanniŽ en Amerika dolven 1Ĺ maal zoveel steenkool als alle andere landen bij elkaar. Maar in 1966 was hun aandeel tot minder dan eenderde van de wereldproductie geslonken: 30,9%!
Samen produceerden het Britse Gemenebest en Amerika in 1950 driekwart van al het staal ter wereld – de Verenigde Staten alleen produceerden in 1951 bijna 60% ofwel 95 miljoen ton. Zij produceerden 1Ĺ maal zoveel ijzererts als alle andere landen samen.
In 1966 was dit fundamentele indexcijfer van welvaart afgegleden naar eenderde (33,6%) van de staalproductie en slechts 17,8% (eenzesde) van het ijzererts.
Zij bezaten bijna 95% van al het nikkel in de wereld (hoofdzakelijk uit Canada); 80% van het aluminium; 75% van het zink. Maar wat was hun positie in 1966? Slechts 3,6% van het nikkel; 40,2% van het aluminium; 12,4% van het zink.
In 1950 beheerste het Britse Gemenebest volledig de productie van chroom (uit Zuid-Afrika). Samen produceerden Groot-BrittanniŽ en Amerika tweederde van al het rubber in de wereld en beheersten de productie van koper, lood, tin, bauxiet en andere kostbare metalen. Maar in 1966 produceerden zij slechts 2,3% van het chroom, 23,4 % van het koper, 9,9% van het lood, geen tin, en 6,3% van het bauxiet.
Het Britse Gemenebest produceerde in 1950 tweederde van al het goud ter wereld, ongeveer £266.000.000 (430 miljoen euro), terwijl de Verenigde Staten driemaal zoveel goudreserves hadden als het totaal voor de rest van de wereld. Maar in 1966 was de Amerikaanse goudvoorraad dermate uitgeput dat de dollar in ernstige moeilijkheden verkeerde.
Zij produceerden en consumeerden tweederde van 's werelds elektriciteitsproductie – de Verenigde Staten 283 miljard kilowattuur in 1948, en het Verenigd Koninkrijk en Canada meer dan Rusland, Duitsland en Frankrijk bij elkaar. Maar in 1966 produceerden zij slechts 20,1%!
Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten bezaten ruim meer dan de helft van het tonnage van de koopvaardijvloot in de wereld. Maar in 1966 was dat cijfer slechts 32,5%. Op de Britse Eilanden werden meer schepen gebouwd dan op enige andere plek op aarde. Maar minder dan twee decennia later waren twee of drie heidense naties Groot-BrittanniŽ en Amerika reeds voorbijgestreefd. In 1950 bezaten zij ook ongeveer de helft van het totale spoorwegnet in de wereld. In 1966 bedroeg hun gezamenlijke goederenvervoer per spoor slechts 26% van het wereldtotaal.
Terwijl de Verenigde Staten alleen eens 73% van alle auto's produceerden, produceerden in 1966 de V.S. samen met het Verenigd Koninkrijk 55% – 44% van de V.S. alleen. Japan, Duitsland, Frankrijk en ItaliŽ boeken enorme winsten.

Hoe kwamen zij eraan?

Hoe kwamen zij in het bezit van deze enorme rijkdom van de aarde? Verwierven zij die door middel van hun eigen menselijke wijsheid, visie, energie, bekwaamheid en kracht?
Abraham Lincoln geeft het antwoord: "Wij zien onszelf in het vredige bezit van het beste deel van de aarde, wat betreft vruchtbaarheid van de bodem, omvang van grondgebied en heilzaamheid van het klimaat ... Wij ... blijken de wettige erfgenamen van deze fundamentele zegeningen. Wij hebben niet gearbeid om ze te verwerven of tot stand te brengen."
In zijn proclamatie van 30 april 1863 voor een landelijke dag van vasten en gebed zei deze grote president ook: "Het is de plicht van naties, evenals van mensen, te erkennen afhankelijk te zijn van de almachtige kracht van God ... en de verheven waarheid te erkennen, die in de Heilige Schrift wordt geopenbaard en door de hele geschiedenis wordt bevestigd, dat alleen die naties worden gezegend wier God de Here is … Wij zijn de ontvangers van de kostelijkste zegeningen van de hemel. Wij worden al vele jaren beschermd in vrede en welvaart. Wij zijn gegroeid in aantal, rijkdom en macht als geen andere natie ooit tevoren; maar wij zijn God vergeten! Wij zijn de genadige Hand vergeten die ons vrede heeft gegeven en die ons heeft vermenigvuldigd en verrijkt en versterkt; en in onze ijdelheid en in de listigheid van ons hart verbeelden wij ons dat deze zegeningen zijn voortgebracht door enige hogere wijsheid en verdienste van onszelf."
En omdat Lincoln een volk zag dat God was vergeten, een volk dronken van een succes dat niet aan eigen inspanningen was te danken, een volk dat alle eer en roem aan zichzelf behield, riep deze grote president de natie op tot een dag van vasten en gebed om deze nationale zonde voor God te belijden. Het lot van de natie stond op het spel toen hij deze proclamatie uitgaf.
Vandaag echter is de bedreiging van ons bestaan wel duizendmaal ernstiger. En vandaag bezitten onze naties geen president of eerste minister met de visie, het inzicht en de moed om onze volken op de knieŽn te brengen!
Abraham Lincoln wist dat deze grote materiŽle zegeningen niet waren verdiend, maar door de God van Abraham, Isašk en IsraŽl aan het Amerikaanse volk waren gegeven.
En wij moeten de feiten nu onder de ogen zien en weten dat deze hele enorme, ongeŽvenaarde materiŽle welvaart is gegeven, omdat God die zonder voorwaarden aan Abraham had beloofd. En Hij beloofde die aan Abraham omdat Abraham God gehoorzaam was en Gods wetten en geboden onderhield.
De zegen van het eerstgeboorterecht werd onze vaderen na de tijd van Mozes onthouden, omdat zij weigerden naar Gods wetten te leven.
En vandaag waarschuwt God de nakomelingen van IsraŽl, met name Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten, door vele profetieŽn in Jeremia, EzechiŽl, Jesaja, Micha en vele anderen, dat, tenzij zij, van deze generatie, zich van hun zonden bekeren en zich met vasten en met tranen en ernstig gebed tot Hem wenden, Hij met het vreemde zwaard hun steden en al hun versterkingen zal verwoesten; dat Hij hen door de hand van een meedogenloze zal straffen; dat zij zullen worden veroverd, verslagen en tot slaven zullen worden teruggebracht! God helpe hen en ook ons in Nederland deze waarschuwing ter harte te nemen!
Tot besluit stellen wij de vraag: als wij niet het volk IsraŽl zijn – de zogenaamde 'verloren' Tien Stammen en de Britse en Amerikaanse volken het welvarende Jozef-IsraŽl, het IsraŽl van het eerstgeboorterecht, de feitelijke erfgenamen van de zegeningen van het eerstgeboorterecht, die vanaf 1803 moesten worden verleend – wie anders kan het dan zijn? Geen enkele andere natie of vereniging van naties heeft deze zegeningen van het eerstgeboorterecht bezeten. Zij bezaten immers meer dan tweederde (bijna driekwart) van alle grondstoffen, bodemschatten en rijkdom van deze hele aardbol en alle andere naties samen deelden slechts een klein deel onder elkaar.
Kent u een sterker bewijs van de goddelijke inspiratie van de Bijbel als het geopenbaarde Woord van de levende God? Kunnen sterfelijke mensen, zonder goddelijke inspiratie, deze profetieŽn die wij in deze publicatie hebben bestudeerd, geschreven hebben; deze beloften aan Jozef-IsraŽl gedaan hebben; en de macht hebben ze na verloop van 2520 jaar, precies vanaf de jaren 1800-1803, in vervulling te doen gaan? Dit zijn geen geringe of onbeduidende beloften. Ze behelzen het bezit van de grote rijkdom en de enorme natuurlijke hulpbronnen van de gehele aarde.
Presenteer deze feiten eens als een uitdaging aan uw atheÔstische of agnostische vrienden. Vraag hen te antwoorden, als zij kunnen, of iets anders dan de kracht van de Eeuwige Schepper Zelf deze beloften duizenden jaren geleden op schrift kan hebben doen stellen en ze precies op de voorspelde tijd duizenden jaren later in vervulling kan hebben doen gaan!
Hoe enige Amerikaan, enige Engelstalige erfgenaam van Gods beste materiŽle zegeningen – gelet op zo'n wonderbaarlijke vervulling van profetie, zo'n ontzagwekkende demonstratie van de kracht en macht en trouw van de Almachtige God – geniet van deze zegeningen en vervolgens onverschillig kan staan tegenover Gods waarschuwing dat onze zonden vandaag steeds talrijker worden en niet op zijn knieŽn gaat voor de grote Almachtige, zich niet bekeert, niet hartverscheurend bidt voor alle IsraŽlitische naties en niet op elke mogelijke manier helpt om deze naties nu te waarschuwen voor het dreigende gevaar, schijnt onmogelijk te begrijpen.

