Voor literatuurlijst klik hier.

Welke geboden gelden nu wťl
en welke niet?

 

Is er met de komst van Christus 2000 jaar geleden een einde gekomen aan Gods wet? Zijn Gods geboden toen afgeschaft of ontbonden, omdat met Christus de wet aan het kruis is genageld? Is die leer juist, dat de wet voor ons niet geldt omdat Hij de wet heeft vervuld en – zoals vaak wordt beweerd – Hij in onze plaats heeft gehoorzaamd? Of zijn Gods geboden afgedankt, als verouderd voor ons moderne mensen?

 

Helaas is het maar al te waar dat er nauwelijks nog mensen te vinden zijn die rekening houden met Gods geboden. Dat blijkt als we de kranten lezen, de tv-journaals zien of zelf worden beroofd, door verkopers worden opgelicht, aan het agressieve verkeer deelnemen, onverschillig en scheldend worden bejegend, als we constateren dat de winkeldieven meer bescherming genieten dan het winkelpersoneel en de 'grote' VIP-dieven als 'topmanagers' zich frauduleus verrijken of het woord 'verdienen' verwarren met 'graaien', armen worden misbruikt en verwaarloosd, behoeftige zieken op hun eigen verantwoordelijkheid wordt gewezen, afgoden worden aanbeden, zoals geld, carriŤre, macht, seks, luxe en persoonlijk genot, als perversiteiten als normaal wordt beschouwd, ons milieu aan alle kanten wordt bedreigd door schadelijke menselijke activiteiten. Daaraan kan nog veel toegevoegd worden, zoals vernielingen, gewelddadigheden, afpersing, terrorisme, moord als gevolg van bloed- en eerwraak.
Toch kunnen we juist aan deze ontwikkelingen zien dat de geboden van kracht zijn, want overtreding er van geeft automatisch narigheid en ellende. Het leidt tot het tegenovergestelde van zegeningen, die het gevolg zijn van het zich houden aan de geboden. De waanzinnige wereld is een bevestiging van overtredingen van Gods geboden.
Maar desalniettemin houden velen die zichzelf christenen noemen vol dat Christus de wet heeft opgeheven.

Romeinen 10:4  Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft (NBG-vertaling 1951 en hierna, tenzij anders vermeld).

Staat hier dat Christus de wet heeft afgeschaft of ontbonden? Volstrekt niet.
Christus' kruisiging heeft wel een einde gemaakt aan de macht van de wet om zondaars die berouw hebben en zich oprecht bekeren te veroordelen tot de dood, maar daarmee is de wet zelf niet afgeschaft. Dat Christus het einde van de wet is kan overigens ook betekenen dat Hij de vervolmaking van de wet is, d.w.z. op volmaakte wijze zich gehouden heeft aan Gods geboden, als een voorbeeld voor ons. Het woord 'einde' in dit vers is een vertaling van het Griekse telos, dat eindpunt of einddoel betekent. Maar ook 'volkomen', zoals in het volgende vers.

2 Corinthe 1:13  Want wij schrijven u niets anders dan wat gij leest of ook begrijpt, ja, ik hoop, dat gij het volkomen [telos] zult begrijpen.

Het doel (telos) van de wet is Christus. De wet leert ons dat we Christus als zoen- en slachtoffer nodig hebben voor behoud.

Romeinen 7:7  Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren.

De wet is als een spiegel die ons onze zonden laat zien, waardoor we tot het besef komen dat we ver verwijderd zijn van onze Schepper, die ook de Gever is van eeuwig leven. In dit proces leren we dat we een verzoening met God nodig hebben.

Romeinen 3:25  Hem [Jezus Christus] heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden.

De wet doet ons de zonde kennen, zodat we inzien dat we niet rechtvaardig zijn, maar bezoedeld. Maar Christus kan ons reinigen.

Galaten 3:10  Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11  En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. 12  Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet, zal daardoor leven. 13  Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.

Daarom heeft de wet tot doel ons naar Christus te leiden. Christus wordt dan het einddoel (telos) tot verlossing uit onze miserabele status van verloren zondaar. Zonder de wet zouden we immers niet weten wat zonde is. Zeker niet 'naar ons eigen gevoel'. Als we beseffen dat Christus het einddoel (telos) van de wet is, zodat wij gereinigd kunnen worden van de zonde (is wetsovertreding) om dan in gehoorzaamheid aan Gods geboden te gaan leven, bevestigen wij de wet. De wet is niet buiten werking gesteld, zoals velen menen.

Romeinen 3:31  Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.

En toch is er een grote macht van de wet buiten werking gesteld. We hebben in Gal. 3:10 gelezen "Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen." Niemand heeft zich daaraan gehouden.

Prediker 7:20  Want niemand op aarde is zo rechtvaardig, dat hij goed doet zonder te zondigen.
1 Johannes 1:10  Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet.
Romeinen 3:23  Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24  en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

Er is een strenge macht van de wet buiten werking gesteld, althans voor hen die oprecht berouw hebben getoond en zich bekeerd hebben van hun zonden. Die na de waterdoop door handoplegging Gods geest hebben ontvangen. De wet heeft namelijk de macht om iemand ter dood te veroordelen.

Romeinen 6:23  Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood…

Zonde is wetsovertreding (1 Joh. 3:4 Leidse vertaling, Het Boek, GNB). Het automatische gevolg van het overtreden van de wet is de dood. Zo heeft de wet de macht over de dood. Maar vers 23 heeft een vervolg:

… maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.

De macht over de dood wordt de wet ontnomen in bijzondere situaties en voor bepaalde personen. De personen die uit vrije wil zich nederig neerbuigen voor de eeuwige God en oprecht berouw en geloof hebben, om vergeving vragen en een beroep doen op het offer van Christus, hoeven de doodstraf niet te ondergaan. In deze bijzondere situatie wordt voor deze personen de macht van de wet over de dood krachteloos, omdat Christus hun plaats heeft ingenomen. Maar voor de overigen, voor de mensen die deze bijzondere situatie niet wensen, blijft de doodstraf als een macht van de wet van kracht.
De wet is niet opgeheven. Verwar de wet niet met het Oude Verbond. Een verbond is een overeenkomst, een plechtige afspraak. De wet bestaat uit geboden. In het Oude Verbond stond de wet centraal als voorwaarde. IsraŽl overtrad de geboden en voldeed daarom niet aan de voorwaarde van het verbond. Hoewel onder het Nieuwe Verbond behoud niet verdiend kan worden – het wordt gratis gegeven – is het leven naar Gods geboden nog steeds een voorwaarde. Hoereerders, dieven, leugenaars, zondag- en kerstvierders, echtbrekers, enz. zullen Gods Koninkrijk niet binnengaan. Het Oude Verbond is wel verouderd, maar Gods wet is springlevend. Met behulp van Gods geest kunnen we de geestelijke wet begrijpen en er naar leven.

1 Johannes 5:3  Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar, 4   want al wat uit God geboren [verwekt is een betere vertaling] is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft; ons geloof.

De gelovige christen heeft dus geen vrijbrief om te zondigen door de wet te negeren. De geboden blijven een 'gebruiksaanwijzing' voor ons leven. Ook voor een christen is de wet niet afgeschaft maar wel ontdaan van de macht te doden. Het offer van de doodstraf is namelijk al gebracht: Christus is voor Zijn volgelingen gedood.

Romeinen 7:4  Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. 5  Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; 6   maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.

Van de wet ontslagen wil zeggen ontslagen van de doodstraf. Vanzelfsprekend geldt voor een ware gelovige de geboden. Het zijn eenvoudige regels die gebieden dat je eerbied moet hebben voor de Schepper en voor je ouders, je de sabbat moet houden, je geen mensen mag vermoorden of bestelen. Dat je in je huwelijk niet vreemd mag gaan, niet mag liegen.
Vooral de tegenwoordige generatie heeft problemen met het woord 'gebieden'. God doet geen voorstel of suggestie om maar niet te begeren of te stelen. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben is een gebod! Uit liefde! Ieder mens is geboren met het doel om uiteindelijk een kind van God de Vader te worden, in eeuwigheid. Kunt u zich voorstellen dat een vader tegen zijn kind, dat een drukke autosnelweg op wil rennen, op zalvende toon zegt: zou je eens in overweging willen nemen kindje om uit de buurt van die drukke verkeersweg te blijven? Die vader houdt van zijn kind en beveelt: stop en kom terug! Het is een gebod van een liefhebbende vader. Het kind was in levensgevaar. Natuurlijk hoort daarbij de opvoedende uitleg. Iemand die Gods geboden niet houdt is in levensgevaar.
De wet is dus voor een christen niet afgeschaft. Dat zou betekenen dat hij zonder wet zou zijn, wetteloos. Zonder een handleiding voor het leven, zonder de manier van leven van God te kennen. Maar de nieuwtestamentische apostel Johannes heeft in 1 Joh. 3:4 geschreven dat wetteloosheid zonde is en de nieuwtestamentische apostel Paulus heeft in Rom. 6:23 geschreven dat op zonde de doodstraf staat. Want de genade van eeuwig leven is niet van kracht als Gods geboden opzij worden geschoven.
Als een christen terugvalt in de zonde en ongehoorzaam blijft aan Gods wet, zal hij alsnog de doodstraf 'verdienen'.

Romeinen 7:12  Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. Vers 14  Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. Vers 22   want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods.
2 Petrus 2:15  Doordat zij de rechte weg verlaten hebben, zijn zij verdwaald en de weg opgegaan van Bileam, de zoon van Beor, die het loon der ongerechtigheid liefhad. Vers 20  Want indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatste toestand erger dan de eerste. Vers 9  dan weet de Here de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen en de onrechtvaardigen te bewaren om hen op de dag des oordeels te straffen.

De wet blijft een richtlijn voor ons leven.

Mattheus 5:17  Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. 18  Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet een jota of een tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.

Christus heeft gezegd dat Hij gekomen is om de wet te vervullen, d.w.z. op een volmaakte wijze volgens de geboden te leven. Een christen is een navolger van Christus (1 Thess. 1:6).

Openbaring 14:12  Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren.

In zijn algemeenheid negeren de mensen Gods geboden, maar uiten wel kritiek op de houding van veel mensen. Men spreekt tegenwoordig over normen en waarden, maar laat de invulling daarvan over aan ieder individueel. Een subjectieve interpretatie leidt tot nieuwe conflicten. Er is immers geen duidelijkheid. Wat de ťťn toestaat is voor de ander ontoelaatbaar. En wat in het ene land is verboden, mag wťl in het andere land. Zie maar naar de problematiek van de 'ťťnwording' van Europa met zijn verscheidenheid aan opvattingen, gewoonten, regels en politieke wetten.
Alleen een wereldregering met voor iedereen exact dezelfde wetten schept duidelijkheid. En die wereldregering komt er dan ook! Alleen de Almachtige weet welke normen en waarden een waarborg zijn voor een goede omgang met elkaar en een bescherming voor de zwakkeren. Alleen de Schepper van de mens heeft de kennis en de exclusieve bevoegdheid een handleiding voor ons leven te geven. En dat heeft Hij gedaan in de vorm van Zijn geboden. Het houden van Gods geboden is een daad van liefde voor God en van naastenliefde. Als de hele mensheid zich vanaf vandaag zou houden aan de Tien Geboden, zou de wereld veranderen in een paradijs. Deze geboden kunnen we kort samenvatten in een liefde voor onze Schepper en onze naaste zoals we onszelf liefhebben.

Romeinen 13:9  Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

Tot nu toe hebben we nieuwtestamentische schriftgedeelten geraadpleegd om te leren wat Gods geboden voor de samenleving betekenen. De oudtestamentische instructies over dit onderwerp zijn niet anders. Psalmen 119 is een voorbeeld.

Psalmen 119:1  Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de wet des Heren gaan.

Kan het zijn dat de belofte in dit vers van geluk voor mensen die zich laten leiden door de wet, een belofte is die niet verder gaat in de tijd dan tot de kruisiging van Christus? Want men kan niet meer "in de wet des heren gaan" als de wet is afgeschaft met de kruisiging, zoals velen beweren.

Vers 2  Welzalig zij, die zijn getuigenissen bewaren, die Hem van ganser harte zoeken; 3  die ook geen onrecht plegen, maar wandelen in zijn wegen. 4  Gij hebt uw bevelen geboden, opdat men die ijverig onderhoude. 5  Och, dat mijn wegen vast waren om uw inzettingen te onderhouden. 6  Dan zou ik niet beschaamd staan, als ik op al uw geboden zie. 7  Ik zal U loven in oprechtheid des harten, wanneer ik uw rechtvaardige verordeningen leer.

Zijn Gods verordeningen na de kruisiging niet meer rechtvaardig?

Vers 8  Uw inzettingen zal ik onderhouden; verlaat mij niet geheel en al. 9  Waarmede zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar uw woord.

Bedenk dat toen het boek Psalmen werd geschreven, het Nieuwe Testament nog niet bestond. Ze beschikten toen alleen over de eerste vijf boeken van het Oude Testament. Als de jonge mensen zich toen hielden aan de geboden die daarin staan, zouden ze een "rein" leven leiden volgens vers 9. Zal de levenswandel van de jonge mensen van de eenentwintigste eeuw ook rein zijn als ze zich houden aan Gods woord?

Vers 10  Ik zoek U met mijn ganse hart, laat mij niet van uw geboden afdwalen. 11  Ik berg uw woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige. 12  Geprezen zijt Gij, Here; leer mij uw inzettingen. 13  Met mijn lippen verkondig ik alle verordeningen van uw mond. 14  In de weg uwer getuigenissen verblijd ik mij als over allerlei rijkdom. 15  Uw bevelen zal ik overdenken en op uw paden zal ik letten. 16  In uw inzettingen zal ik mij verlustigen, uw woord zal ik niet vergeten. 17  Doe wel aan uw knecht, dan zal ik leven en uw woord onderhouden. 18  Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit uw wet. 19  Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij. 20  Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde. 21  Gij bedreigt de vervloekte overmoedigen, die van uw geboden afdwalen. 22  Wentel smaad en verachting van mij af, want ik bewaar uw getuigenissen. 23  Al zetten vorsten zich neder, al beraadslagen zij tegen mij, uw knecht overdenkt uw inzettingen. 24  Ja, uw getuigenissen zijn mijn verlustiging, zij zijn mijn raadslieden. 25   Mijn ziel kleeft aan het stof, maak mij levend naar uw woord. 26  Mijn wegen heb ik verhaald en Gij hebt mij geantwoord, leer mij uw inzettingen. 27   Doe mij de weg uwer bevelen verstaan, opdat ik uw wonderen overdenke. 28   Mijn ziel schreit van kommer, richt mij op naar uw woord. 29  Doe de weg der leugen van mij wijken en schenk mij genadig uw wet. 30  Ik verkies de weg der waarheid, Ik stel uw verordeningen voor mij. 31  Ik klem mij vast aan uw getuigenissen, o Here, maak mij niet beschaamd. 32  Ik zal de weg uwer geboden lopen, want Gij verruimt mij het hart. 33  Onderwijs mij, Here, de weg uwer inzettingen, dan zal ik die bewaren ten einde toe. 34  Geef mij verstand, dan zal ik uw wet bewaren, en haar van ganser harte onderhouden. 35   Doe mij het pad uwer geboden betreden, want daarin heb ik lust. 36   Neig mijn hart tot uw getuigenissen en niet tot winstbejag. 37  Wend mijn ogen af, zodat zij geen ijdele dingen zien, maak mij levend door uw wegen. 38   Bevestig uw belofte aan uw knecht, die uw vreze toegedaan is. 39  Wend mijn smaadheid af, die ik vrees, want uw verordeningen zijn goed. 40  Zie, naar uw bevelen verlang ik, maak mij levend door uw gerechtigheid. 41  Dat uw goedertierenheid over mij kome, o Here, uw heil naar uw belofte; 42  opdat ik mijn smader iets hebbe te antwoorden, want ik vertrouw op uw woord. 43  Neem het woord der waarheid niet geheel van mijn mond, want uw verordeningen verbeid ik, 44  opdat ik uw wet bestendig onderhoude, voor altoos en immer. 45  Dan zal ik wandelen op ruime baan, want ik zoek uw bevelen. 46  Ook zal ik voor koningen over uw getuigenissen spreken zonder mij te schamen. 47  Ik toch verlustig mij in uw geboden, die ik liefheb; 48  daarom hef ik mijn handen op naar uw geboden die ik liefheb, en overdenk ik uw inzettingen.

En zo gaat deze psalmist verder. Vers na vers een diep ontzag en liefde voor Gods wet, Zijn geboden, verordeningen, inzettingen, Zijn Woord. Het boek Psalmen werd geschreven ver voor de kruisiging van Christus, maar Jezus Christus (de God en de Heer van het Oude Testament) is volgens HebreeŽn 13:8  … gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. Daarom zijn ook Gods instructies voor de mens voor een harmonieuze, respectvolle en liefdevolle samenleving onveranderlijk in alle eeuwen.