 

Hoofdstuk XIII

EN WAT NU? DE PROFETIEňN VOOR DE NABIJE TOEKOMST

Het eerstgeboorterecht was, toen de Britse en Amerikaanse volken het eenmaal hadden ontvangen, overweldigend, ongeŽvenaard door andere naties of wereldmachten!
Maar wat hebben deze volken met deze ontzagwekkende zegen gedaan?
Zij waren nog altijd IsraŽlieten, al wisten zij dat zelf niet! Zij waren nog altijd opstandig, "hardnekkig", koppig!
Toen de Britse volken en de Amerikanen – de twee stammen van de 'verloren' IsraŽlieten die het eerstgeboorterecht hadden gekregen, die denken dat zij heidenen zijn – zich eenmaal in de aangename voorspoed van zo'n rijkdom en macht begonnen te koesteren, waren zij nog minder dan hun voorvaderen van de Oudheid bereid zich aan God en Zijn wegen te onderwerpen. Zij voelden nu geen behoefte aan Hem! Het schijnt dat maar weinig mensen zich ooit tot God wenden als zij zich niet eerst hopeloos in problemen bevinden.
Maar nadat God het eerstgeboorterecht 2520 jaar had ingehouden en vervolgens, hoewel deze volken niets van God hadden verdiend, hun plotseling nationale zegeningen schonk, die in de geschiedenis zonder weerga zijn, toen was God de onvoorwaardelijke belofte aan Abraham nagekomen! God is er niet langer door Zijn belofte toe verplicht deze ondankbare volken gezag in de wereld, rijkdom en grootheid te blijven geven. Toen zij eenmaal deze ongeŽvenaarde positie hadden gekregen, was het aan hen of zij die zouden behouden.
Nu terug naar Leviticus 26. Eerder hebben wij de verzen 1 tot en met 18 behandeld. God zei dat indien de IsraŽlieten, ondanks al deze eerdere bestraffingen, niet naar Hem zouden luisteren en Hem niet zouden gehoorzamen, Hij hen voor de duur van 2520 jaar (zeven profetische 'tijden', vers 18) zou straffen. En daarna?
Indien zij, na dat 2520-jarige uitstel van het eerstgeboorterecht, nog altijd – met dat eerstgeboorterecht in hun bezit – opstandig zouden zijn, dan, vervolgt God, in vers 19:
Leviticus 26:19  en uw trotse macht zal Ik breken en uw hemel maken als ijzer en uw land als koper.
God is hiermee reeds begonnen!

Zij waren trots op hun macht!

God kon pas over het breken van de trots op hun nationale macht spreken nadat het eerstgeboorterecht was verleend! Hij gaf hun naties de positie van het bezit van de grootste nationale macht die ooit enig land of wereldrijk had bezeten. Zij waren zeer trots op die nationale macht, op hun internationale prestige.
President Theodore Roosevelt sprak over zijn trots op die macht en hoe hij daarvan gebruik maakte toen hij president was. De Duitsers zonden een slagschip naar de Baai van Manilla en dreigden de Filippijnen te bezetten. De Filippijnen waren toentertijd van de Verenigde Staten. President Roosevelt zond de Duitse keizer een korte nota met de eis het oorlogsschip onmiddellijk terug te trekken.
"De keizer had toen nog niet door dat ik het meende!" zei Roosevelt. "Dus zond ik nog een nota. Alleen zond ik deze tweede nota niet naar de keizer. Ik zond hem naar admiraal Dewey, bevelhebber van de vloot in de Grote Oceaan. Het was een bevel om de hele vloot met volle kracht naar het Duitse slagschip te laten opstomen om het, als het niet omkeerde en terugging, tot zinken te brengen!" aldus Roosevelt met grote overtuigingskracht! In die dagen voor de Eerste Wereldoorlog waren de Amerikanen trots op hun nationale macht!

... Maar zij verloren die!

Tegenwoordig durven zelfs kleine landen de vlag van de Verenigde Staten te beledigen, te vertrappen of te verbranden en de Verenigde Staten, die nog altijd de macht hebben, doen niet meer dan het uitgeven van een zwak protest! Wat is er met de trots op hun macht gebeurd?
Zij hebben hem reeds verloren! God zei: "Uw trotse macht zal Ik breken"! En Hij deed het!
Andere profetieŽn openbaren dat zij spoedig zo'n droogte en hongersnood zullen krijgen dat grote epidemieŽn er het gevolg van zijn en miljoenen mensen zullen omkomen. Als hun hemel als ijzer is en hun land als koper, dan zullen zij beseffen dat er uit ijzer geen regen valt en dat land dat zo hard is als koper geen regen vasthoudt en geen voedsel voortbrengt!
Leviticus 26:20   Dan zal uw kracht tevergeefs verbruikt worden; uw land zal zijn opbrengst niet geven en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet dragen.
Maar zullen Amerika en Engeland dit ter harte nemen? Dat hebben zij nooit gedaan!
En dan? Wat zal er na dit alles dan gebeuren?
Vers 21   Indien gij u tegen Mij verzet en naar Mij niet wilt luisteren, dan zal Ik u nog zevenmaal harder slaan, naar uw zonden.
Hier staat opnieuw, zoals in vers 18, het Hebreeuwse woord sjibah.
Zoals eerder verklaard is, heeft het de betekenis van 'zeven tijden' en tevens van 'zevenvoudig'. 'Zeven tijden' wijst op de duur van de bestraffing. 'Zevenvoudig' wijst op de intensiteit van de bestraffing.

Nu een heviger bestraffing

Op grond van het gebruik en de plaats in de zin en op grond van wat er in de werkelijkheid gebeurde, staat het vast dat dit Hebreeuwse woord sjibah in vers 18 betrekking heeft op de duur van de straf, op zeven profetische tijden, die een feitelijke 2520 jaar van straf waren!
Maar ook staat het even vast, op grond van de geheel andere zinsbouw en omdat er niet nog eens een 2520-jarig uitstel kan zijn van de welvaart die nu is gegeven, dat sjibah in vers 21 op een zevenmaal grotere intensiteit van de straf betrekking heeft. Merk op dat het woordgebruik in vers 21 totaal anders is dan dat in vers 18. Nu wordt het niet uitgedrukt als "zevenmaal [wegens uw zonden]", maar als "zevenmaal harder". Deze uitdrukking is een beschrijving van de plagen die op hen zullen neerkomen.
Als dus EfraÔm en Manasse van de eenentwintigste eeuw, Groot-BrittanniŽ en Amerika, weigeren zich in gehoorzaamheid tot God te wenden, weigeren te leven volgens de weg die zegeningen veroorzaakt en vasthoudt en vermeerdert, dan zal God hen straffen op een manier die nog veel heviger is en hen zelfs geheel van deze kolossale, ongekende nationale zegen beroven, hen weer in ballingschap en slavernij terugbrengen zoals de volgende verzen van deze profetie laten zien.
Dacht u dat zo'n grote val zulke grootmachten als Engeland en Amerika niet zou kunnen overkomen? Zegt u: "Zoiets kan hier niet gebeuren"? Denkt u dat de grote God, die in staat was hun dit ongeŽvenaarde wereldleiderschap en deze macht en overvloed te geven, niet in staat is het van hen af te nemen en hen, als hun voorvaderen van de Oudheid, niet terug in slavernij kan doen gaan?
We moeten onze ogen openen voor het feit dat de Britse zon reeds ondergegaan is! We moeten ons bewust worden van het feit dat de Verenigde Staten, hoewel nog in het bezit van weergaloze macht, bang is – vreest – die te gebruiken, precies zoals God zei: "Uw trotse macht zal Ik breken"; dat de Verenigde Staten geen oorlogen meer winnendat Amerika met zijn hele enorme macht, niet in staat was het kleine Noord-Vietnam te overwinnen! De Verenigde Staten zijn hard op weg naar de grootste val die ooit enige natie is overkomen!
Het teken staat reeds aan de wand!
U dient nu de rest van deze profetie van Leviticus 26, evenals Deuteronomium 28, te begrijpen – en bovendien de vele andere profetieŽn die daarmee in verband staan en betrekking hebben op gebeurtenissen die spoedig op gewelddadige wijze uw leven zullen treffen! U dient acht te slaan op de profetieŽn van Jezus, van Jeremia, van Jesaja en anderen, die beschrijven hoeveel heviger de bestraffing zal zijn die God het Britse en Amerikaanse volk zal opleggen.
De andere IsraŽlitische naties hebben meegeprofiteerd van de rijke zegeningen. Maar ook zij schenden dezelfde geboden, die door EfraÔm en Manasse worden geminacht. Als zij zich niet bekeren, zullen ook zij niet aan de toorn van God ontkomen.
Vele profetieŽn waarschuwen ons met stelligheid dat het een rampspoed zal zijn zoals nooit eerder enig land of volk is overkomen.
Nu u de identiteit van IsraŽl kent – nu u weet hoe het Britse en Amerikaanse volk in de profetieŽn worden geÔdentificeerd – dient u zich bewust te worden van wat er over hen wordt gezegd in Jesaja, Jeremia, EzechiŽl, DaniŽl, JoŽl, Hosea, Amos en de andere profeten – van wat Jezus voorspelde, evenals van wat er staat in deze profetieŽn die door Mozes zijn geschreven!
En u moet ook weten waarom een rechtvaardige en liefhebbende God Zijn uitverkoren volk van plan is te straffen het volk dat Hij uitkoos met een glorieus doel dat zij weigerden na te streven.
Het feit van bestraffing impliceert correctie. Wij moeten begrijpen dat correctie wordt toegepast teneinde de verkeerde wegen die schadelijk voor ons zijn te verbeteren – om ons te doen omkeren naar rechte wegen die de gewenste zegeningen zullen teweegbrengen! Laten wij dit goed begrijpen: God straft iedere zoon die Hij liefheeft (HebreeŽn 12:6).
Laten wij tevens de menselijke natuur begrijpen! De menselijke natuur wil goed zijn, door zichzelf en door anderen als goed beschouwd worden, terwijl zij slechts kwaad wil doen. Zij wenst het goede resultaat. Maar zij wil het goede ontvangen terwijl zij het kwaad zaait. Op een of andere wijze blijft zij in gebreke de waarheid te vatten dat wat wij zaaien, wij ook zullen oogsten! Het is allemaal een kwestie van oorzaak en gevolg!
Gods bestraffing weerspiegelt Gods liefde: Hij brengt ons af van het veroorzaken van kwade gevolgen naar de weg die goede gevolgen brengt! God staat nu op het punt ons te beletten ontzaglijk kwaad op onszelf te brengen! God is niet vertoornd omdat wij Hem schade berokkenen, maar omdat wij onszelf schade berokkenen en Hij ons liefheeft.