Psalmen 119:151  nabij zijt Gij, o Here, en al uw geboden zijn waarheid. 152  Van oudsher weet ik uit uw getuigenissen, dat Gij ze voor eeuwig hebt vastgesteld. Vers 160  Heel uw woord is de waarheid, al uw rechtvaardige verordeningen zijn voor eeuwig.

Gods geboden, getuigenissen en verordeningen zijn voor eeuwig vastgesteld schrijft de psalmist, door God geÔnspireerd. 'Getuigenissen' (vers 152) is een vertaling van het Hebreeuwse edah. Strong zegt daarvan: gaat altijd over wetten als goddelijke getuigenissen.
Nadat God de eerste mensen, Adam en Eva, had geschapen, wandelde Hij met hen in de Hof van Eden en gaf hun een 'handleiding' voor het onderhoud van de hof (Gen. 2:15), voor de dieren (Gen. 1:26) en vanzelfsprekend voor de omgang met hun Schepper en voor de samenleving van mensen.
De goede harmonie met God was van korte duur. Adam en Eva zondigden, dat wil zeggen ze overtraden Gods geboden. Die waren er dus al.

Genesis 3:8  Toen zij het geluid van de Here God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de Here God tussen het geboomte in de hof.

Ze wilden God ontlopen omdat ze Hem ongehoorzaam waren geweest. Ze hadden Zijn wet overtreden, die God voor eeuwig had vastgesteld. Dat Gods geboden er toen al waren hoeft niemand te verwonderen. De God in het bijbelboek Genesis is immers dezelfde God als die in alle andere bijbelboeken. En Zijn plan met Adam en Eva is niet anders dan Zijn plan met ons. Alle mensen hebben dezelfde 'handleiding' nodig om in eeuwigheid deel van Zijn gezin uit te kunnen maken. In de eerste plaats zullen we moeten leren onder Zijn bestuur te leven. Een bestuur functioneert volgens wetten, regels. Tevens moeten we volgens de regels van dat bestuur (Gods regering) met elkaar kunnen omgaan. In een gezin geldt voor alle kinderen dezelfde regels. De geboden voor Adam zijn niet anders dan Gods geboden voor IsraŽl, de apostelen en voor ons.
Is er dan geen verschil? Wordt er niet vaak gezegd dat we Gods woord in onze moderne wereld anders moeten interpreteren dan in de tijd toen Christus op aarde leefde of toen de profeten leefden?
Geboden over het eten van vlees van onreine of reine dieren zijn toch niet voor onze tijd? Geboden over homoseksualiteit en het gezin uit de tijd van Paulus gelden toch niet voor ons? Wat hebben wij te maken met de sabbat, de Week van Ongezuurde Broden, alleen seks in het huwelijk?
Bovendien, redeneren velen, bijbelse toestanden waren ook niet zo vrolijk, want lezen we in de bijbel niet veel over wantoestanden? Over veten, lasteraars, overspel, moord en doodslag, oorlogen, zelfs in IsraŽl dat Gods geboden gekregen had? Dus 'de bijbelse manier', redeneren ze verder, is ook niet zo'n succes gebleken.
Er is toch een groot verschil? Wat God betreft niet. God is dezelfde en Zijn doel met de mens is in de afgelopen 6000 jaren ook niet veranderd.
Zij die gelezen hebben over wantoestanden in de bijbel, hebben dat aspect goed gelezen. Maar ze hebben het andere aspect niet goed gelezen, als ze veronderstellen dat dat Gods manier is. De wantoestanden, de diepe ellende en oorlogen zijn niet veroorzaakt door het houden van Gods geboden, integendeel, ze zijn het gevolg van overtreding van de geboden. De verslagen daarover zijn opgetekend voor ons om er van te leren.
Nogmaals de vraag: is er een verschil? Maakt het wat uit in welke tijd je leeft en tot welk volk men behoort of behoorde? Nogmaals hetzelfde antwoord: wat God betreft niet. Maar de mťns heeft verschil gemaakt. De mens heeft zich niet gehouden aan de geboden van God die eeuwig dezelfde blijven. Mensen hebben besloten hun eigen wetten te maken, hun eigen wegen te gaan. Dit verschilt per volk en kan wijzigen per regeringsperiode. Het is een valkuil geworden voor de mensheid en heeft de wereld in diepe ellende gestort.
Adam en Eva lieten zich door Satan overhalen om van de vrucht van "de boom der kennis van goed en kwaad" te eten. God had gewaarschuwd dat ze dan zouden sterven. Satan zei dat ze dan zouden wťten dat er goed is en dat er kwaad is. En dat is juist. Maar dat betekent nog niet dat ze inzicht kregen in wŠt goed en wŠt kwaad is. Dat is een geestelijke aangelegenheid. Om dat te kunnen onderscheiden hadden ze een ander ingrediŽnt nodig.

Genesis 3:1  De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? 2   Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, 3  maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. 4   De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 5  maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad.

Het eerste contact van Satan met de mens is vol van list en bedrog, geheel naar zijn aard. "Gij zult geenszins sterven" is een grove leugen. Hierop hebben de religies hun theorie van de onsterfelijke ziel gebaseerd. De leugen, u hebt het eeuwige leven al, maakt het offer van Christus en de opstanding uit de dood ook overbodig. In Joh. 8:44 staat dat Satan de vader van de leugen wordt genoemd. Satan sprak toen al als de antichrist door God te loochenen als Redder. Geen enkele leer is boeiender dan die: "Je hebt het eeuwige leven al!"
Hier weten we dus al zeker dat de mens Satan niet kan vertrouwen in zijn commentaar over goed en kwaad. Desalniettemin is hij er in geslaagd (omdat God het toeliet, de mens heeft immers een vrije wil) om de mensen te indoctrineren met twijfels en valse leer.
Sinds de mens de vaste bron van waarheid – God – heeft losgelaten, is de verwarring over goed en kwaad groot. Er bestaat geen vaste standaard meer in het leven van een mens, hoewel die standaard in de vorm van de Tien Geboden er altijd geweest is en zal blijven. Maar ieder mens, elk volk, maakt zijn eigen standaard (norm, maatstaf, criterium).
Adam en Eva veronderstelden, misleid door de ‘verlokkende' woorden van Satan, dat ze na het eten van de verboden vrucht, zelf zouden kunnen zien wat in het leven goed is en wat tot het kwade gerekend moet worden. Sindsdien maakt ieder mens zelf wel uit wat goed is en wat kwaad is. Dit verschilt per cultuur, per natie, per regio, per familie, ja zelfs per persoon. “Ik maak dat zťlf wel uit” is de redenatie van de mens. Daarom wordt sinds Adam en Eva de mensheid structureel geteisterd door rampspoed. DŠŠrom had God verboden om van "de boom der kennis van goed en kwaad" te eten. De mens is niet in staat om vast te stellen wat goed is en wat kwaad is.
Het is niet nodig om eerst van de verboden boom te eten. God had uitgelegd dat dat een daad zou zijn tegen God. Dat had voldoende moeten zijn. De eeuwige God had gezien dat Satan en de demonen zich tegen Hem gekeerd hadden en daarmee zondigden en dus voor het kwaad hadden gekozen. Adam en Eva waren hiermee nog niet in aanraking geweest, maar door zelf ongehoorzaam te zijn door van de verboden boom te eten, door te zondigen, zaten ze er midden in (in het kwaad). Nķ wisten ze het (Gen. 3:22). Dat wil niet zeggen dat ze nu de juiste normen en waarden over goed en kwaad beheersten. Daarvoor is Gods geest nodig.
De mens werd gemaakt uit fysieke materie – "stof uit de aardbodem". Dit is een eerste fase in Gods plan met de mens naar een volgende fase: een geestelijke schepping.
De grondwet – de Tien Geboden – is daarom een geestelijke wet.

Romeinen 7:14  Wij weten immers, dat de wet geestelijk is.

Als de mens met zijn vrije wil zich laat onderwijzen in deze geestelijke wet, wordt hij gereed gemaakt voor de geestelijke schepping: de geboorte in Gods gezin.
Gods wet is geestelijk. Paulus schrijft dat de fysieke mens geestelijke dingen niet kan begrijpen. Om te kunnen begrijpen wat God heeft bepaald als zijnde goed en als zijnde kwaad, hebben we iets nodig wat God ook heeft. Dat is Zijn heilige geest.
De mens zou niet van de vrucht van "de boom der kennis van goed en kwaad" moeten willen eten. Sommige mensen beweren dat je alles eerst moet meemaken om tot een juist inzicht te komen. De mensen hebben al 6000 jaar 'van alles' meegemaakt. Maar zijn zij tot een juist inzicht gekomen? Er zijn ook meer dan 6000 ideeŽn over goed en kwaad. Wie heeft er gelijk? Het vertrouwen (= geloof) in God behoort echter zo groot te zijn dat wij niets te maken zouden moeten willen hebben met datgene wat God verbiedt. God weet waar het toe leidt als we Hem ongehoorzaam zijn. Als onze Schepper weet Hij wat goed en slecht voor ons is.
Sommige mensen zeggen in hun afkeer van bepaalde misstanden of gruwelijkheden: “Ik hoef dat niet te weten.” Zij hebben er geen behoefte aan om in de ‘drek’ te roeren. Elk weldenkend mens wťťt bijvoorbeeld wat de gevolgen zijn van drugsgebruik. Het is niet nodig om dit zelf eens uit te proberen. Zo moeten we "de boom der kennis van goed en kwaad" beschouwen. Eva, en daarna Adam en de generaties die volgden, zouden daar niets mee te maken moeten willen hebben. Het is de weg van ijdelheid, het beter weten dan God. Een weg die leidt naar de dood waarschuwde God:

Genesis 2:17  maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.

Eva had Satan moeten weerstaan met de woorden: “Ik wŪl daar helemaal niets van weten. Ik ken God en ik ken Zijn aard. Hij heeft ons en deze prachtige hof geschapen. Wie bent u dan wel? Ik geloof en vertrouw onze Schepper.” Adam had Eva ernstig moeten waarschuwen in plaats van een ‘meeloper’ te worden in ongehoorzaamheid.
De eerste mensen leefden in een schuldeloos paradijs, zich onbewust van enig kwaad. Het ging mis toen zij aten van de verboden vrucht van de boom van 'kennis van goed en kwaad' om daardoor 'verstandig' te worden. Vanaf dat moment is het menselijk verstand de grootste hindernis om het paradijs van onschuld en onbevangenheid terug te vinden. Wie dit bestrijdt bewijst zijn eigen geestelijke armoede.
Mensen die 'getuigen' de wil van God te doen en "de Heer in hun hart te hebben", maar Zijn geboden niet houden, zijn niet in Christus en Christus niet in hen.

1 Johannes 3:24  En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem.

Een mens toont pas onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God wanneer hij de instructies (geboden) van God uitvoert.
God is goed. Hij toont ons Zijn principes als een uiting van Zijn natuur. Principes van God worden gepresenteerd als wetten, geboden, verordeningen, instellingen. Als we daarnaar leven zullen we gezegend worden. Het is zelfs een voorwaarde voor eeuwig leven.
Wordt dan van een christen verwacht dat hij schapen, geiten, duiven of runderen slacht als zond- en schuldoffer, brand- en dankoffer en andere offers zoals een vredeoffer (verzoening, boete, dank, gelofte)? Geenszins! Het offer veronderstelt en bewijst het bestaan van de zonde. De offercultus bracht dit tot uiting, maar kon eenmalig voor elke zonde verzoening geven, maar geen behoud (eeuwig leven met God). Met het volmaakte offer van God – Zijn zondeloze zoon Jezus Christus – voor de gehele mensheid, zijn de dierenoffers, rituele en ceremoniŽle wetten verdwenen. Iemand die beweert een christen te zijn en een dier offert om zijn zondige onreinheid te bedekken voor God, ontkent de betekenis van het vergoten bloed van het Lam Jezus Christus. Uitsluitend een schuldloos leven – alleen Christus is zonder zonde – kan het schuldige bedekken.
Zo is de offercultus een prototype van de verzoening die destijds op Golgotha plaatshad. Christus heeft daarmee eveneens de weg vrij gemaakt om rechtstreeks in gebed tot de Vader te gaan.
Deze 'schaduw' van de offerwetten (niet bedoeld wordt de geldelijke offeranden) is dus in Jezus Christus werkelijkheid geworden.
Het reukwerk zijn de gebeden van de heiligen (Openb. 5:8). De fysieke besnijdenis is de schaduw van de besnijdenis van het hart.

Romeinen 2:25  Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt, maar indien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden.
1 Corinthe 7:19  [Want] besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden van Gods geboden.
Romeinen 2:29  … de [ware] besnijdenis is die van het hart, naar de Geest.

We zien in de nieuwtestamentische gemeente geen mannen met gedenkkwasten of snoertjes aan de punten van hun colbert. De mannen van IsraŽl werd opgedragen om gedenkkwasten aan de vier hoeken van hun opperkleden te dragen. In de kwasten was een blauwpurperdraad verwerkt. Jezus Christus droeg een kleed met kwasten.

Numeri 15:38  Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen, dat zij zich gedenkkwasten (SV: snoertjes) maken aan de hoeken van hun klederen, van geslacht tot geslacht, en dat zij in de gedenkkwasten aan de hoeken een blauwpurperen draad verwerken.  Dat zal u dan tot een gedenkkwast zijn; als gij daarnaar ziet, dan zult gij al de geboden des Heren gedenken en die volbrengen zonder uw hart of uw ogen te volgen, dat gij u daardoor tot overspel zoudt laten verleiden.

De heilige Geest heeft o.a. deze functie overgenomen. Hij brengt ons in de gegeven omstandigheden Gods geboden in herinnering en beschermt ons tegen zonde.
Een ander voorbeeld is de tabernakel en de tempel. De Gemeente van God heeft als de geestelijke tempel (2 Cor. 6:16, Ef. 2:19-22) de plaats ingenomen van de fysieke tempel. De Bijbel stelt met grote nadruk dat de woning van God tot in de kleinste details niet gebouwd was volgens een menselijk plan, maar volgens de wil en de aanwijzing van God. Mozes zag op de SinaÔ een model van de tabernakel met toebehoren. In HebreeŽn staat dat dit model een afbeelding was van de hemelse woonstede van God.

HebreeŽn 8:5  Dezen [de priesters van het Oude Testament] verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg.

De tabernakel was een principe en structuur van Gods bestuur, het hoofdkwartier van God. Van daaruit werd het volk bestuurd, op die plaats vonden de fysieke rituele en ceremoniŽle handelingen plaats om het volk te onderwijzen en aan hun zonden te herinneren. Daar vond de aanbidding van de Heer plaats. De volgende fase was de tempel als vast hoofdkwartier in Jeruzalem. Het was een beeld of afbeelding, een schaduw van hetgeen later met het Nieuwe Testament of Verbond zou komen en van Sion na de terugkomst van Christus.
De ark van het Verbond in de tabernakel was de woning van God voor het oude IsraŽl, maar ook dat was een afbeelding van het hemelse.
Natuurlijk heeft God altijd vanuit de hemel geregeerd. Maar voor het fysiek ingestelde volk IsraŽl had God de zichtbare en tastbare tabernakel en ark laten maken. En later de tempel. De structuur van gezag is in alle tijden hetzelfde. Sinds de kruisiging van onze Redder Jezus Christus wenden de gemeenteleden van de nieuwtestamentische Gemeente zich rechtstreeks tot de Vader, waarmee de betekenis van fysieke tempel is opgehouden. De regering van God vanuit de hemel heeft zijn structuur op aarde in de Gemeente.
De Gemeente wordt niet meer bestuurd vanuit een fysieke tabernakel of tempel.
Wanneer de 'werkelijkheid' in werking treedt, verdwijnt de 'schaduw'. Eigenlijk is dat ook zo met de gedenk- en feestdagen. Zij beelden gebeurtenissen uit die al voorbij zijn of nog moeten plaatsvinden. Het fysieke aspect van de feesten is een schaduw van het geestelijke aspect. Denk maar aan het Pascha. En het Feest der Eerstelingen beeldt als de kleine voorjaarsoogst van de eerste agrarische producten de geestelijke kleine oogst uit van de eerstelingen van mensen vanaf de stichting van de Gemeente 2000 jaar geleden tot de komst van Christus en beeldt het Loofhuttenfeest als de grote najaarsoogst van agrarische producten de geestelijke grote oogst van mensen uit gedurende het komende duizendjarige vrederijk (dat is het 'najaar' van de zevenduizend jaar).
Een ander voorbeeld van een schaduw is de geitenbok uit Leviticus 16 waar de Grote Verzoendag wordt beschreven. Die bok was een schaduw van het hemelse, namelijk Jezus Christus die geslacht werd.
De sabbat is ook een schaduw van een werkelijkheid. Maar deze werkelijkheid van rust moet nog komen: het komende vrederijk. Door deze dag te houden, houden we een belangrijke periode in Gods plan in eer en herinnering. Vanzelfsprekend worden de dierenofferceremonies niet meer verricht op die dag. De zevende dag is een heilige tijd, al reeds in de scheppingsweek gemaakt. Toen bestonden er nog geen Joden. Het is dus geen Joodse dag. Voordat het Oude Verbond met IsraŽl werd gesloten, maakte God aan IsraŽl de zevende dag als heilige rustdag bekend. Voordat de IsraŽlieten de berg SinaÔ hadden bereikt waar God op indrukwekkend wijze Zijn Verbond met IsraŽl sloot, wees Hij hun op de sabbat. Op deze dag mocht het manna niet verzameld worden. De sabbat is een teken voor altoos voor Gods volk, dus ook voor Gods volk in onze generatie.