Straf is correctie

De profetieŽn eindigen niet na de openbaring van de buitengewone, vermenigvuldigde intensiteit van de straf die nu reeds op Amerika en Groot-BrittanniŽ begint neer te dalen. De profetieŽn vermelden ook het resultaat van deze verhevigde bestraffing. Het resultaat zal een gecorrigeerd volk zijn. Het resultaat zal een onthullend besef zijn van wat de IsraŽlitische volken zichzelf hebben aangedaan. De zwaarste straf zal ons eindelijk onze les doen leren! De straf zal onze geest van opstandigheid breken! Ze zal ons verheffen uit de poel van onreinheid en kwaad waarin wij zijn weggezonken. Ze zal ons de weg naar glorieuze vrede, welvaart en overvloedig welzijn leren!
Na de verschrikkelijke nationale rampen die nu op de Britse en Amerikaanse volken neerkomen wacht een zegen die onbegrijpelijk veel groter is dan het nationale materiŽle eerstgeboorterecht dat zij hebben bezeten.
Wij moeten leren dat materiŽle goederen niet de bron van geluk zijn. Het zal u bekend zijn dat vele rijken ervaren dat sinds hun bankrekening 'vol' is, hun leven leeg is! MateriŽle welvaart is weliswaar wenselijk, maar het is niet de bron van geluk.
Tenslotte is werkelijk geluk een geestelijk iets! Het eerstgeboorterecht was slechts een van de twee belangrijke beloften die God aan Abraham deed. De scepterbelofte hield niet alleen een dynastie van menselijke koningen in. Dat had deze belofte eigenlijk helemaal niet hoeven in te houden – indien de IsraŽlieten aan God als hun Koning gehoorzaam waren gebleven. De scepterbelofte wees in hoofdzaak op Christus en op geestelijk behoud door Hem.
Onze volken moeten nog steeds bepaalde fundamentele lessen leren. De werkelijke waarden zijn geestelijk van aard. Gods wet is in wezen een geestelijke wet. Ze sluit fysieke handelingen in, maar ze is gebaseerd op geestelijke principes. Om de wet te vervullen is in het verstand van de mens echter Gods heilige Geest nodig.
Straf impliceert correctie. Correctie betekent een verandering van gedrag. Het betekent bekering en bekering betekent een totale verandering van richting!
Voordat we u nu deze opzienbarende profetieŽn geven, moet u begrijpen waarom deze nationale bestraffing moet komen en wie de correctie nodig heeft! Alleen zij die kwaad zaaien, hebben haar nodig, zij die Gods rechtvaardige wegen – Gods wet – schenden! Zij, en zij alleen, die het kwaad dat het gevolg van die overtredingen is, op zichzelf brengen.
En begrijp ook dit: ofschoon de naties als geheel deze ongehoord zware bestraffing moeten ondergaan, zullen die individuele personen die zonder de bestraffing aan Gods correctie gehoor geven, ervoor worden beschermd! Niemand hoeft deze intense verdrukking door te maken!

Zevenmaal harder

Laten we nog eens kijken wat er in Leviticus 26 staat.
Nadat het nationale eerstgeboorterecht 2520 jaar was uitgesteld en vervolgens verleend; nadat God aan deze volken deze nationale macht heeft gegeven en nu, wegens hun nationale opstandigheid tegen Zijn wetten, de trots op hun macht heeft gebroken; nadat Hij hen zal hebben gestraft met ongekende droogte gevolgd door epidemieŽn, dan, indien de Britten en Amerikanen in hun kwade wegen blijven volharden – blijven weigeren zich te bekeren tot hun God – waarschuwt Hij: "... zal Ik u nog zevenmaal harder slaan, naar uw zonden".
Wat de mensen maar niet schijnen te beseffen is dat de zonde de consequenties van de zonde op de zondaar brengt, de plagen van lijden. De Bijbel definieert zonde als wetteloosheid of de overtreding van Gods wet (1 Johannes 3:4) en de wet van God is een geestelijke wet (Romeinen 7:14).
Laten wij dit goed begrijpen! We zeiden al dat geld niet de bron van geluk is. Met geld kan men alleen materiŽle dingen of diensten kopen. Geluk moet echter zowel een geestelijk als een fysiek gehalte hebben. MateriŽle zaken alleen verschaffen geen bevredigend geluk. Gods wet is een geestelijke wet. Met andere woorden, het is de weg naar vrede, geluk en overvloedig welzijn. God heeft ervoor gezorgd dat het volgen van deze weg werkelijk geluk veroorzaakt.
Kunnen wij dan niet inzien dat, anderzijds, het overtreden van deze weg ongeluk, pijn en lijden, leegte, verdriet, angsten en zorgen, frustraties moet veroorzaken? Al dit kwaad wordt veroorzaakt door het overtreden van Gods wet. De zondaar wordt letterlijk geplaagd door het kwaad dat hij zichzelf op de hals haalt.
Bestudeer nu nog eens het 21e vers van Leviticus 26. Straf is correctie. Teneinde ons de les te leren die wij niet door ervaring hebben geleerd, zal God onze volken nog zevenmaal harder straffen dan onze zonden ons al hebben gestraft – een nog zevenmaal zwaardere straf dan die die wij onszelf al op de hals hebben gehaald!
Of, zoals de Statenvertaling het weergeeft: "... zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen." Een zevenmaal zo zware straf – ofwel correctie!

Opnieuw in slavernij

Let nu op de verzen 23-25:
Vers 23   Indien gij u door deze tuchtiging nog niet tot Mij keert en u tegen Mij blijft verzetten, 24  dan zal ook Ik Mij tegen u verzetten en dan zal Ik u ook zevenmaal slaan wegens uw zonden, 25  en over u een zwaard brengen, dat wraak neemt over het verbond; wanneer gij dan in uw steden bijeenkomt, dan zal Ik de pest onder u zenden en gij zult aan de vijand overgeleverd worden.
Opnieuw in slavernij!
Tracht de werkelijke betekenis hiervan te doorgronden!
Onze zonden hebben straf gebracht. Deze straf hebben wij onszelf aangedaan. Als wij blijven weigeren de les te leren en voor ons eigen welzijn gecorrigeerd te worden, zegt God: "Dan zal ook Ik Mij tegen u verzetten en dan zal Ik u ook zevenmaal [zo hard] slaan." Wij hebben zelf ons de gevolgen van de zonden op de hals gehaald. Nu zal God zelf ons een zevenmaal zwaardere straf opleggen – straf, dat wil zeggen correctie!
Lees nu verder:
Vers 27  En indien gij desondanks niet naar Mij luistert en u tegen Mij blijft verzetten, 28  dan zal Ik Mij met grimmigheid [de zeven laatste plagen – Openbaring 15:1] tegen u verzetten en Ik, ja Ik, zal u zevenmaal tuchtigen over uw zonden, 29   en gij zult het vlees uwer zonen eten en het vlees uwer dochters zult gij eten. 30  En uw hoogten zal Ik verwoesten en uw wierookaltaren uitroeien; Ik zal uw lijken werpen op de lijken uwer afgoden en Ik zal een afkeer van u hebben. 31  Uw steden zal Ik tot een puinhoop maken en uw heiligdommen verwoesten en Ik wil niet meer uw liefelijke reuk ruiken. 32  Ik zelf zal het land verwoesten, zodat uw vijanden, die daarin wonen, zich daarover zullen ontzetten. 33  Maar u zal Ik onder de volken verstrooien en Ik zal achter u het zwaard trekken, en uw land zal een woestenij zijn en uw steden een puinhoop.
God staat op het punt deze volken van IsraŽl een veelvoudige tuchtiging – correctie – op te leggen, totdat zij zich wel van hun kwade wegen afkeren – totdat zij zich wel wenden tot de wegen die vrede, geluk, welvaart, alle goede dingen teweegbrengen!
Hoe ondenkbaar! – dat onze Schepper onze volken zal moeten dwingen tot gelukkig zijn, tot vrede, tot het genieten van welvaart, tot overgave aan Hem, tot het aanvaarden – als onze eigen keuze – van eeuwig leven in overvloedig welzijn en vreugde voor alle eeuwigheid!
Hoe ongelooflijk! – dat de menselijke natuur, die deze zegeningen wel begeert, koppig blijft vasthouden aan de weg die de mensen juist van die zegeningen afsnijdt en straf correctie veroorzaakt en dan nog weigert gecorrigeerd te worden, totdat de hevigheid van de straf wordt verveelvoudigd en zevenmaal zwaarder wordt! Ja, zevenmaal zwaarder – drie achtereenvolgende malen!
Hoe groot is onze God en Zijn liefde voor onze volken die Hij tot uitdrukking brengt, door ons geduldig te verdragen en te corrigeren, totdat wij Zijn grenzeloze zegeningen aanvaarden!

 

Hoofdstuk XIV

WAT ER NU VOLGENS DE PROFETIEňN MET AMERIKA EN ENGELAND ZAL GEBEUREN

Zoals God op de Britten en Amerikanen materiŽle zegeningen heeft uitgestort als nooit tevoren op andere volken, zo zal Hij nu, teneinde hen te corrigeren, opdat zij van dergelijke zegeningen kunnen genieten, op deze volken zo'n grote nationale ramp brengen als nooit tevoren enig land heeft getroffen! Vele profetieŽn geven hiervan een beschrijving!

De grote profetie van Micha

Een belangrijk bewijs van de identiteit van het hedendaagse IsraŽl is ook te vinden in de fantastische, gedetailleerde en uiterst specifieke profetie van Micha 5:6-14. Hier wordt in het bijzonder gesproken over het "overblijfsel" van IsraŽl – het IsraŽl van vandaag – waar het zich ook moge bevinden. Deze profetie beschrijft de rijkdom, de weldadige heerschappij te midden van de volken en vervolgens in details de komende ondergang  van de volken van Amerika en het Britse Gemenebest!
Micha 5:7 [andere vertalingen vers 6] En het overblijfsel van Jakob zal te midden van vele volkeren zijn als dauw van de Here, als regenstromen op het groene kruid, dat niet wacht op de mens, noch mensenkinderen verbeidt.
Zoals bekend zijn dauw en regen absoluut noodzakelijk voor productiviteit in de landbouw en ze zijn symbolisch voor de nationale zegen en rijkdom die van God komt.
Verder:
Vers 8 [5-7]  En het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de natien, te midden van vele volkeren als een leeuw onder de dieren des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, die, wanneer hij er binnendringt, neerslaat en verscheurt, zonder dat iemand redt.
Ook deze symboliek beschrijft de laatste generatie van IsraŽl als grootmacht, als een leeuw onder de andere volken van de aarde.
Vers 9 [5-8]  Uw hand zal verheven zijn boven uw tegenstanders, en al uw vijanden zullen worden uitgeroeid.
Zij werden uitgeroeid vanaf het begin, in omstreeks 1803, van Gods eerstgeboorterechtzegening voor Amerika en Groot-BrittanniŽ, tijdens de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, tot aan het keerpunt van de Koreaanse oorlog aan het eind van 1950.
Intussen worden deze zegeningen beslist weer weggenomen. Deze profetie laat dus zien dat zij in dezelfde tijd dat zij Gods zegeningen ontvingen, een enorme zegen waren voor de andere volken van de aarde, want het waren de Amerikanen en de volken van het Britse Gemenebest die keer op keer de andere landen van de wereld hebben gered door middel van het Marshallplan, het 'Point Four'-programma, de 'Alliance for Progress', de honderden miljoenen tonnen tarwe voor India en andere hongerlijdende volken, etc. Na de Eerste Wereldoorlog werden door het Hoover-programma enorme voedselvoorraden opgeslagen. Miljoenen mensen in andere landen werden erdoor van de hongerdood gered!
In de Oudheid sloeg Jozef tarwe en ander voedsel op en stelde het aan anderen ter beschikking. Het hedendaagse Jozef deed dit eveneens. Maar – zij zijn koppig en opstandig jegens God en Zijn wet, terwijl hun voorvader Jozef God met zijn gehele hart diende en gehoorzaamde.
Het waren de Amerikanen en de volken van het Britse Gemenebest die als een "leeuw" onder de andere naties van de aarde waren. In twee grote wereldoorlogen hebben zij de wereldvrede en stabiliteit voor al het menselijk leven op deze planeet gered!

Plotselinge verwoesting

Maar in deze uitvoerige profetie zegt God:
Vers 10 [5-9]  Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord des Heren, dat Ik uw paarden [tanks, schepen, raketten] uit uw midden zal uitroeien en dat Ik uw strijdwagens zal vernietigen. 11 [5-10]  Ik zal de steden van uw land uitroeien en al uw vestingen afbreken.
God zegt dat Hij dit zal doen! God bepaalt de afloop van oorlogen (Psalmen 33:10-19).
Hoe duidelijk is het voor u? Hier identificeert God de belangrijke volken van de aarde die het meest welvarend en weldadig zijn en het machtigst. En toch, precies in de tijd dat hun macht haar hoogtepunt bereikt, "breekt" Hij plotseling hun trots daarop (zie Leviticus 26:19), vernietigt Hij hun oorlogstuig en verwoest hun steden! Waarom?
Omdat, zoals de profeet verder verklaart in de verzen 12-14 (5-11 t/m 5-13), zij teveel "toverijen" en teveel "waarzeggers" in hun landen hebben: valse religieuze leiders, die weigeren om met gezag de geboden en wegen van de levende God bekend te maken!
Daarom zal God hen straffen en verwoesten, tenzij zij zich bekeren, vlak voor en als inleiding op de totale verwoesting die "over de [heidense] volkeren" (vers 15; 5-14) zal komen en die zal plaatsvinden aan het einde van dit tijdperk en bij de terugkeer van Jezus Christus als Koning der koningen!
Er bestaat geen ander volk dat zelfs maar bij benadering deze grote profetie vervult! Daarentegen vervullen de volken van Amerika en het Britse Gemenebest haar nauwkeurig!
Naarmate hun "trotse macht" wordt gebroken, naarmate de Britten hun buitenlandse zeepoorten en bezittingen rond de aarde verliezen, als Amerika met een handtekening het Panamakanaal – de controle over deze vitale zeepoort – weggeeft, naarmate hun goudvoorraad uit dit land wegebt, het weer in toenemende mate van slag raakt, vertegenwoordigt alleen al deze ene profetie een bewijs van waar het hedendaagse "overblijfsel" van de volken van IsraŽl zich vandaag bevindt!

Straf voor alle landen!