Exodus 31:13  Gij dan, spreek tot de IsraŽlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de Here ben, die u heilig. 14  Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten. 15  Zes dagen mag men arbeiden, maar op de zevende dag zal er een volledige sabbat zijn, de Here geheiligd: ieder die op de sabbatdag werk verricht, zal zeker ter dood gebracht worden. 16  De IsraŽlieten zullen de sabbat onderhouden, door de sabbat te vieren, zij en hun nageslacht, als een altoosdurend verbond. 17  Tussen Mij en de IsraŽlieten is deze een teken voor altoos, want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag heeft Hij gerust en adem geschept.

De sabbat is nog steeds een speciaal teken tussen God en de Gemeente (vs. 13), evenals de jaarlijkse zeven heilige dagen.
Twee van deze jaarlijkse hoogtijdagen worden in het begin van het jaar gehouden. De dagen der ongezuurde broden vormen een periode van zeven dagen met twee grote sabbatten. Deze periode werd voor eeuwig ingesteld toen de IsraŽlieten nog in Egypte waren en voordat er ook maar ťťn woord van de ceremoniŽle wet van Mozes was gegeven of geschreven – voordat God zelfs het Oude Verbond had voorgesteld! Dat was ook het geval met het Pascha dat direct aan deze zeven dagen voorafgaat. In Exodus 12 wordt het beschreven. Hoe het gebraden en gegeten moest worden. Christus heeft in Zijn laatste Pascha met de discipelen de symbolen veranderd in ongezuurd brood en wijn. Hier zien we wederom het nieuwe als vervanging of opvolging van het oude beeld.
De mensen die zeggen: "Ik heb niets te maken met die oude Joodse geboden," zullen bedrogen uitkomen. Een belangrijke categorie van die 'oude' instructies zijn zeer actueel. In het Nieuwe Verbond zijn ze niet afgeschaft, maar vernieuwd. Als fysieke instellingen hadden ze hun betekenis voor de samenleving van het oude IsraŽl als Gods volk, terwijl ze in hun nieuwe vorm een geestelijke betekenis hebben voor de geestelijke mensen (die Gods geest bezitten) die Gods Gemeente vormen. Het oude was er om vooruit te kunnen zien op het nieuwe.
Het onbijbelse heilig avondmaal is geen Pascha. Het Pascha wordt ťťn keer per jaar gevierd (zoals gebruikelijk met gedenkdagen) op een door God vastgestelde datum, namelijk op de 14e van de eerste maand (maart/april). Paulus onderwees de 'heidense' gemeenten hierin. Pascha is evenmin hetzelfde als het heidense Pasen, dat de opstanding uitbeeldt. Pascha herinnert aan de kruisdood.

1 Corinthe 11:23  Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, 24  de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. 25   Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. 26  Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.

De opstanding van Christus is van levensbelang voor ieder mens. Zonder de opstanding zou er voor niemand behoud kunnen bestaan. Maar zoals van meer gebeurtenissen van levensbelang heeft God van de dag waarop Christus opgestaan is uit het dodenrijk geen feestdag gemaakt om jaarlijks te houden. God heeft het Pascha ingesteld om de dood van Christus te verkondigen (1 Cor. 11:26) op een daarvoor bepaalde tijd (Lev. 23:4-5).
Kan het betekenen dat geboden die God aan IsraŽl heeft gegeven, uitsluitend voor IsraŽl bedoeld zijn? Absoluut niet! Dat moeten we goed begrijpen. Toen door de zonde in het paradijs er een scheiding kwam tussen God en de mens, maakte de mens zijn eigen regels. Gods plan zal evenwel uitgevoerd worden. Hij werkte door enkelingen, zoals Henoch, Noach, Abraham, Isašk en Jakob. Vanzelfsprekend leerden zij Gods geboden kennen. Daarna zette God een hele natie apart. Hij onderwees de twaalf stammen van IsraŽl in Zijn wegen. In Zijn religieuze wetten, heilige feesten en burgerlijke wetten (te vergelijken met een burgerlijk wetboek). Als de IsraŽlieten gehoorzaam zouden zijn aan God, zou het volk rijkelijk gezegend worden met welvaart en vrede. IsraŽl had een modelnatie moeten worden voor de wereld, zodat bij andere volken het verlangen zou ontstaan om op dezelfde wijze bestuurd te worden met dezelfde wetten. God heeft ieder mens lief en Hij wilde dit demonstreren via Zijn volk IsraŽl. We moeten goed begrijpen dat God altijd Zijn geboden, wat we ook Zijn weg, Zijn manier of Zijn methode kunnen noemen, onderwees. Dezelfde geboden voor Adam, Abraham, de IsraŽlieten, de apostelen en ons. Dat zijn gťťn Joodse geboden, maar geboden van God. Er waren wel Joodse geboden, maar veel van die Joodse tradities die de Joodse schriftgeleerden onderwezen noemde Christus leringen en bedenksels van mensen.
Helaas benutte IsraŽl niet deze unieke kans en werd ongehoorzaam aan God. In plaats van een ideaal model voor de buren, werd IsraŽl tot spot voor hen. God trok Zijn beschermende sterke arm terug en liet toe dat de IsraŽlieten in gevangenschap werden weggevoerd naar vreemde volken. God had Zijn handen ervan afgetrokken en de staat IsraŽl (later opgesplitst in IsraŽl en Juda) hield op te bestaan. Dit betekent dat er ook geen burgerlijk wetboek meer van toepassing was. Geen politieke staat, geen land, geen overheid en geen bestuursapparaat, dus ook geen burgerlijke wetten. De IsraŽlieten dienden zich te onderwerpen aan de burgerlijke wetten van de landen waarheen ze getransporteerd waren.
Soms wordt aan iemand in de Gemeente van God de vraag gesteld: "Als u de sabbat en de bijbelse feestdagen viert en geen varkensvlees eet, waarom houdt u zich dan niet aan…" En dan volgt vaak een gebod uit de tijd dat IsraŽl nog een staat vormde. Bijvoorbeeld de wijze waarop iemand berecht of beschermd werd als hij een ander onopzettelijk gedood had.

Numeri 35:22  Maar indien hij hem onvoorziens, zonder vijandschap, gestoten of zonder opzet enig voorwerp naar hem geworpen heeft, 23  of achteloos een steen, waardoor iemand zou kunnen sterven, op hem heeft laten vallen, zodat hij stierf, terwijl hij hem niet vijandig gezind was noch zijn kwaad zocht, 24  dan zal de vergadering krachtens deze bepalingen recht spreken tussen degene die gedood heeft, en de bloedwreker; 25  en de vergadering zal de doodslager uit de hand van de bloedwreker bevrijden, en de vergadering zal hem naar de vrijstad doen terugkeren, waarheen hij gevlucht was, waar hij wonen zal tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.

Deze wet is niet van toepassing voor Gods gemeenteleden zolang ze geen eigen staat vormen die rechtstreeks door God wordt bestuurd. Ze wonen nu in landen met andere wetten. Het stelsel van burgerlijke wetten die Mozes namens God bekend maakte, blijft in de ijskast tot de Wereld van Morgen. Omdat Gods gemeente de voorloper is van Gods Koninkrijk moeten de gemeenteleden wel rekening houden met de principes van deze wetten binnen de gemeente (Bijv. Lev. 25:35-37). Nederland heeft een Burgerlijk Wetboek waaraan alle inwoners, inclusief de christenen, zich aan moeten onderwerpen.

Romeinen 13:1  Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld.