Het zal nu worden duidelijk gemaakt, aan de hand van Gods eigen waarschuwende profetieŽn, dat deze grootste, allerhevigste, corrigerende bestraffing zal neerkomen op Groot-BrittanniŽ en Amerika, met inbegrip van de Britse volken in de Gemenebestlanden. En het zal hen het eerst neerslaan!
Zij zijn evenwel niet de enige naties die corrigerende rampen zullen ondergaan. God is ook de Schepper van alle andere volken! God is eveneens bezorgd over de volken en rassen die wij 'heidens' noemen. Ook dat zijn mensen. Ook zij zijn naar Gods gelijkenis gemaakt, met het potentieel te worden gevormd naar het geestelijke beeld van Gods karakter! God zond de apostel Paulus naar de heidense volken!
De gehele mensheid is opstandig jegens God en Zijn wetten geweest en heeft die verworpen en zich ervan afgekeerd! Er kan pas vrede op aarde zijn als alle volken zich tot God en Zijn wegen hebben gewend en door Zijn soevereine regering worden geleid!
De gehele mensheid zit op ditzelfde ogenblik gevangen in de maalstroom van de snel verergerende crisis die het teken is van de totale verwoesting van deze door de mens gebouwde, door Satan geÔnspireerde beschaving.
Bij monde van Jeremia zegt God:
Jeremia 25:31  Krijgsrumoer verbreidt zich tot aan het einde der aarde, want de Here heeft een rechtsgeding met de volken, Hij houdt gericht over al wat leeft – hoe? Gods Gemeente draagt al jaren haar vreedzame pleidooi uit over de gehele wereld, maar de wereld, met uitzondering van verspreide enkelingen, slaat op dit type 'pleidooi' geen acht. De volgende woorden geven aan hoe God vervolgens zal pleiten:
… de goddelozen geeft Hij over aan het zwaard, luidt het woord des Heren. 32  Zo zegt de Here der heerscharen: Zie, rampspoed gaat van volk tot volk, een zware storm steekt op van de uithoeken der aarde.
God zal een nazistisch-fascistisch Europa gebruiken om Groot-BrittanniŽ en Amerika te straffen. Vervolgens zal Hij Rusland en de Aziatische massa's gebruiken om het Romeinse Europa van de kaart te vegen.
Wij gaan nu een tijd van grote wereldproblemen binnen, een tijd van totale wereldwijde chaos! Er is reeds oorlog, strijd, geweld in AziŽ, Afrika, Zuid-Amerika – evenals in Europa en Noord-Amerika. De bevolkingsexplosie is een wereldomvattende bedreiging van het menselijk bestaan. Misdaad, geweld, ziekte, epidemieŽn, ongelijkheid, armoede, vuil, stank, degeneratie, lijden – deze dingen teisteren alle landen!
Maar zoals IsraŽl het eerst behoud krijgt, zo krijgt het tevens de corrigerende bestraffing het eerst!

Onze grote verdrukking

Let op Jeremia's profetie.
Jeremia 30:5  Want zo zegt de Here: Angstgeschrei horen wij, schrik en geen heil. 6  Vraagt toch, ziet, of een man baart; waarom zie Ik iedere man met zijn handen aan zijn heupen als een barende en heeft elk gelaat een lijkkleur gekregen? 7  Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden.
Herinner u dat Jakob, toen hij het eerstgeboorterecht aan de twee zonen van Jozef, EfraÔm en Manasse, doorgaf (Genesis 48:16), zei:  "Dat in hen mijn naam genoemd worde" (Statenvertaling) – in EfraÔm en Manasse – de Britten en Amerikanen van deze tijd. Hieruit blijkt op wie deze verschrikkelijke nationale rampen zullen neerkomen: op de Britten en de Amerikanen!
Maar wanneer zal dat gebeuren? Denk niet dat dit betrekking heeft op iets wat het oude IsraŽl is overkomen. Lees door – om te zien wanneer deze profetie vervuld zal worden!
Verder in Jeremia 30:7: "... een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden." (Nadat hij in die benauwdheid zijn les heeft geleerd!) Verder:
Vers 8   Op die dag zal het gebeuren, luidt het woord van de Here der heerscharen, dat Ik het juk [het juk van slavernij] van hun hals zal verbreken en hun banden zal verscheuren; vreemden zullen hen niet meer knechten, 9  maar zij zullen de Here, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hun verwekken zal.
David, ten tijde van de opstanding – het tijdstip van Christus' komst!
De tijd voor deze profetie is dus vlak voor Christus' komst, wanneer Hij komt om onze volken te bevrijden, zoals Mozes eens het oude IsraŽl uit Egyptische slavernij bevrijdde.

Jezus voorspelde het!

Andere profetieŽn spreken ook over deze zelfde tijd van nationale rampen die groter zijn dan ooit. De centrale profetie van het Nieuwe Testament is die van Jezus op de Olijfberg, opgetekend in Mattheus 24, Markus 13 en Lukas 21.
De apostelen hadden Jezus persoonlijk gevraagd wanneer Zijn wederkomst zou plaatsvinden en wanneer het einde van deze wereld en het begin van de gelukkige wereld van morgen zouden zijn. Jezus zei dat het teken waardoor wij kunnen weten wanneer dit zeer nabij is, zou zijn dat zijn oorspronkelijke evangelie van het Koninkrijk van God in de gehele wereld zou worden gepredikt als een getuigenis voor alle naties (Mattheus 24:14). Maar wat zou er nog meer gebeuren – vlak voor Zijn komst?
Jezus vervolgde:
Mattheus 24:21  Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. 22  En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort.
Dit is een beschrijving van de tijd van de grootste onrust en verdrukking van de hele geschiedenis en ook van de toekomst. Jeremia beschreef haar als "Jakobs benauwdheid", een tijd "zonder weerga".
DaniŽl beschreef dezelfde tijd van de meest ernstige moeilijkheden van de geschiedenis. Sprekend over een tijd die nu in de nabije toekomst ligt, voorspelde DaniŽl:
Daniel 12:1  Te dien tijde zal Michael opstaan, de grote vorst [aartsengel], die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe.
Dit is dezelfde zeer zware bestraffing van Groot-BrittanniŽ en Amerika. Wanneer? Lees verder, hetzelfde vers:
Maar in die tijd zal uw volk ontkomen [uit deze verdrukkende slavernij]: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. 2  Velen van hen die slapen [dood zijn] in het stof der aarde, zullen ontwaken [een opstanding], dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.
De tijd is vlak voor de opstanding der rechtvaardigen, bij Christus' komst. Zoals Mozes de IsraŽlieten in de Oudheid uit de Egyptische slavernij bevrijdde, zo zal Christus komen om Groot-BrittanniŽ en Amerika uit de nu ophanden zijnde Babylonische slavernij te bevrijden. (Zie Deuteronomium 18:15; Handelingen 7:37; Jeremia 23:5-8.)
Jeremia beschreef deze slavernij als een 'juk' op de nek van onze volken. Wiens 'juk' van slavernij? Dat zegt ons Jesaja!
In vers 1 van Jesaja 47 is de profetische boodschap aan de dochter van Babylon gericht. Niet aan het Babylon van de Oudheid. Niet aan Nebukadnezars Babylon van 600 voor Christus – maar aan een hedendaagse, eenentwintigste eeuwse dochter van dat Babylon. In de profetieŽn is een vrouw, of een dochter, een kerk – een godsdienstige organisatie.
Jesaja 47:1  Daal af, en zet u neer in het stof, jonkvrouw, dochter van Babel. Zet u neer ter aarde, zonder zetel, dochter der Chaldeeen, want men zal u niet langer verwekelijkt en verwend noemen.
De 'jonkvrouw' van deze profetie wordt uitgebeeld als een ontuchtige hoer en een "gebiedster der koninkrijken" (vers 5). Dat wil zeggen, een grote kerk die over naties macht uitoefent. Ditzelfde hedendaagse 'vrouwelijke' Babylon wordt tevens beschreven in het 17e hoofdstuk van Openbaring en wordt daar een "grote hoer" genoemd, die zit op of heerst over "vele wateren". Deze worden in vers 15 geÔnterpreteerd als "natiŽn en menigten en volken en talen". Haar naam wordt daar gegeven als "geheimenis: het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde". Met andere woorden: de Babylonische mysteriŽnreligie – dezelfde religie als van het oude Babylon – maar nu veel groter en heersend over vele naties met verschillende talen.
De koninkrijken waarover zij heerst werden 'Het Heilige Roomse Rijk' genoemd, van 554 tot 1814, met een korte herleving onder Mussolini. Spoedig zal het een laatste 'opstanding' ondergaan als een politieke en militaire unie van tien landen in Europa (Openbaring 17:8-14). En de tijd dat deze "grote hoer" het politiek-militaire "beest" zal berijden, is rond de wederkomst van de verheerlijkte Christus, tegen wie zij zullen oorlogvoeren (Openbaring 17:14).
Nu terug naar Jesaja 47. God zegt tot deze 'maÓtresse' van de koninkrijken:
Vers 6  Ik ben tegen mijn volk [IsraŽl: Groot-BrittanniŽ, Amerika] toornig geweest, Ik heb mijn erfdeel ontwijd en het in uw macht gegeven [in martelende slavernij]; gij hebt het geen barmhartigheid bewezen; op de grijsaard hebt gij ook uw juk zwaar doen drukken.
Dit meedogenloze slavenjuk zal de V.S. en Groot-BrittanniŽ door de komende verenigde naties van Europa worden opgelegd! Deze bestaat nu reeds in verschillende samenwerkingsvormen. De leiders ervan spreken voortdurend over politieke eenheid, hetgeen tevens militaire eenheid betekent. De totstandkoming van een volledige politieke unie neemt steeds vastere vorm aan. Deze zal mogelijk gemaakt worden door de 'goede diensten' van het Vaticaan, het enige symbool van eenheid waarnaar zij kunnen opzien. Reeds hebben pausen hun 'goede diensten' ten behoeve van een dergelijke unie aangeboden.
De profetieŽn zeggen het niet letterlijk, maar op grond van de tegenwoordige aanwijzingen zal het hoofd van deze nieuwe wereldmacht zich naar alle waarschijnlijkheid in Midden-Europa bevinden. Dit zal de Derde Wereldoorlog ontketenen.
En deze maal zal het worden toegestaan te slagen!
Vele van de oude AssyriŽrs migreerden vanuit hun vroegere land ten zuiden van de Kaspische Zee naar het noordwesten en vestigden zich in Midden-Europa, zoals ook het Huis IsraŽl vanuit het land van hun ballingschap naar de kustlanden van Noordwest-Europa is getrokken. Wanneer u dus in de profetieŽn die op onze tijd betrekking hebben over AssyriŽ leest, wordt er naar Midden-Europa verwezen.
De geschiedenis zal zich dus herhalen! Het was het oude AssyriŽ dat het Huis IsraŽl veroverde en hen uit Samaria naar hun eigen land wegvoerde.
En waar bevinden zich vandaag de oude BabyloniŽrs – de ChaldeeŽn? Zij trokken naar het westen en vestigden zich in ItaliŽ. Hun godsdienst was de Assyrisch-Babylonische mysteriŽnreligie. Het zal komen als een adembenemende, ontzaglijke, overrompelende schok, als de wereld hoort dat ene Simon, de tovenaar van Samaria ten tijde van de oorspronkelijke apostelen, de leider van de Babylonische mysteriŽnreligie, met de titel pater of Petrus, wat papa betekent, zich de naam Christus heeft toegeŽigend, evenals het christelijke principe van genade, dat hij in losbandigheid omzette en daarmee Gods wet verwierp (Judas 4) en een begin maakte met wat nu 'het christendom' wordt genoemd. Wat zal de wereld verbaasd zijn, als men ontdekt dat dit niet het uitvloeisel is van de Gemeente van God die door Jezus Christus en Zijn apostelen is gegrondvest en dat ook nooit is geweest!
Deze wetenschap zal bij een ongelovige wereld inslaan als een bom! De mensen zullen geschokt zijn als zij horen hoe zij bedrogen zijn! Als Gods tijd komt, zal de 'nieuwsbom' tot ontploffing worden gebracht!

Wat is de Grote Verdrukking?

Nu wordt het pijnlijk duidelijk! De Grote Verdrukking is deze zevenvoudig verzwaarde, corrigerende bestraffing die God spoedig Groot-BrittanniŽ en Amerika zal opleggen!
Hier volgen enkele korte passages uit EzechiŽls beschrijving ervan!
Ezechiel 5:12  Een derde deel van u zal door de pest sterven en door de honger omkomen in uw midden; een derde deel om u heen zal door het zwaard vallen; een derde deel zal Ik naar alle windstreken verstrooien en achter hen zal Ik het zwaard trekken. 13  Zo zal mijn toorn ten volle worden uitgestort en zal Ik mijn grimmigheid [de laatste PLAGEN] aan hen stillen en Mij wreken. En zij zullen weten, dat Ik, de Here, in mijn naijver gesproken heb, wanneer Ik mijn grimmigheid ten volle over hen heb gebracht.
Verder:
Ezechiel 6:6  Overal waar gij woont, zullen de steden verwoest worden …
Dit is pas mogelijk sinds de waterstofbom! Steden die totaal verwoest worden, "overal waar gij woont".

Eerst droogte en hongersnood

De profeet JoŽl voegt nog meer details toe.
JoŽls profetie was voor de zeer verre toekomst: vers 1-3 van hoofdstuk 1. Vervolgens toont hij een plaag van verschillende soorten van sprinkhanen die de groente- en fruitoogst verslinden en die de schors van de fruitbomen af eten.
Joel 1:7   Het heeft mijn wijnstok tot een voorwerp van ontzetting en mijn vijgeboom tot een geknakte stam gemaakt; het heeft de schors geheel en al afgeschild en weggeworpen; zijn ranken zijn wit geworden.
Verder – nu volgt een verwoestende droogte:
Vers 10  Verwoest is het veld; de aardbodem treurt, want het koren is verwoest, de most verdroogd, de olie weggeslonken. 11  De landbouwers zijn verslagen, de wijngaardeniers jammeren, over de tarwe en over de gerst, want de oogst van het veld is verloren gegaan. 12  De wijnstok is verdord en de vijgeboom is verwelkt; granaatappelboom, ook palm en appelboom, alle bomen des velds zijn verdord. Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht.
Dit zal gebeuren vlak voor de verschrikkelijke plagen van "de dag des heren" (vers 14-15).
Verder met de profetie:
Vers 17   Verschrompeld zijn de zaadkorrels onder haar aardkluiten; verwoest zijn de voorraadschuren; gescheurd staan de korenbakken, want het koren is verdroogd. 18  Hoe kreunt het vee! De runderkudden dolen rond, want er is voor hen geen weide; ook de schapenkudden lijden zwaar. 19  Tot U, Here, roep ik, want een vuur [de hete zon] heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld verzengd. 20  Zelfs de dieren des velds zien smachtend tot U op, want de waterbeken zijn uitgedroogd en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

Vervolgens: een invasie en een nederlaag!

Dan volgt, vanaf hoofdstuk 2, het oorlogsalarm:
Joel 2:1  Blaast de bazuin [als teken van oorlog] op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg! Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des Heren komt. Want hij is nabij!
Vers 12   Maar ook nu nog luidt het woord des Heren: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. 13   Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de Here, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil.

Eindelijk! – bekering in de Verdrukking

Als God eenmaal op onze volken deze corrigerende bestraffingen met zevenvoudige intensiteit brengt, wanneer hun hun rijkdom, welvaart, hun land, het hele eerstgeboorterecht en alles wat zij bezaten en waarop zij hun hart hadden gezet worden afgenomen, dan zullen zij eindelijk vernederd zijn en tot God roepen om genade en bevrijding!
Gods Gemeente heeft al vele jaren Gods waarschuwende boodschap over deze schrikbarende tijd van de grootste problemen uit de geschiedenis, als een getuigenis, naar alle delen van de wereld uitgezonden. Wij weten maar al te goed dat het volk als geheel haar niet ter harte zal nemen! Slechts weinigen doen dat. Wij zijn dankbaar dat God hen in het hart geeft om te luisteren en om de waarschuwing ernstig te nemen, zich te bekeren en tot God te komen door Jezus Christus als Verlosser. Inderdaad, weinigen, maar die onschatbaar waardevol zijn! Maar niet het volk als geheel. Niet nu!
Wij weten heel goed dat de werkelijke oogst van onze arbeid in Gods werk, dat de weg voor Christus' komst voorbereidt, niet nu is! Maar wanneer alles wat deze volken hebben van hen is afgenomen, wanneer zij in vreemde landen slaaf zullen zijn, wanneer zij wreed behandeld en geslagen, zelfs onbarmhartig gemarteld en ter dood gebracht worden, dan zullen miljoenen die in leven blijven tot God roepen. Zij zullen berouw hebben. Zij zullen zich tot Gods weg keren. Dat is de tijd wanneer de werkelijke oogst van dit huidige werk van God zal worden binnengehaald.
Miljoenen zullen zich dan de ware boodschap van Christus herinneren!
Dan zullen zij zeggen: "Dat was toch de ware boodschap van GOD!" Velen vatten haar nu lichtvaardig op, evenals de oude IsraŽlieten dat deden met de boodschap die God hun door Zijn profeten zond. Maar wanneer deze dingen werkelijk gebeuren, wanneer de mensen zich realiseren dat niemand anders hen waarschuwde, dan zullen zij weten wie werkelijk de valse profeten van vandaag zijn! Dan zullen zij weten wat Gods waarheid is!
Wat een erbarmelijke tragedie! Dit besef zal te laat komen om de meerderheid van deze herhaalde zevenvoudige bestraffing te redden! MAAR, voor miljoenen mensen, niet te laat voor hun behoud, voor Gods gave van eeuwig leven!

Miljoenen zullen eindelijk bekeerd zijn!