De burgerlijke wetten die God aan IsraŽl gaf zijn voorlopig niet van toepassing, maar niet vernietigd. In het komende Millennium zullen ze weer actief worden.
Als nu echter ware christenen worden gedwongen geboden van God te overtreden die wťl actief van kracht zijn, dan gehoorzamen ze eerst God en zullen zich moeten onderwerpen aan de straf die de menselijke overheid eventueel oplegt. Zo'n gebod, die boven de burgerlijke wet van een land staat is bijvoorbeeld: Gij zult niet doodslaan (denk aan militaire dienst). Doodslag is zonde.

Handelingen 5:29  Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen.

Handelingen 15 bevestigt dat burgerlijke wetten van God niet gelden voor christenen die wonen in landen met wereldse overheden.
De meeste Joden woonden in de tijd van de apostelen in de Romeinse provincies Judea, Samaria en Galilea met stadhouders die door Rome aangesteld waren, dus het Romeinse gezag vertegenwoordigden. De Romeinen schijnen tot het jaar 70 het binnenlands bestuur hoofdzakelijk aan het Sanhedrin te hebben overgelaten. Het Sanhedrin was een Joods rechtscollege en bestuursraad, hoofdzakelijk bestaande uit FarizeeŽn en SadduceeŽn en schriftgeleerden. Zo werd bijvoorbeeld Paulus door de stadhouder naar het Sanhedrin verwezen. Het Sanhedrin kon personen gevangen nemen, maar was niet bevoegd doodvonnissen te voltrekken; hiervoor was toestemming van de procurator nodig. De rechterlijke macht van de Romeinse overheid was onbeperkt. Te allen tijde kon de stadhouder, met voorbijgang van het Sanhedrin, naar eigen goedvinden maatregelen nemen en recht spreken. De steniging van Stefanus was dus geen rechtsgeldige zaak, maar het resultaat van een 'spontaan' volkstumult.
Omdat Rome het bestuur grotendeels aan het Joodse Sanhedrin overliet golden tot op zekere hoogte het stelsel van MozaÔsche wetten uit de tijd van de staat IsraŽl (bijv. de tijd van koning David). Aan de gemeenten van God die in de heidense regio's van het Romeinse Rijk ontstonden, konden de burgerlijke wetten uit dat stelsel niet worden opgelegd. Zij moesten zich houden aan de wetten die in hun gebieden van kracht waren. Daarom lezen we het volgende:

Handelingen 15:19  Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, 20  maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed.

Voor het verkrijgen van behoud is ook voor de Joden het offeren van dieren en de besnijdenis van geen enkele betekenis. Wat was er aan de hand?

Handelingen 14:21  En toen zij [de apostelen Barnabas en Paulus] aan die stad het evangelie verkondigd en er verscheidene discipelen gemaakt hadden, keerden zij terug naar Lystra, Ikonium en AntiochiŽ, 22  om de zielen der discipelen te versterken en hen te vermanen om te blijven bij het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan. 23  En nadat zij voor hen in elke gemeente oudsten hadden aangewezen, droegen zij hen onder bidden en vasten de Here op, in wie zij geloofd hadden. 24  En na een tocht door PisidiŽ kwamen zij in PamfyliŽ; 25  en zij spraken het woord te Perge en trokken naar Attalia; 26  en vandaar voeren zij naar AntiochiŽ, waar zij aan de genade Gods waren opgedragen voor het werk, dat zij volbracht hadden. 27  En daar aangekomen, riepen zij de gemeente bijeen en gaven verslag van al wat God met hen gedaan had, en dat Hij ook voor de heidenen een deur des geloofs had geopend. 28  En zij vertoefden daar geruime tijd met de discipelen. 15:1  En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden.

De besnijdenis was geen burgerlijke wet, maar een religieuze aangelegenheid voor de IsraŽliet onder het Oude Verbond en ook voor apart gezette mannen daarvůůr. We moeten echter wel begrijpen dat onder het Oude Verbond er in IsraŽl geen scheiding was tussen 'kerk en staat'. Iedere mannelijke burger moest zich laten besnijden, hetgeen betekende dat hij tot Gods volk behoorde. Nu betekent het niets. Althans in onze relatie tot God niet. Tot sommige 'bekeerde' Joden was de betekenis van de kruisdood kennelijk nog niet doorgedrongen, want ze stelden het behoud afhankelijk van de besnijdenis.

Vers 2  En toen er van de zijde van Paulus en Barnabas geen gering verzet en tegenspraak tegen hen ontstond, droegen zij Paulus en Barnabas en nog enigen van hen op zich tot de apostelen en oudsten te Jeruzalem te begeven naar aanleiding van dit geschil.

De uitspraak aangaande dit geschil hebben we hierboven gelezen in vers 19. Vervolgens:

Vers 22 ... besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente mannen uit hun midden te kiezen... 23 En men schreef door hun bemiddeling: De apostelen en oudsten groeten als broeders de broeders uit de heidenen in AntiochiŽ, SyriŽ en CiliciŽ. 24 Aangezien wij gehoord hebben, dat enigen uit ons midden u met hun woorden hebben verontrust, uw zielen in verwarring brengende, hoewel wij hun niets geboden hadden, 25 hebben wij eenstemmig besloten mannen te kiezen om die tot u te zenden... 28 Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: 29 onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij; indien gij u hier voor wacht, zult gij wel doen. Vaart wel!

De heidenen mochten niet lastig gevallen worden met burgerlijke wetten die (deels) in de districten van de Joden golden. En de besnijdenis was zowel voor de bekeerde Jood als de bekeerde 'heiden' geen religieuze aangelegenheid.
Maar, vragen sommigen zich af, is dat (in vers 20) alles waar heidenen zich aan moeten houden: te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed? Is het een bekeerde heiden niet verboden om te echtbreken? Om te stelen? Om een valse getuigenis te spreken tegen zijn naaste. Om te begeren…?
Een goede verstaander weet beter. Geboden die buiten of boven de offerwetten en burgerlijke wetten staan, zijn te allen tijde van kracht voor zowel de Jood als de Griek.

Romeinen 10:12  Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen.
Galaten 3:28  Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers ťťn in Christus Jezus.
Kolossensen 3:11  waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus.

Burgerlijke wetten die God via Mozes aan IsraŽl had gegeven en in de tijd van de apostelen deels wel door de Joden gehouden konden worden, omdat ze tot op zekere hoogte daarvoor de vrijheid kregen van Rome, kon niet aan bekeerde heidenen worden opgelegd die in andere gebieden woonden.
Natuurlijk was de eeuwige geestelijke wet – de Tien Geboden – van kracht, daarover hoefde de vergadering in Jeruzalem geen uitspraak te doen. Vanzelfsprekend was doodslag en stelen niet toegestaan en begonnen de bekeerde heidenen de sabbat te houden en aten ze geen onrein voedsel meer. De mens is niet van een andere samenstelling dan 6000 of 3000 jaar geleden. Zie onze publicatie 'Eet u zich een ongeluk?'.
Het zijn geen wetten van de IsraŽlieten, maar van God en God is onveranderlijk.
Daarom viert Gods gemeente Gods jaarlijkse heilige dagen (het zijn Mijn feesttijden zegt God in Lev. 23:2,4), maar brengt geen dierenoffers op die dagen. Daarom is wel het tiendensysteem van kracht in Gods gemeente.

Markus 12:13  En zij zonden tot Hem enige van de FarizeeŽn en van de Herodianen om Hem in een strikvraag te vangen. 14  En zij kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en dat Gij U aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar Gij leert de weg Gods in waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Zullen wij betalen of niet betalen? 15  Maar Hij, wetende, dat zij huichelden, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een schelling, en laat Ik die zien. 16  En zij brachten er een. En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit? Zij zeiden tot Hem: Van de keizer. 17  Jezus zeide tot hen: Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is [geldelijke offeranden, tienden]. En zij verwonderden zich zeer over Hem.

We weten dus dat offerwetten die naar de letter gebracht werden zijn opgeheven, dat ons offer Jezus Christus is en dat de burgerlijke wetten voorlopig niet van toepassing zijn en sommige geboden onveranderlijk en tijdloos zijn (voorbeelden: de Tien Geboden, de voedselwetten). Andere geboden hebben een vernieuwing ondergaan (voorbeelden: de jaarlijkse heilige dagen, het Pascha, de besnijdenis). Ze hebben als fysiek gerichte geboden dienst gedaan om in de eerste fase van de schepping, de fysieke schepping, de mens voor te bereiden op de tweede fase, de geestelijke schepping, om nu als geestelijk gerichte geboden de mens ten dienste te staan. Deze geboden geven een dieper begrip van de vernieuwing van de mens wanneer hij christen wordt en uiteindelijk veranderd wordt in geest (geboren in Gods Koninkrijk). In Gods plan volgt de nieuwe mens de oude op. Het geestelijke komt na het vleselijke. Het fysieke vleselijke dient als voorbereiding op het geestelijke. In de volgende verzen leest u de tegenstelling tussen het vergankelijke en het onvergankelijke.