Zie de profetieŽn hierover! Laten wij nog een ogenblik naar Jeremia's profetie teruggaan. Het 30e hoofdstuk, waaruit we citeerden, eindigt met de volgende woorden: "... in het laatst der dagen zult gij dat inzien." De profetie is voor onze tijd van nu!
Lees verder in hoofdstuk 31.
Jeremia 31:1  Te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal Ik voor alle geslachten van IsraŽl tot een God zijn en zullen zij Mij tot een volk zijn. 2  Zo zegt de Here: Het volk der ontkomenen aan het zwaard [de overlevenden] vond genade in de woestijn, IsraŽl, op weg naar zijn rust.
Verder:
Vers 4   Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw IsraŽls. Opnieuw zult gij u tooien met tamboerijnen en uittrekken in vrolijke reidans; Vers 9  Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg [Gods wet!], waarop zij niet struikelen. Want Ik ben IsraŽl tot een vader, en Efraim, die is mijn eerstgeborene. [de houder van het eerstgeboorterecht]  10  Hoort het woord des Heren, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die IsraŽl verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde.
Later werd Jeremia ertoe geÔnspireerd om te schrijven:
Jeremia 50:4  In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zullen de IsraŽlieten komen, zij en de Judeeers tezamen; al wenend zullen zij voortgaan en de Here, hun God, zoeken; 5  naar Sion zullen zij vragen, op de weg hierheen zal hun aangezicht gericht zijn; zij komen en zoeken gemeenschap met de Here in een eeuwig verbond [het nieuwe verbond], dat niet zal vergeten worden. 6  Een kudde verloren schapen was mijn volk, hun herders [die beweren christelijke dienaren te zijn] misleidden hen, naar de bergen voerden zij hen; van berg tot heuvel gingen zij, zij vergaten hun leger.
'Leger' is 'legering', zoals de kudden hun rustplaatsen plegen te hebben, waar zij neerliggen. Ze vergaten hun God en Jezus Christus.
Verderop in dit hoofdstuk staat:
Jeremia 50:20  In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal de ongerechtigheid van IsraŽl gezocht worden, maar zij is er niet, en de zonden van Juda, maar zij zijn niet te vinden; want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven.

Hosea geeft een samenvatting

Deze hele aangelegenheid – IsraŽls opstandigheid tegen de juiste wegen; hun verdrijving door God; Gods echtscheiding van hen; het uitstel van het verlenen van het eerstgeboorterecht gedurende 2520 jaar; en IsraŽls uiteindelijke verlossing na de drie zevenvoudig zware, corrigerende bestraffingen – wordt samengevat door de profeet Hosea.
Hosea is bovendien heel beknopt, direct en specifiek in zijn details aangaande de nationale houding van Groot-BrittanniŽ en Amerika op dit moment!
Om deze hele gang van zaken van ontrouw, verwerping, uitstel van de zegen, van buitengewoon strenge terechtwijzing en het uiteindelijke ontwaken van IsraŽl, uit te beelden, gaf God de profeet de opdracht een hoer te trouwen, om uit te beelden wat IsraŽl in de ogen van God was. Zij baarde hem een zoon. God droeg Hosea op om deze zoon JizreŽl te noemen, wat betekent "God zal verstrooien".
Hosea 1:4  De Here zeide tot hem: Noem hem Jizreel, want het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreel bezoeken aan Jehu’s huis, en een einde maken aan het koninkrijk van het huis IsraŽls. 5  Te dien dage zal het geschieden, dat Ik IsraŽls boog verbreken zal in het dal van Jizreel.

Aan het koninkrijk – de regering – kwam een einde bij de wegvoering door AssyriŽ (721-718 v. Chr.).
De hoer die Hosea's vrouw was werd opnieuw zwanger en baarde een dochter. God gaf de opdracht dat deze Lo-Ruchama moest heten, wat betekent "geen ontferming".
Vers 6   Zij werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer over het huis IsraŽls ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou [maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren; Statenvertaling].
Later kreeg deze ontuchtige vrouw nog een zoon.
Vers 9   Toen zeide Hij: Noem hem Lo-ammi ["niet mijn volk"], want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn.

De ware rijkdom zal nog worden gevonden

Vers 10   Eens echter zullen de kinderen IsraŽls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet, zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God. 11  Dan zullen de kinderen van Juda [de Joden] en de kinderen van IsraŽl ["de Verloren Tien Stammen"] zich bijeenscharen, ťťn hoofd over zich stellen, en optrekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreel zijn.
Dit is in het kort een overzicht van het gehele verloop van Gods bemoeienis met IsraŽl. Nu zeggen onze volken dat zij niet 'IsraŽl' zijn. Dat wil zeggen, niet Gods volk! Zij denken dat de Joden, en de Joden alleen, IsraŽl zijn. Heel spoedig echter zullen zij hun identiteit kennen. Duizenden zullen deze leren kennen uit het meest verkochte, maar minst begrepen boek, de Bijbel. Miljoenen zullen haar leren kennen bij Christus' komst!
In Hosea 2 zegt God, over het huidige bezit van de ongeŽvenaarde rijkdom van de eerstgeboorterechtbelofte:
Hosea 2:8  [andere vertalingen vers 7] Zij echter beseft niet, dat Ik het ben, die haar het koren, de most en de olie heb gegeven, die haar het zilver rijkelijk geschonken heb en het goud, dat zij voor de Baal gebruikt hebben. 9 [2-8] Daarom zal Ik mijn koren weer wegnemen in de oogsttijd, en mijn most in zijn seizoen, en wegrukken mijn wol en mijn vlas, die haar naaktheid [haar zonde] moeten bedekken.
Maar tenslotte zullen de IsraŽlitische volken, als de correctie hevig genoeg wordt, hun overtredingen erkennen, berouw hebben, hun God zoeken!

Eindelijk Gods volk!

Vers 16 [2-15]  En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des Heren, dat gij Mij noemen zult: mijn man [Hebreeuws Ishi], en niet meer: mijn Bašl [Hebreeuws Baali: 'Mijn Heer'].
Vers 23
[2-22]  Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-ruchama ["geen ontferming"], en tot Lo-ammi ["niet mijn volk"] zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal zeggen: Mijn God!
Vervolgens begint Gods boodschap aan onze volken van nu – in het bijzonder aan de Britse volken!
Hosea 4:1  Hoort het woord des Heren, gij IsraŽlieten [in het bijzonder de volken van het Britse Gemenebest en de Verenigde Staten], want de Here heeft een rechtsgeding met de bewoners van het land, omdat er geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land. 2  Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken! Men pleegt geweld, bloedbad volgt op bloedbad. 3  Daarom treurt het land [in het bijzonder Amerika en Groot-BrittanniŽ], en al wat erin woont verkwijnt, zowel het gedierte des velds als het gevogelte des hemels; ja, zelfs de vissen der zee komen om.
Tot de hedendaagse dienaren in de kerken van Engeland, Amerika en de overige IsraŽlitische landen zegt God:
Vers 6   Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten. 7  Hoe talrijker zij werden, des te meer zondigden zij tegen Mij. Hun eer zal Ik in schande verkeren.
Sprekend over de komende veelvoudig verhevigde, corrigerende bestraffing zegt God:
Hosea 5:15  [laatste gedeelte] … wanneer het hun bang te moede is, zullen zij verlangend naar Mij uitzien.

Voor het Engeland van nu!

Sprekend over het hedendaagse Engeland zegt God:
Hosea 4:16  Want IsraŽl [met name Engeland] is weerspannig als een weerspannige koe.
Een weerspannige koe is niet te voederen. God 'voedt' Zijn volk van vandaag met Zijn Woord, met Zijn evangelie van het Koninkrijk van God, Zijn waarschuwing voor wat weldra zal komen! De Britse regering wilde geen toestemming verlenen dat enige radiozender binnen haar rechtsgebied door Gods dienaren zou worden gebruikt om Gods boodschap van dit ogenblik aan de Britse volken bekend te maken!
Maar GOD was vastbesloten de Britten zijn boodschap te laten horen!
En zo bereikte Gods boodschap vanaf de eerste week van 1953 Engeland vanuit Europa via de zeer krachtige stem van Radio Luxemburg!
Toen Radio Luxemburg voor deze boodschap niet meer doeltreffend was, zorgde God voor zenders op schepen, die net buiten het Britse rechtsgebied voor anker lagen. De boodschap van Gods waarheid werd toen dagelijks door zeven van deze schepen over geheel Groot-BrittanniŽ uitgezonden. Die schepen waren niet illegaal. Zij schonden geen enkele wet van de mens. Zij zorgden er wel voor dat de wet van God getrouw werd uitgezonden! Maar de Britse autoriteiten noemden deze schepen ten onrechte 'piraten'. Het waren geen piraten. Het waren geen rovers. Zij vielen geen land binnen om te plunderen of te stelen. Zij brachten niemand schade!
De meeste regeringen van de mens willen echter controle hebben over wat hun volk hoort en niet hoort! Zij willen controle over wat u denkt!
De Britse regering en de nationale Anglicaanse kerk zijn bereid de stuitende perversie van homoseksualiteit te legaliseren. Ze zijn bereid afschuwelijke zonden door te vingers te zien, maar binnen het Verenigd Koninkrijk is er geen enkele deur open voor het uitzenden van Gods boodschap!
Toch kreeg God Zijn boodschap in Engeland.
In de meeste IsraŽlitische landen zijn er krachten binnen het politieke en media systeem die ook tv-uitzendingen met Gods boodschap bemoeilijken of tegenhouden.

God zei het! God deed het!

God zei:
Amos 3:7  Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten.
En in het vers daarvoor:
Vers 6   Wordt de bazuin in een stad geblazen, zonder dat de inwoners opschrikken?
God heeft gezegd, in de Bijbel, dat Hij zou zorgen dat Zijn waarschuwing Zijn volk EfraÔm-Engeland zou bereiken. Hij voorspelde:
Hosea 5:9  Tot een woestenij zal Efraim worden ten dage des oordeels [en Engeland is nu hard op weg naar deze geprofeteerde woestenij]. Over de stammen IsraŽls maak Ik bekend wat vast besloten is.
Ook zei God over Engeland en Amerika:
Hosea 7:8  Efraim vermengt zich met de volken. Efraim is een koek die niet gekeerd [half gaar] is. 9   Vreemden hebben zijn kracht verteerd, maar hij beseft het niet. Zelfs ligt grijsheid over hem gesprenkeld, maar hij beseft het niet. 10  En de hoogmoed van IsraŽl getuigt openlijk tegen hem. Doch zij hebben zich niet bekeerd tot de Here, hun God, en hebben Hem trots dit alles niet gezocht. 11  Efraim is geworden als een onnozele duif, zonder verstand. Egypte roepen zij te hulp, naar Assur [Duitsland] trekken zij. 12  Zodra zij gaan, span Ik mijn net over hen uit. Als het gevogelte des hemels haal Ik hen neer. Zodra hun zwerm rumoerig wordt, neem Ik ze gevangen.
Of juister (Statenvertaling): "Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hun vergadering" – door de waarschuwing via de radio- en tv-uitzendingen en literatuur van Gods Gemeente.
Inderdaad, lang geleden zei God al dat Hij de waarschuwing aan Groot-BrittanniŽ zou brengen. Groot-BrittanniŽ is gewaarschuwd!
En de Britse regering bezit geen enkele macht om de veelvoudig verhevigde, corrigerende bestraffing die een liefhebbende God zal teweegbrengen te voorkomen!
Gods plan staat vast!

Zij zullen het beseffen!

Op zekere dag zullen de mensen de ogen openen en zich realiseren dat dit het Werk van God is!
Over het Britse kerkendom zegt God:
Hosea 4:17  Verknocht aan beelden is Efraim. 18  Laat hem geworden! Is hun roes geweken, dan bedrijven zij schaamteloos ontucht. Vurig minnen hun schilden schande [Petrus Canisius: En verkiezen de schande boven hun glorie!]. 19  Een wind heeft hen met zijn vleugels omsloten, en zij zullen beschaamd uitkomen met hun offers.
God zegt:
Hosea 5:15  Ik zal heengaan, Ik wil wederkeren naar mijn plaats, totdat zij zich schuldig gevoelen en mijn aangezicht zoeken; wanneer het hun bang te moede is, zullen zij verlangend naar Mij uitzien [en zeggen:]. 6:1  Komt, laat ons wederkeren tot de Here! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden. 2  Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht.
De komende Grote Verdrukking zal waarschijnlijk enkele jaren duren, gevolgd door de 'Dag des Heren' (als Gods toorn) die korter duurt – dan volgen de opstanding en de wederkomst van Christus!
Het hele boek Hosea bevat een vlammende boodschap en waarschuwing voor het Britse volk van deze tijd!

U kunt aan deze straf ontkomen!

Door middel van de profetieŽn waarschuwt God ons dat onze zonden zich zeer snel vermeerderen. En de dag van afrekening staat voor de deur! Het vreemde zwaard is ons steeds weer aangevallen. In dit vreselijke, schrikwekkende atoomtijdperk zal de Derde Wereldoorlog beginnen met de verwoesting van Londen, Birmingham, Manchester, Liverpool, New York, Washington, Philadelphia, Detroit, Chicago, Pittsburgh, zonder waarschuwing! God helpe deze landen te ontwaken voordat het te laat is!
Ja, zij en de andere IsraŽlitische naties zijn Gods uitverkoren volk IsraŽl! Bedenk eens wat dat betekent! Uitverkoren, niet voor gunsten terwijl wij onze God tarten, maar uitverkoren voor dienstbaarheid waarin wij totaal zijn tekort geschoten.
Bij deze ontdekking van hun ware identiteit zouden zij van vreugde moeten juichen en zij zouden erdoor tot berouw gebracht moeten worden en zich tot God moeten wenden en zich achter deze kruistocht moeten opstellen om onze volken te waarschuwen, en in werkelijk hartverscheurend gebed God moeten aanroepen om goddelijke bevrijding.
De zevenvoudig verhevigde bestraffing die nu spoedig op het Amerikaanse volk en de Britse volken zal komen, is eenvoudig de geprofeteerde grote verdrukking! Het zal de meest verschrikkelijke en hevige straf en tijd van verdrukking zijn waaronder ooit enig volk heeft geleden!
Toch hoeft u die niet te ondergaan.
Deze verschrikkelijk zware bestraffing is eenvoudig de correctie die onze volken noodzakelijk hebben gemaakt om hen tot de levenswijze te brengen die de gewenste zegeningen oplevert, in plaats van een verschrikkelijke vloek. Het is een terechtwijzing – voor het welzijn van de mensen!
Zowaar God leeft zal deze bestraffing spoedig plaatsgrijpen! Gods Gemeente geeft de waarschuwing van God en Zijn Woord!
Zullen de V.S. en de Britse naties haar ter harte nemen? Zij kunnen deze kolossale nationale tragedie vooralsnog afwenden, indien zij dit zouden willen!
Maar indien u u die dit nu leest, u als individu – gecorrigeerd wilt worden, vrijwillig, voordat God deze onbeschrijflijk afschuwelijke tuchtiging laat toeslaan; indien u tot waar berouw komt, in het besef hoe verschrikkelijk verkeerd u bent geweest; als u uzelf kunt zien zoals u werkelijk bent: een opstandig, verkeerd, slecht mens; en als u uzelf kunt overgeven aan de liefhebbende, barmhartige, maar ook Almachtige God – en wel met een onvoorwaardelijke overgave, waarbij u door de levende Jezus Christus als persoonlijke Verlosser tot de Almachtige God komt – dan zal geen enkele plaag u zelfs maar naderen!
Psalmen 91:1  Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. Vers 8   slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen, en de vergelding aan de goddelozen zien. 9  Want Gij, o Here, zijt mijn toevlucht. De Allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld; 10  geen onheil zal u treffen, en geen plaag zal uw tent naderen; 11  want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen; 12  op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot.
U zult waardig worden bevonden te ontkomen aan al deze vreselijke dingen en voor Christus te staan bij diens wederkomst.
Lukas 21:33  De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. 34  Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome, 35  (21-34b) als een strik. (21-35a) Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde. 36  Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen.
God heeft de leden van het ware Lichaam van Christus veiligheid beloofd:
Openbaring 3:10  Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen.
Openbaring 12:14  En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar haar plaats, waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang, een tijd en tijden en een halve tijd.
Jesaja 26:20  Kom, mijn volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is. 21  Want zie, de Here verlaat zijn plaats om de ongerechtigheid der bewoners van de aarde aan hen te bezoeken; dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekken.

Maar u moet uw eigen beslissing nemen – en dit na te laten betekent de verkeerde beslissing nemen!
De meeste mensen, dit weten wij maar al te goed, zullen deze ernstige waarschuwing te licht opvatten – zullen haar uit het hoofd zetten – en zullen overgaan tot andere zaken van onmiddellijk belang, die echter in vergelijking hiermee van geen belang zijn! Daarom zal een liefhebbende, rechtvaardige, alwetende, Almachtige God deze onbelangrijke tegen-belangen van hen afnemen en hun zo'n hevige correctie opleggen dat zij, tenslotte, tot bezinning zullen komen en zich tot Hem en Zijn weg keren, wat hun eeuwig geluk en overvloedige zegeningen zal brengen!
Maar u hoeft niet te lijden onder deze intense terechtwijzing, die groter is dan enige verdrukking die ooit door mensen is ondergaan.
Met Gods leiding en gezag hebben wij u de waarheid voorgelegd! Deze te veronachtzamen is een tragedie die het voorstellingsvermogen te boven gaat! Haar ter harte te nemen zal zegeningen, geluk en glorie brengen die niet beschreven kunnen worden!
De beslissing is nu aan u!

vsgbwereld.jpg (77251 bytes)

 

 

israeljudaballing.jpg (124704 bytes)

 

 

 

3xomkeren.jpg (60712 bytes)

 

<><><>

 

 

Terug naar de Home Page

site stats