1 Corinthe 15:40  Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse. 41  De glans der zon is anders dan die der maan en der sterren, want de ene ster verschilt van de andere in glans. 42  Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; 43  er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. 44  Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam. 45  Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam [Christus] een levendmakende geest. 46   Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. 47  De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. 48  Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. 49  En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen. 50  Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beŽrven en het vergankelijke beŽrft de onvergankelijkheid niet. 51  Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen [sterven], maar allen zullen wij veranderd worden, 52   in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. 53  Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54  En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning.

De geboden – van oud tot nieuw – begeleiden dit proces en verschaffen inzicht.
Sinds de kruisdood van Christus is er een einde gekomen aan de dierenoffers en zolang de staat IsraŽl met God als Koning niet bestaat kan er geen sprake zijn van burgerlijke wetten van God, maar gelden de wetten van het land waar de christen woont.
Hierbij moet een kanttekening geplaatst worden. In een democratie is er een scheiding tussen 'kerk en staat'. Hoewel dit systeem voor de mensen mogelijk het minst slechte is, is Gods bestuur theocratisch. Theocratie (v. Gr., lett.: Godsregering) is een staatsvorm waarbij de politieke macht direct van God afgeleid wordt. In de regering van God in de Wereld van Morgen zullen de heiligen onder Christus regeren als koningen en priesters. De geestelijke principes van goddelijke liefde gebaseerd op Gods geboden zullen doordringen in alle facetten van de samenleving. Daarom zal in het komende Millennium het koningschap en priesterschap in ťťn persoon zijn verenigd. Vanzelfsprekend zal in een burgerlijk wetboek zaken geregeld worden als kopen en verkopen, lenen, beschadigen van andermans bezittingen, bijv. door vee of overslaande brand naar naburige percelen, enz. Maar al deze zaken kunnen niet los gezien worden van de principes van de Tien Geboden. Hoewel men aangaande de sabbatviering mogelijk niet direct denkt aan het burgerlijk wetboek, zal in de ideale samenleving van Gods vrederijk een nauwe relatie zijn tussen het ene en het andere.
God is zoals Hij is en daarom golden deze principes ook in het oude IsraŽl.
De christenen van vandaag wonen nog niet in het toekomstige Koninkrijk van God, maar zijn 'bijwoners' in de landen van deze wereld. Ze dienen de wetten van die landen te respecteren.
Als 'bijwoners' worden ze ook geconfronteerd met de goden van de mensen in de verschillende landen.
God heeft geboden tegen afgoderij ingesteld. Sinds Adam is er een scheiding gekomen tussen God en de mensen. De mensen hebben zich van de enige eeuwige Schepper en Onderhouder afgekeerd en hebben hun eigen religies gemaakt. Volgens de Bijbel worden er in de zesduizend jaar van Adam tot de terugkomst van Christus slechts weinigen toegevoegd aan Gods gemeente. Zij zullen de regering vormen in het komende Koninkrijk van God. In die tijd van het duizendjarige vrederijk zullen de volken zich onderwerpen aan de enige werkelijke God. De talloze religies die door de mensen zelf zijn bedacht hebben hun eigen goden. In dit spectrum neemt het 'christendom' een prominente plaats in met een grote verscheidenheid. Hierin staan tradities centraal die ontleend zijn aan of een voortzetting zijn van de Babylonische mysteriereligie.

Mattheus 7:22  Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? 23  En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.

De god die door deze 'christelijke' kerken, denominaties, sekten, enz. wordt vereerd is slechts een "gegoten beeld" waarschuwt het Woord van de ware God.
De ware volgelingen van Christus mogen vanzelfsprekend op geen enkele wijze deel hebben aan die valse religies.

Exodus 34:12  Neem u in acht, dat gij geen verbond sluit met de inwoners van het land, waarheen gij gaat, opdat zij niet tot een valstrik in uw midden worden. 13   Integendeel, hun altaren zult gij omverhalen, hun gewijde stenen verbrijzelen en hun gewijde palen omhouwen.

Het land Kanašn zou het land van de IsraŽlieten worden. Binnen hun grenzen moesten ze alle afgoderij opruimen, zoals bij de terugkomst van Jezus Christus op de gehele aarde de afgoderij vernietigd zal worden en Gods Koninkrijk zal heersen. De landen waarin de christenen nu wonen zijn niet het bezit van christenen, waarin ze hun eigen regeringen hebben gevormd, zodat ze kerkgebouwen zouden kunnen afbreken om een einde te maken aan afgoderij. Ze zijn burgers onder een wereldse regering. Ze hebben geen deel aan politieke verkiezingen. Wel heeft de Gemeente van God de opdracht om te waarschuwen en het Evangelie van het Koninkrijk te verkondigen.

Vers 14  Want gij zult u niet nederbuigen voor een andere god, immers de Here, wiens naam Naijverige is, is een naijverig God. 15  Sluit toch geen verbond met de inwoners van het land; wanneer zij hun goden overspelig nalopen en aan hun goden offeren, dan zouden zij u uitnodigen en gij zoudt van hun slachtoffer eten. 16   Wanneer gij van hun dochters voor uw zonen neemt en zij haar goden overspelig nalopen, dan zouden zij tevens uw zonen tot overspelig nalopen van haar goden verleiden. 17  Gegoten goden zult gij u niet maken.

Er zijn talloze zelf gecreŽerde goden en hoe langer het geleden is dat een valse god is geÔntroduceerd, des te sterker en massaler hij wordt aanbeden als de ware god.
Vanzelfsprekend sluit een ware christen zich niet buiten de samenleving waarin velen Gods geboden overtreden, want, zegt Paulus:

1 Corinthe 5:10  … want dan zou men wel uit de wereld moeten gaan.

Maar uiteraard kan iemand die Christus toebehoort geen deel hebben aan religieuze activiteiten buiten Gods gemeente. Daarmee zou hij immers de afgod dienen.
Deelname aan religieuze bijeenkomsten buiten Gods gemeente, zoals zondagsdiensten, is hetzelfde als deel hebben aan afgoderij. Eveneens het religieuze gedeelte van een trouwerij, begrafenis of doop buiten Gods gemeente. Christenen kunnen wťl de ceremonie bijwonen en feestelijkheden, maar niet de religieuze dienst. Al zullen de vrienden en familie van de ware christen die hem hiervoor uitnodigen dit meestal niet begrijpen. En vanzelfsprekend is deelname aan het avondmaal van de wereldse 'christelijke' kerken in strijd met Gods geboden, evenals kerst, Pasen, Pinksteren (niet wordt bedoeld het Feest der Eerstelingen of Feest der Weken, dat ook Pinksteren wordt genoemd), Nieuwjaar en verjaardagen. Elke vorm van religie buiten Gods gemeente is afgoderij.
Deze oude heidense religieuze gebruiken komen niet van de Schepper. Ze hebben een christelijke schijn gekregen. Ze zijn oud en hebben daarom een schijn van authenticiteit gekregen. U vindt ze niet in Gods Woord. Daarin staan ZŪjn richtlijnen en die zijn goed, want God is goed.

Markus 10:17  En toen Hij op weg ging, liep iemand op Hem toe, viel op de knieŽn en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beŽrven? 18   En Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.

De goedheid van God komt tot uiting in Zijn geboden. Van kracht voor alle generaties en alle mensen. Alleen ZŪjn principe, ZŪjn aard, ZŪjn wezen is goed. Zo was, is en blijft Hij.

HebreeŽn 13:8  Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.
Jesaja 41:4  Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen; Ik, de Here, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde.
Jakobus 1:17  Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer.

Als wij Gods natuur leren kennen, en dat is alleen mogelijk met behulp van Zijn heilige geest, dan leren wij Zijn manier van leven kennen, Zijn normen en waarden. Deze zijn onveranderlijk en van toepassing in alle tijden. Zijn geboden zijn goed, een zegen voor wie ze onderhouden. Voor wie het wil begrijpen: de geboden zijn voor de mens. Het sabbatgebod is daarvan een voorbeeld.

Markus 2:27  En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om de mens [niet alleen de Jood].
1 Johannes 3:24  En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem.

In de Wereld van Morgen zal God regeren. Niet met geboden van mensen. Christus zal Zijn geboden dan zelfs met grote kracht opleggen aan alle mensen. Dezelfde geboden die altijd al hebben bestaan omdat ze van de onveranderlijke God uitgaan.
Een voorbeeld is het Loofhuttenfeest, dat de meeste lezers nu nog nauwelijks iets zegt.

Zacharia 14:9  En de Here zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de Here de enige zijn, en zijn naam de enige. Vers 16  Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de Here der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren. 17  Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de Here der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen vallen, 18  en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen, op wie geen regen valt, dan zal toch komen de plaag waarmee de Here de volken zal treffen, die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. 19  Dit zal de straf zijn van de Egyptenaren en van alle volken die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren.

Uiteindelijk zal de mens inzien dat alleen Gods geboden – ja, dezelfde die Abraham, Mozes, David, Jeremia, enz. hielden – vrede en geluk kunnen brengen. De gehele aarde zal dan verlangend zijn in die weg onderwezen te worden.

Jesaja 25:6  En de Here der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feestmaal van vette spijzen aanrichten, een feestmaal van belegen wijnen: van mergrijke, vette spijzen, van gezuiverde, belegen wijnen.

Maar eerst zal God de misleiding wegnemen van alle mensen, met name van het zgn. christendom.

Vers 7  En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiŽn omsluiert, en de bedekking, waarmede alle volken bedekt zijn.

Bedenk wel dat hier staat dat Šlle naties en Šlle volken misleid zijn. Zie ook Openb. 12:9 en 2 Cor. 11:13-15.

Vers 8  Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de Here Here zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de Here heeft het gesproken. 9  En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de Here, op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft.
Jeremia 3:17  Te dien tijde zal men Jeruzalem noemen de troon des Heren, en alle volken zullen zich daarheen verzamelen om de naam des Heren te Jeruzalem, en zij zullen niet meer wandelen naar de verstoktheid van hun boos hart.
Jesaja 2:2  En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen 3  en vele natiŽn zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem.

Wereldwijd zal men in het komende duizendjarige vrederijk Gods geboden gaan houden en van de zegeningen die daarvan het gevolg zijn genieten.
Wat een contrast met vandaag! Nu is het aantal mensen dat in dankbaarheid Gods weg heeft leren kennen en wil leven in gehoorzaamheid aan Gods geboden van liefde, zo klein, dat Christus spreekt van een "klein kuddeke".

Lukas 12:32  Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.

Het moge duidelijk zijn dat het "klein kuddeke" geen betrekking heeft op de alom bekende omvangrijke religies.
De wereld heeft Gods gemeente altijd een sekte genoemd.

Handelingen 24:5  Want wij hebben gevonden, dat deze man [Paulus] een pest is, iemand, die opstanden verwekt onder alle Joden over de ganse wereld, een eerste voorstander van de sekte der NazoreeŽrs. Vers 14  Maar dit erken ik [Paulus] voor u, dat ik naar die weg, die zij een sekte noemen, inderdaad de God der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat.
Handelingen 28:22  Maar wij stellen het wel op prijs van u te vernemen, welke uw denkbeelden zijn, want wat deze sekte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegenspraak vindt.

We hebben gezien dat voordat Christus Zijn gemeente stichtte, veel geboden fysiek gericht waren om later het geestelijke beter te kunnen begrijpen. Bovendien werden ze zeer letterlijk genomen, zonder de diepere achtergrond van liefde. Gij zult niet doodslaan betekende ook niet meer dan iemand letterlijk doden en echtbreken de daadwerkelijke scheiding.
Christus verdiept de betekenis en maakt de geboden zelfs strenger, in tegenstelling tot wat velen denken en leren.

Mattheus 5:21  Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht. 22  Maar Ik [Jezus] zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.

Voor iemand die meent in "toorn" met zijn broeder om te kunnen gaan, zal de poort van het Koninkrijk van God gesloten blijven. Hem rest het hellevuur. Schelden komt ook niet voor in het Koninkrijk. Een leeghoofd is iemand zonder zinnen en een dwaas een onzinnig of zelfs goddeloos mens volgens de Griekse betekenis (de taal waarin het oorspronkelijke Nieuwe Testament is geschreven). In het Koninkrijk van God zullen geen dwazen en leeghoofden zijn. Iemand die zijn broeder zo noemt gunt hem geen plaats in het Koninkrijk en verwijst hem dus naar het hellevuur en dat betekent de eeuwige dood of indirecte 'doodslag'. De rollen zullen echter omgedraaid worden, omdat doodslag wetsovertreding is en daarop staat de doodstraf.

Mattheus 5:27  Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. 28  Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.
Mattheus 5:31  Er is ook gezegd: Al wie zijn vrouw wegzendt, moet haar een scheidbrief geven. 32  Maar Ik zeg u: Een ieder, die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt, dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk.

Dit geldt ook voor de vrouw tegenover haar man. Ziet u hoe massaal er echtbreuk wordt gepleegd?
Echtbreuk plegen is een overtreding van ťťn van de Tien Geboden en dus zonde. Voor zondaren is geen plaats in Gods Koninkrijk.
Christus wil dat de geboden strikter worden toegepast dan de letterlijke fysieke daad, ter bescherming van het huwelijk, het gezin en de hele samenleving. En daarmee illustreert Hij het verschil tussen het 'oude' – naar de fysieke natuur – en het 'nieuwe' – naar de geestelijke natuur.
Tenslotte wijst Christus ook op een nŪeuw gebod onder het Nieuwe Verbond.
Op enkele personen na heeft God aan Zijn uitverkoren volk onder het Oude Verbond niet Zijn geest gegeven. Maar ze hadden een belangrijk gebod gekregen om elkaar lief te hebben.

Leviticus 19:18  Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de Here.

Door onder het Nieuwe Verbond Zijn geest in een christen te plaatsen, maakt God het mogelijk om in een christen goddelijke liefde te laten groeien. De avond voor Zijn kruisiging spreekt Christus Zijn discipelen moed in. Hij weet dat wanneer Hij terugkeert naar Zijn Vader in de hemel, waar wij niet kunnen komen, Hij de heilige geest zal zenden in Zijn discipelen om naleving van een nieuw gebod mogelijk te maken.

Johannes 13:33  Kinderkens, nog een korte tijd ben Ik bij u; gij zult Mij zoeken en, gelijk Ik de Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo spreek Ik thans ook tot u. 34  Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt. 35  Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.

Het nieuwe gebod, dat Jezus Zijn leerlingen hier geeft, is het gebod van de christelijke broederliefde die zich onderscheidt van de algemene mensenliefde, die alle mensen verplicht zijn elkaar te bewijzen, omdat zij mensen, natuurgenoten, bloedverwanten zijn, die allen in dezelfde eerste twee mensen hun oorsprong hebben, uit ťťn bloed zijn voortgesproten. Deze algemene mensenliefde wordt door die broederliefde niet uitgesloten, maar deze is uitgebreider dan die en vordert meer: niet alleen dat de mens zijn medemens liefheeft zoals hij zichzelf liefheeft, maar dat de broeder bovendien voor zijn broeder alles overheeft, desnoods zichzelf voor hem opoffert.
Christus zal een christen door de geest van God daartoe in staat stellen. Elkaar liefhebben, zoals broers en zussen in een liefdevol gezin. Met elkaar meelachen en meeleven, elkaar zorg geven, bidden voor elkaar, elkaars lasten dragen, geduld met elkaar hebben en elkaar vergeven, elkaar warmte geven, elkaar opbeuren en troosten, elkaar opbouwen in geloof en heiligheid. En dat noemt Christus een nieuw gebod. Het is een schitterend gebod in de nieuwe context van een nieuw leven met Gods geest.
God had ons al reeds eerder geboden onze naaste lief te hebben als onszelf. Maar zoals Jezus het nu zegt is nieuw. Het is inderdaad een nieuw gebod.
Het nieuwe gebod begint met bijna dezelfde bewoording: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt. Maar wat dan volgt is anders, dat is nieuw. In het oude gebod volgt op "uw naaste liefhebben" de woorden "als uzelf". In het nieuwe gebod staat niet "als uzelf", maar "gelijk Ik u liefgehad heb". Dat brengt de broederliefde op een hoger plan: gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt.
Elkaar liefhebben zoals Christus Zijn Gemeente heeft lief gehad.
En iedere christen weet hoe groot en bijzonder die liefde was en nog steeds is.

 

Terug naar de Home Page

web analytics